Gedichten als tekstberichten

De Argentijnse dichter Martín Gambarotta (Buenos Aires, 1968) is één van de gasten op het komende Poetry International. Sander de Vaan had een mailgesprek met de man die niet vies is van wat meer ‘wildheid’ in de poëzie.
 
Martin GambarottaWat betekent poëzie voor u?
Soms zie ik poëzie als de meest vrije uitingsvorm voor de mens. Maar op dagen dat ik mij radicaler voel, kan ik niet uit de voeten met de woorden ‘poëzie’ en ‘gedicht’ om te beschrijven wat ik schrijf, of wat andere, door mij bewonderde dichters schrijven. En je hebt natuurlijk Marianne Moore’s beroemde zin over poëzie: “Mij bevalt die term evenmin.”
 
Wat lijkt u op zo’n ‘radicale dag’ dan wél een goede beschrijving?
Dat is een moeilijke vraag. We zouden de woorden ‘poëzie’ en ‘gedicht’ in elk geval wat rust moeten gunnen. Misschien denk ik op een radicale dag wel meer aan ‘teksten’. Toen de mobiele telefoon populair werd, had men het een tijd over ‘tekstberichten’. Wat maar wil zeggen dat het woord ‘tekst’ behoorlijk goed overeind blijft. Wie weet denk ik in dit verband wel aan ‘tekstberichten’. Overigens wordt niet iedere nieuwe poëtische tekst ook meteen als zodanig geïdentificeerd. In het verleden zagen we al dat bepaalde – nu ‘klassieke’ – teksten in eerste instantie ontvangen werden met de vraag: ‘Is dít nou poëzie?’.
 
Wat maakt een gedicht voor u geslaagd, of zelfs buitengewoon goed?
De meest verrassende gedichten zijn díe teksten die zonder enige moeite geschreven lijken te zijn. Alsof ze gedicteerd werden aan de dichter. Met andere woorden: volledig ongekunstelde teksten (ook wanneer ze eigenlijk heel kunstmatig zijn). Wat mijn eigen werk betreft, is het van belang dat ze in niets lijken op gedichten van dichters die ik bewonder.
 
Kunt u hier enkele verzen van u citeren die ogenschijnlijk zonder moeite geschreven zijn?
Ik denk het niet.
 
Welke auteurs bewondert u zoal?
Met name de Amerikaanse modernisten. Ze hadden een soort scheppingsdrang en zelfs iets wilds over zich. Maar er zijn ook Argentijnen die ik bewonder. De Argentijnse literatuur is zoveel meer dan Jorge Luis Borges (men pleegt literaturen nogal eens te simplificeren). In mijn jeugd liet ik mij inspireren door Argentijnen die óók een scheppingsdrang, iets wilds hadden. Neem de dichteres Juana Bignozzi, die een oeuvre met heel directe, eerlijke verzen heeft gecreëerd over het proletarische leven in het Buenos Aires van de vorige eeuw. En verder bewonder ik het werk van de onlangs overleden Leónidas Lamborghini. Hij leek het idee van het gedicht almaar in een crisis te storten. Lamborghini zei ooit iets grappigs en kenmerkends over zichzelf: ‘Het is zo lastig om bij niemand in de smaak te vallen.’
 
Kunt u ons een voorbeeld geven van verzen van Lamborghini en Bignozzi die u bijzonder raken?
Jazeker. Het liefst zou ik hier hele boeken citeren. Bignozzi heeft net een nieuwe bundel gepubliceerd (De dichters bezoeken Andrea del Sarto). Ik citeer enkele verzen: ‘De winter wist kleuren / verdiept de geest der tinten / vlammend rood verandert / in droog, eeuwig bloed.’
Van Lamborghini citeer ik het begin van zijn lange gedicht ‘De Misplaatste Aanvrager’: ‘Ik blijf een moment staan / om antecedenten te checken / ik probeer bijzonder belangrijke / staatszaken op te lossen; / poëtische ader fluister mij contract in / aanpak, combinatie / en voltooiing.
 
Fraaie verzen, vooral die van Bignozzi. Hoe ziet het poëtische spectrum er momenteel uit in Argentinië?
Heel goed. Af ten toe wordt er heftig gedebatteerd, vooral door een groep critici die begonnen is met het bestuderen van de ‘poëzie van de jaren negentig’, waartoe ik blijkbaar behoor.
 
U hebt hier meerdere malen het woord ‘wild’ in de mond genomen. Waarom hecht u daar zo aan?
Klopt. Maar misschien is het niet de meest geschikte term. Ik doel meer op een soort ‘speciale energie’. Neem het bekende gedicht van Walt Whitman: ‘I Sing The Body Electric’. Ik meen dat Ezra Pound zeer gesteld was op deze tekst (en Pound was in het algemeen geen groot bewonderaar van Whitman’s werk). In zekere zin is ieder gedicht dat iets teweegbrengt een ‘elektrisch lichaam’. Ik doelde meer op die originele energie, die niet altijd te controleren is. Dat bevalt me wel.
 
Kan dat ‘wilde’ met poëzie getemd worden. Of wilt u juist het tegenovergestelde: de poëzie laten verwilderen?
Ik denk dat niemand op getemde poëzie uit is. Maar volgens mij is die energie wél te controleren. Daar gaat het eigenlijk om: die energie in een tekst gieten. Zolang het in een tekst vervat is, wordt het nooit echt wilde energie. Maar ‘controle’ moet ook weer niet als ‘temmen’ gezien worden.
 
Als we een gedicht als een elektrisch lichaam kunnen zien, is een gedicht van u, eenmaal gepubliceerd, dan ook een ‘voltooid’ lichaam, of maakt u gebruik van de nieuwe technologieën om ze indien nodig nog te wijzigen, ook na publicatie?
Ik zie een gedicht niet als een voltooid lichaam, maar eerder als iets opens. Enkele jaren geleden vroeg een Chileense uitgever mij om een persoonlijke bloemlezing samen te stellen. Ik maakte van de gelegenheid gebruik om met name de teksten uit mijn bundels Seudo en Relapso te herzien, en er nieuwe dingen aan toe te voegen. In de sociale media worden teksten om de haverklap herschreven. Daar maak ik graag gebruik van.
 
U noemde eerder Borges, wellicht de beroemdste Nobelprijs-verlíezer. Hoe ziet u zijn literaire erfenis voor de nieuwe schrijversgeneratie in Argentinië?
Borges is een product van de Argentijnse literatuur en niet andersom. Zo zie ik dat en ik geloof dat de nieuwe generaties ook zo naar hem kijken. En juist omdat zij hem zo zien, is Borges springlevend in Argentinië, op soms verrassende wijze. Neem De aangedikte Aleph van de schrijver Pablo Katchadjian, die de beroemde tekst van Borges voor zijn eigen doeleinden gebruikt. Tot ongenoegen van Borges’ weduwe, María Kodama, die de rechten van haar man beheert. Ze moest niets hebben van het experiment van deze jonge Argentijnse schrijver en spande een proces tegen hem aan. Zo gaat het in de literatuur van Borges en in wezen ook in de Argentijnse literatuur…
 
Tot slot, met welke verzen zou u zich aan de Nederlandse lezer willen voorstellen?
 
De bliksem sterft vóór verschijning
is wat hij niet is.
Draait het ontstaansproces om.
 
De donder, zogezegd
spreekt voor zich.
De bliksem spreekt niet.
Hij schrijft.
 
*
 
POEMAS COMO MENSAJES DE TEXTO
 
El poeta argentino Martín Gambarotta (Buenos Aires, 1968) es uno de los invitados al próximo Festival Poetry International en la ciudad holandesa Rotterdam. Sander de Vaan h@bló con este autor que no tiene nada en contra de una poesía algo más ‘salvaje’.
 
¿Qué significa para usted la poesía?
A veces pienso en la poesía como el lugar de expresión más libre para el ser humano. Pero los días que me siento más radical, las palabras ‘poesía’ y ‘poema’ no me satisfacen para describir lo que escribo, o lo que hacen los contemporáneos que me interesan. Y está esa famosa sentencia de Marianne Moore acerca de la poesía: "A mí tampoco me gusta".
  
Entonces, en alguno de esos días ‘radicales’, ¿qué descripción le parece más acertada para lo que escribe?
Es una pregunta difícil. Creo que lo que está bueno en todo caso es hacer el ejercicio de darle descanso a la palabra ´poesía´y a la palabra ´poema.´ Tal vez en esos días radicales los pienso como ´textos.´ En la telefonía celular en un momento estuvieron en boga los ´mensajes de texto.´ Es decir, la palabra ´texto’ persiste bastante bien. Tal vez los pienso como ‘mensajes de texto.’ También creo que cuando aparece algo nuevo en poesía no es necesariamente identificable como tal inmediatamente. De hecho, con muchos textos que después se volvieron canónicos la primera pregunta que surgía era, ¿es esto poesía?
 
¿Qué tiene que contener un poema para que usted lo considere como un poema muy logrado, o incluso excepcional?
En general los poemas más sorprendentes son los que parecen escritos sin hacer ningún esfuerzo, como si le hubieran sido dictados al autor. Es decir, donde menos se nota el artificio (incluso en trabajos que pueden ser muy artificiosos). Ahora, si se refiere a mi trabajo, creo que lo importante es que no se parezcan a los poemas de otros autores a los que admiro.
 
¿Puede citar aquí algunos versos suyos que parecen haber sido escritos sin ningún esfuerzo?
Creo que no puedo.
 
¿A qué autor(es) admira sobre todo?
Admiro mucho a los modernistas estadounidenses. Había en ellos un ímpetu fundacional, algo hasta salvaje. Pero también quiero hacer referencia a los autores argentinos que admiro. Es decir, la literatura argentina es mucho más que únicamente Borges (entendiblemente todas las literaturas tienden a simplificarse). De jóvenes, también nos formamos leyendo a poetas argentinos que tenían un ímpetu fundacional, algo salvaje. Tenemos a la gran poeta Juana Bignozzi, que vive, y que tiene una obra de versos tremendamente directos y honestos sobre la historia y vida proletaria en Buenos Aires del siglo pasado. Y también admiro mucho el trabajo de Leónidas Lamborghini, que murió hace relativamente poco, que todo el tiempo parecía poner en crisis la idea de poema. Lamborghini decía algo gracioso que lo explicaba: es tan difícil no gustarle a nadie.
 
Puede darnos un ejemplo de algunos versos de Lamborghini o de Bignozzi que le han impactado (o que le gustan en especial)?
Sí, claro. En realidad son libros enteros. Bignozzi acaba de sacar un libro nuevo (Las poetas visitan a Andrea del Sarto). De ahí cito estos versos suyos: ‘el invierno borra los colores/profundiza el alma de los tonos/el fúlgido rojo se transforma/en sangre seca y eterna.’ De Lamborghini está el comienzo de su largo poema El Solicitante Descolocado: Me detengo un momento / por averiguación de antecedentes / trato de solucionar importantísimos / problemas de estado; / vena mía poética susúrrame contracto / planteo, combinación / y remate. 
 
Hermosos versos, sobre todo los de Bignozzi. Como ve en general el panorama poético de las nuevas generaciones en Argentina? 
Muy bien. Por momentos los debates son muy intensos, sobre todo desde que un grupo de críticos empezó a estudiar lo que ahora se llamar ‘poesía de la década del noventa,’ a la que al parecer pertenezco. 
 
Ha mencionado varias veces la palabra ‘salvaje’, por qué le gusta ese aspecto en particular?
Es cierto que usé la palabra salvaje. Pero tal vez no sea el término más indicado. Creo que me refiero a que tienen una energía especial. Está ese conocido poema de Whitman, ‘Yo canto al cuerpo eléctrico, que creo que le gustaba a Pound (que no admiraba mucho el trabajo de Whitman en su conjunto). Y en algún sentido todo poema que surte efecto es un cuerpo eléctrico. Me refería a ese tipo de energía original, que no está del todo controlada por momentos, eso me gusta.
 
Se puede ‘domesticar’ lo ‘salvaje’ de alguna forma con la poesía? O busca usted justo lo opuesto: ‘hacer más salvaje’ a la poesía?
Creo que nadie apunta a una poesía domesticada. Pero sí creo que se puede controlar esa energía. De hecho, ese es un poco el asunto: transmitir esa energía en un texto. Nunca, entonces, es energía enteramente salvaje si está en el marco de un texto. Pero controlar no tendría que ser entendido como domesticar, no.
 
Si un poema puede considerarse como un cuerpo eléctrico, para usted, una vez escrito, un poema es un cuerpo ‘hecho’, cerrado o, se aprovecha de las nuevas tecnologías (no impresas), y suele modificarlo después de haberlo publicado?
No lo considero un circuito cerrado, más bien un circuito abierto. Hace unos años una editorial de Chile me pidió que edite una antología personal, y opté más bien por reversionar los textos que conforman mis libros Seudo y Relapso con el agregado de algunas cosas nuevas. Y en las redes sociales todo se está reescribiendo todo el tiempo. Me gustan, en todo caso, las posibilidades de reescritura que se abren con las nuevas tecnologías, sí. 
 
Antes mencionó a Borges, tal vez el más famoso no-ganador del Premio Nobel. Como ve usted a su legado literario para las nuevas generaciones en Argentina?
Bueno, Borges es un producto de la literatura argentina, y no la literatura argentina un producto de Borges. Así lo veo, y así creo que lo toman las nuevas generaciones. Y porque lo toman así, Borges está muy vivo en Argentina, de maneras sorprendentes. Un caso notable es el libro ‘El Aleph engordado’ del prosista Pablo Katchadjian donde interviene el famoso texto de Borges. Resulta que a María Kodama, la viuda de Borges y dueña de sus derechos, no le gustó nada el experimento de este joven escritor argentino y lo demandó judicialmente. Así es un poco la literatura de Borges, y en realidad toda la literatura argentina.
 
 
Para terminar, con qué versos le gustaría presentarse al público holandés?
 
El relámpago muere antes de aparecer
es lo que no es.
Invierte los procedimientos de la creación.
 
El trueno, por decirlo así
habla por sí mismo.
El relámpago no habla.
Escribe.
 
Geplaatst in Interviews en getagd met .