Jeroen van Rooij – Niemand had er enig idee van wat er aan de hand was

Het spel en de spanning

door Levity Peters

Mijn tweede vrouw is van mij gescheiden omdat ik nooit spelletjes met haar wilde doen. Niet alleen bord- of gezelschapsspelletjes staan mij tegen, ook puzzels. Het lijkt mij van belang om dat te weten in verband met mijn bespreking van de dichtbundel niemand had er enig idee van (bundel omdraaien) wat er aan de hand was, een bundel met wat ik graag ‘puzzelpoëzie’ noem.
Niet alleen heb ik een behoorlijke aversie tegen spelletjes, ik eet ook geen vlees. Bij gebrek aan een vegetarische maaltijd, kreeg ik bij het laatste huwelijk van mijn zus door de kok zeewolf aangeraden, en ik heb aan weinig voedsel zo’n goede herinnering overgehouden. Ook dat is van belang om te weten in verband met de bundel, want ondanks mijn aanvankelijke aversie, kan ik niet anders dan het genoegen bekennen waarmee ik de poëzie van Jeroen van Rooij geconsumeerd heb.

Dus haalde ik adem en dacht: ‘Nou, daar gaat ie dan.’

De openingsregel van de bundel, het gedicht ‘Eindelijk toestemming’.
De laatste regel van de bundel gaat zo:

Ik herinner mij ons gesprek. Dus ik haalde adem en dacht: ‘Nou, daar gaat ie dan.’
(uit: Wat er aan de hand was)

Wist ik toen waar de bundel over ging?

Mijn persoonlijke ervaringen stelden me slechts deels in staat de sluier op te lichten.
De slotregel van: ‘Altijd hetzelfde zinnetje’.

Om te verduidelijken waarom ik het ‘puzzelpoëzie’ noem, nu een compleet gedicht:

De jongen met de lekkende laars

Ik herinner me de stoepen en het schoongeveegd trottoir.

Zoek elkaar op, ga buiten de stad wonen terwijl ik
elkaar verkracht tot je tanden uitvallen of ergens
de weg kwijtraken en zwanger raak je me aan met je handen.

Je zwelt op en fietst langs het kanaal naar huis. De bomen
aan de oever en de zon schuilt voor de bladerkronen
omdat niemand hem tegenhoudt. In het dorp
vloeit het bronwater door de straten, vallen
de laatste achterblijvers af, de handjes langer
los dan anders, een processie, de ijscoman in Dundalk,

vier geestelijk gehandicapten nemen bus 10 naar het werk,
bruidsmodewinkel (de etalagepoppen kijken je na), een wikkel
van een mars in de goot, rotonde, nieuwe appartementen, fontein, kerk,

Aldi en de bakker met vakantie met ervoor de voddenkar.

Dit is het laatste gedicht van de reeks ‘Niemand had er enig idee van’. En het is de aanzet tot ‘Wat er aan de hand was’, dat zo begint: ‘Ik herinner me de stoepen en het schoongeveegd trottoir.’ De herhaling van de zin geeft het belang ervan aan. Geen idee om welke reden.

‘Wat er aan de hand was’, het tweede deel van de bundel, verhaalt meer dan vijfhonderd keer, dertig pagina’s lang wat de ik persoon zich herinnert:

‘Ik herinner me het inknippen van de kut van mijn vrouw bij de geboorte van onze eerste dochter.’

Een aantal pagina’s later:

‘Ik herinner me dat ik als klein meisje altijd een grote strik droeg.’

Zo. Materiaal genoeg om uit te leggen waarom ik dit fascinerende poëzie vind.

Ordening is in alle kunsten een kernbegrip. De manier waarop ongelijksoortige zaken, vormen, begrippen, ideeën, waarden, allemaal een plek hebben in onze werelden. Sommige dingen hebben hun plek in de wereld van je werk, andere in de wereld van de religie, weer andere in je liefdesleven, enz. Maar stuk voor stuk maken ze deel uit van je wereld. Wat Jeroen van Rooij doet, is al die werelden door elkaar husselen: ‘Zoek elkaar op, ga buiten de stad wonen’, schrijft hij in ‘De jongen met de lekkende laars’, alsof dat iets met elkaar te maken heeft, ‘terwijl ik/ elkaar verkracht tot je tanden uitvallen’.
Die tanden zijn we dan al tegen gekomen in het vorige gedicht, vóór dat gedicht in een gedicht met de titel: ‘Mijn tanden zijn scherven’, en ‘Als ik iets ergs meemaak is dat meestal met tanden’, viel te lezen aan het begin van de bundel te lezen in het gedicht ‘Tongschaar’.

Dat is hoe deze poëzie werkt: ze brengt je telkens opnieuw op zijsporen van waaruit je de weg terug zoekt. Je lijkt de weg terug te vinden, omdat je op plekken komt waar je eerder bent geweest, maar je hebt geen idee of je op de goede weg bent. Je blijkt in een labyrint te zitten waar je niet uit lijkt te kunnen ontsnappen.
De jongen, de man, is soms een meisje dat Henriëtta blijkt te heten (Lacks), dat je ook ontmoet in het gedicht: ‘Waarin ik Henriette Lakes genas’. Een ongrijpbare, transformerende wereld. Als herinneringsbeelden veranderlijk.

In ‘Wat er aan de hand was’ is er een steeds uitgebreidere beschrijving van een gebeurtenis die begon als: ‘Ik herinner me een kus, achter een stapel straatstenen.’ Het blijft onduidelijk of degene die je aanspreekt mannelijk of vrouwelijk is. Dat schept spanning. Het lijkt je verhouding tot het beschrevene te bepalen. Je moet weten wie je tegenover je hebt; seksuele onzekerheid is nogal fundamenteel. De hele bundel lijkt een ‘lof der onzekerheid’. Een onbepaaldheid die je tijdens het lezen tot een grote concentratie dwingt. Of je wilt of niet; deze poëzie dwingt je tot een innerlijke ordening, keer op keer duwt ze je met de neus op je behoefte aan zekerheid, dus op je eigen onzekerheid. Doordat ze geen antwoorden geeft, klinkt ze lang na.

‘Puzzelpoëzie’ noemde ik het, ja, maar van een soort die iets wezenlijks raakt.
De poëzie wordt nergens zwaar, maar er wordt niets ontweken.
Niet alleen de tanden die aan scherven gaan, niet alleen het elkaar verkrachten, maar ook een regel als: ‘Ik herinner me dat ik vroeg waarom ze me vastgebonden hadden.’ (uit: ‘Wat er aan de hand was’) roept allerlei associaties op. Een regel die direct gevolgd wordt door: ‘Ik herinner me de hooggespannen verwachtingen van het eerste leerjaar.’ Zo gaat het maar door.
Delen van wereldjes die je kent, andere die je vreemd blijven. Net als in het echte leven bestaan ze naast elkaar. Nu herinner je je dat even.

Jeroen van Rooij strooide tussen de losse gedichten een reeks over Amerikaanse standbeelden in verschillende stadjes. Ze raken beschadigd, worden verplaatst, een bronzen beeld wordt vervangen door een zinken; van slechts één gedicht wordt vermeld dat ter ere was van Koningin Victoria’s gouden jubileum in 1897 was opgericht. Herinneringsbeelden. Waar raakt het aan? Hoe je elkaar vindt in onwetendheid:

Niemand had enig idee wat er aan de hand was, en niemand deed iets.

(uit: ‘Als ze dit doen, bewegen ze’)

***
Jeroen van Rooij (1979) is coördinator van recensieplatform De Reactor. Hij debuteerde als romanschrijver met De eerste hond in de ruimte (2010). In 2012 verscheen Het licht, dat op de longlist van de Gouden Boekenuil stond. Verder publiceerde hij verhalen, gedichten, essays en kritieken in onder meer DW B, nY, en Parmentier. Hij woont en werkt in Amsterdam.

Geplaatst in Recensies.