Stijn Vranken – Maak plaats van mij

Een plek die je mist

door Levity Peters

Ik had drie gedichten van Stijn Vranken gelezen, en drie keer was ik in de lach geschoten. Een zacht soort humor. Wonderlijk.
Dat moet ik uitleggen.
Bij de titel van de bundel weet je al dat je met een serieuze dichter van doen hebt: Maak plaats van mij. Niet: ‘Maak plaats voor mij’. Hier is een man die ruimte maakt voor de ander, zich beschikbaar stelt voor de ander, zich wegcijfert, niet omdat hij nietswaardig zou zijn, maar juist omdat de ander zich bij hem thuis kan voelen, zijn eigen plek kan vinden. De gedichten die ik gelezen had bevestigden deze optie.

Als er iets opvalt aan de poëzie van Stijn Vranken, dan is het hoe hij thuis is in zichzelf. Hij hanteert de taal met verbluffend gemak en trefzekerheid. Zijn taal is helder, maar nooit simpel. Hoewel je je gemakkelijk in zijn poëzie kunt vinden, schrijft hij een volstrekt eigen wereld, waarin je een prachtige samenhang kunt ontdekken. Om je werkelijk over te verbazen: zo weinig woorden, en zoveel te zeggen:

Dier in twee delen

Hoog boven onze hoofden hangt
ons lichaam, dit onomwonden wij,
beurtelings boven elkaar uitgetild
tot geen mens in ons nog achterblijft.

Zo doen wij dat.

Zo smeden wij ons, een dier in twee
delen, een schokkend wezen, iets
zo volmaakt dat niet één god het ooit
als van zijn hand zou erkennen.

Zo doen we dat: schrijven over het dier met de twee ruggen. En dan ook nog eens beweren dat de mens niet verder hoeft te evolueren dan dit. Dit is het doel: samensmelten tot er geen mens meer in ons achterblijft. Negen regeltjes en een titel.

Hij heeft het vaker over de liefde, het bedrijven van de liefde, het liefde maken
dat niet alleen in het Engels kan:

Koortsdans

het hoofd in een flits ontstoken,
het lichaam langzaam neerwaarts in brand,
zo gaan wij het liefst door de knieën: als lucifers
buigend in de gloed van koortsachtig vuur – mijn god
hoe gruwelijk geloof ik in de glorie van dit vege
vermaak, dit ijdele feest, deze danse macabre
op het kreupele ritme van telkens opnieuw
nog één laatste adem.

De beeldspraak tot aan het eind toe volgehouden, de woordkeus zo voorbeeldig dat het gedicht een prachtig ritme heeft. Een ritme dat de onderliggende emotie oproept, waardoor het, in ieder geval mij, ontroert.
Hij beschrijft het overslaan van de vonk als iets dat met je gebeurt. De eerste zin ontbeert niet voor niets een hoofdletter. Het overkomt je. Misschien was je met iets anders bezig. Opnieuw beschrijft hij de ontlediging: een dodendans. Branden, intens levend zijn, maar ook opbranden; de intensiteit van dat leven weer verliezen, koud worden.

In sommige gedichten is het de tederheid die overheerst:

Small bang

De nacht sluit zich als een stolp over ons heen,
driehonderdzestig graden stilte, een gewelf
van ongehoorde tijd waarin wij op elkaar het

ademen oefenen, het sprakeloos verdampen uit
onze lichamen tot iets waar we zelfs op de rand
van elkaars lippen geen verklaring voor vinden.

Opnieuw die ontlediging; het, dankzij de ander, verdampen uit je lichaam, tot iets – Maak plaats van mij: Een plaats voor de ander. Een small bang; niet de grote waarmee het heelal ontstond, maar een kleintje waarin wij ontstaan, worden wie we zijn, al hebben we geen idee wie of wat.

Stijn Vranken heeft heel veel manieren om het onnoembare te benaderen. Telkens krijg je de suggestie het te zien, het te begrijpen. Telkens het gevoel van: Ja! Dat is het. Zo voel ik het ook. Dit is poëzie die je leert thuis te komen in de wereld. Dit is geen poëzie die mysterieus is, wat in de meeste gevallen niet meer is dan een trucje, maar poëzie die het mysterieuze van het leven in herinnering brengt:

Vruchtbare verwarring

Blind als nooit tevoren staan we steeds verder
weg van onszelf te kijken naar hoe bovenaards
langzaam nieuw licht nieuw leven verkent.

Er is geen begin bekend, geen eind in zicht,
maar soms, bij voldoende vruchtbare verwarring,
valt alles daartussen voor altijd samen.

Wij hebben onszelf alvast tijdig verlaten.

Weg van onszelf. De lichtheid, de speelsheid waarmee dit gedicht geschreven is maakt het filosofische, het abstracte verteerbaar. En omdat hij het opnieuw heeft over de verdwijntruc, verbind je het automatisch met wat hij in de meer beeldende gedichten zichtbaar maakte.
In de beste gedichten vallen ze samen, de beelden en de gedachten:

Lot

Zoals ik mijn eigen meester ben, ben ik
gelijk ook mijn eigen slaaf, zo is het lot

een dun vel waarin wij ons wikkelen
tegen het draaien der dagen in
tot het kreukt.

Kon het maar verloren, een keer domweg
kwijtgespeeld, achtergelaten, ergens

neergelegd, volmaakt vergeten desnoods
tussen steeds dezelfde bladzijden van
een handboek over onmacht.

Ik schreef dat Vranken je leert thuis te komen in de wereld. Maar antwoorden geeft hij je niet. Hij erkent onze lotsverbondenheid: wij zullen nooit verloren raken tussen de bladzijden van het handboek over onmacht. Niemand die het boek bij ons open slaat, en leest wat hem te doen staat. En die ons zal zien.

Over dat laatste heeft de dichter het in het titelgedicht:

Maak plaats van mij

Mocht ik ooit gaan om brood in de nacht,
weet dan genoeg. Draai je om, adem diep in

en probeer mij niet te herinneren, of toch
niet zoals ik was, want zo zal ik – ik zeg het je
nu al – nooit geweest zijn.

Zoek me niet in zakken of dozen of zinnen als
deze, luister niet naar de lucht die nog natrilt
van wat jij ooit uit mijn mond wilde horen.

Geloof waarover wordt gezwegen.

Mocht ik ooit gaan om brood in de nacht,
weet dan genoeg. Draai je om en adem mij
uit,

maak plaats van mij.

Om brood gaan in de nacht. Voedsel zoeken, hongerig zijn. ‘Weet dan genoeg’ schrijft de dichter. Jij bent dan geen voeding meer voor mij. Ik ga ernaar op zoek.
Tot slot volgt de meest sombere manier waarop je het ‘Maak plaats van mij’
kunt interpreteren: ik zal een leemte in je leven zijn. Ik ben niet degene die je dacht en die je hoopte dat ik was. Probeer er niet achter te komen wie ik dan wel was, in mijn poëzie vind je mij niet.

Toch denk ik dat Stijn Vranken juist goed zichtbaar is in zijn poëzie. Ik geloof waarover werd gezwegen. Of liever, waar hij naar verwijst. Een nooit eindigend mysterie dat de stem kreeg van een zeldzaam complete woordkunstenaar.

***
Stijn Vranken (1974) schreef eerder de dichtbundels Vlees mij! (2008) en Wees gerust maar niet hier (2011). Sinds januari van dit jaar is hij de zevende stadsdichter van Antwerpen.

Geplaatst in Recensies.