K. Schippers – Fijn dat u luistert

Het onverbondene van de dingen

door Hans Puper

Bij Schippers heeft de werkelijkheid niets vanzelfsprekends – al vanaf 1958 niet, het jaar waarin Barbarber verscheen.  Zijn werk vormt een nooit eindigend onderzoek van het schijnbaar gewone en dat blijft boeien. Er is geen samenhang in de dingen, zegt hij. Die brengen we zelf aan:

Het onverbondene van de dingen
blad valt naast bank
naast tuinslang
alleen door ons kijken
samenhang

(‘Tussen hen in’)

Voor iemand die zich hiervan bewust is, is niets gewoon. Net als kinderen hebben zij een onbevangen observatievermogen. Het gedicht ‘Stekeltjes’ begint met de regels ‘Flip noemde een / zwerm stekeltjes / een schoolreisje’ – voor Schippers is deze uitspraak bijzonder genoeg om te verwerken in een gedicht.
Het aardige is, dat hij in dit fragment iets onverwachts toevoegt: aandacht voor het woord zwerm in dit geval. Een zwerm bijen, een zwerm spreeuwen, maar een zwerm vissen? Dat zeggen we niet. Vreemd eigenlijk. Schippers constateert het terloops, om een verklaring gaat het niet.

De fragmenten staan in zijn nieuwe bundel Fijn dat u luistert.  Al voor je start met lezen, roept die vragen op. De titel is eigenaardig: ‘Fijn dat u leest’ ligt meer voor de hand. En de afbeelding op de voor- en achterkant lijkt op gebruikt pakpapier: gekreukeld en met een scherpe vouw in het midden. Pakpapier kom je tegen in het gedicht ‘Jeuk’. De dichter merkt daarin op, dat er stof, korrels en andere dingen op lineoleum vallen,  zonder dat het je fantasie prikkelt: ‘Eenmaal gevallen en je ziet het / al niet meer.’ Dat in tegenstelling tot verfrommeld pakpapier dat ‘nog wel eens / op iets begint te lijken ( … )  – moet ’t nou in de / prullenbak of niet?’ In dit geval zou het papier kunnen lijken op ‘De lijnen op een wit tafelkleed’ uit het eerste gedicht ‘Het overhevelen van gewicht’. Hij lijkt het fictieve papier in ieder geval niet te hebben weggegooid: zie de omslag. Of schep ik nu een samenhang die er niet is?

‘Fijn dat u luistert’ blijkt ook de titel te zijn van een gedicht. Ik citeer het in zijn geheel, omdat het exemplarisch is voor zijn werkwijze. Hij schrijft op een humoristische, speelse, maar scherpzinnige wijze over de verhouding tussen poëzie en werkelijkheid, een onderwerp dat bij anderen nogal eens heeft geleid tot loodzware en onleesbare beschouwingen.

Fijn dat u luistert

Op de hotelkamer zegt ze ‘… nog even
bezig, ga jij maar vast.’ Zit je
alleen aan het ontbijt. Hé,

pssst, kom anders ook in dit gedicht
ontbijten. Niemand kijkt erin, zo
vroeg in de morgen, alleen

jij, als je dit leest tenminste. Haal
ik scrambled eggs en sinaasappelsap.
Wie hier verder nog zit?

Aan een tafeltje rechts gebaart een
Deense zonder dat je weet wat ze
zegt. Je wilt niet opvallen?

Denk aan Edgar Fernhout, hij schildert
een landschap zonder dat hij er zelf in
voorkomt. Zo is het hier

ook. Ik ontbreek, net als jij. Niemand
ziet waar we zijn. ’t Wordt nooit
opgehelderd, we weten ’t zelf

niet. ‘Fijn dat u luistert!’ zegt de
omroepster. Je hoort het niet, ik ook
niet. De radio staat niet aan.

De uitnodiging om in het gedicht te komen kijken heeft iets grappig samenzweerderigs. De ik lijkt de vroege lezer over te halen tot overspel door de grenzen van het gedicht te overschrijden. Gevaar voor ontdekking is er niet: ‘Niemand kijkt erin, zo / vroeg in de morgen, alleen //  jij, als je dit leest tenminste.’ Dat laatste lijkt absurd: je kunt daar alleen kennis van nemen als je het leest. Datzelfde geldt voor de uitspraak van de omroepster in de laatste strofe: ‘Fijn dat u luistert!’, maar de ik en jij horen het niet, want het toestel staat uit. In een gedicht kan dit: we zien het al lezend gebeuren. Er ligt ook een vraag onder: de omroepster kan dat zinnetje in haar studio wel uitspreken, maar als alle toestellen uit staan, kun je dan spreken van een programma? En, naar analogie daarvan, bestaat het gedicht als niemand het leest?
‘Ik ontbreek, net als jij’. De radio staat niet aan: de verbinding van het gedicht met de werkelijkheid ontbreekt. Er is alleen de werkelijkheid van het gedicht. De reële dichter en lezer zijn afwezig.
Mooi is de ironische vergelijking met de landschappen van Edgar Fernhout. Hij ontbreekt daarin weliswaar, maar hij heeft zo’n herkenbare stijl, dat anonimiteit onmogelijk is. Datzelfde geldt voor dit gedicht: het is van Schippers, daarover is geen twijfel mogelijk. Maar wie is nu die jij? Of die u van de omroepster? Een luisteraar die zij zich voorstelt, een fictief hulpmiddel in de werkelijkheid van het programma? Een roep in de leegte?

Verwant met het voorgaande is de verhouding tussen taal en werkelijkheid. Ook van dit onderwerp blaast Schippers alle stof. Zo merkt hij op dat een taal die je vreemd is, tussen jou en de werkelijkheid komt te staan. Hij verwoordt dat als volgt:

Wie geen Catalaans spreekt, denkt ook
dat de andere dingen hier niet kloppen.
Planken vol kaas. Een geparkeerde autobus.

(‘Verborgen in het Catalaans’)

Als je een taal wel kent, verandert de omgeving op een andere manier. In het eerder aangehaalde gedicht ‘Stekeltjes’ beschrijft de dichter hoe hij de uitspraak over de visjes vertaalt in het Engels. ‘Doe je hand ‘ns in / het water, voel je het, // dat wordt ook al Engels’. Het woord verandert van klank en het water voegt zich naar de taalomgeving. Een Nederlandse en een gelijkvormige Engelse omgeving verschillen door de taal.
Een andere eigenaardigheid: taal is soms niet het geëigende middel om iets uit te drukken, maar je kunt niet zonder. Als de ‘ik’ op zichzelf toe lijkt te zweven in de spiegel schrijft hij:

Het woord is hier niet
het hoofduitdrukkingsmiddel.

Een van de vele, denk aan

kleur,
beweging,
licht.

Je hebt ’t wel weer nodig
om dit te kunnen zeggen.

(‘Het gezegde’)

En: hoe vaak moet je afzonderlijke, maar gelijksoortige dingen hebben gezien voor het een soortnaam wordt? Een fragment uit ‘Beginselen’.

hoeveel moest ik zien voor
de ene kast de andere
in zich opnam?

Na hoe vaak wordt veel weinig?

Tot slot: Schippers sluit niets of niemand uit als onderwerp. Ook critici die de plank misslaan, hebben zijn warme belangstelling. Er valt nog veel van hem te leren.

Verse or worse?

Als uw poëziecriticus John Bayley
schrijft over jonge personen die opkomen
en schitteren als meteoren

in de academische wereld, is hij zelf
aan het imploderen en wordt een
gapend zwart gat. Ingezonden

brief van mrs. Val Hennessey, Lyme Regis.
Wat bedoelt Bayley als hij dichters
prijst die weigeren poëzie

te laten klinken als zichzelf? Hoe moet
poëzie dan klinken? Luid geknal? Heavy
metal rock? Druppelende kranen?

***
K. Schippers (Gerard Stigter, Amsterdam, 1936) heeft een omvangrijk oeuvre op zijn naam staan, dat bestaat uit romans, poëzie, essays, verhalen & beschouwingen, en een enkel kinderboek. Met J. Bernlef en G. Brands richtte hij in 1958 het literaire tijdschrift Barbarber op. In 1975 was hij een van de oprichters van het cultureel tijdschrift Hollands Diep.
Voor zijn poëzie ontving hij in 1996 de P.C. Hooftprijs. Een jaar later kreeg hij de Pierre Bayle-Prijs voor zijn kunstkritieken. Zijn roman Poeder en wind (1996) werd genomineerd voor de Generale Bank Literatuurprijs; de roman Waar was je nou (2005) werd bekroond met de Libris Literatuur Prijs.

Geplaatst in Recensies.