Sybren Polet – Het aaahh & ooohh van de verbonaut

Hij die talen gaat, groet u!

door Joop Leibbrand

Een voorplat met een illustratie uit de Epistolae van Descartes, een motto van Hadewijch (Alle dinge sijn mi te inge. Ic ben so wijt) en de opdracht ‘Voor Washoe, Kanzi, Koko & Congo’, drie ‘talige’ apen en een schilderende aap – welkom in Het aaahh & ooohh van de verbonaut, de nieuwe bundel van de onverslijtbare Sybren Polet. Als iemand bewijst hoe je geestelijk fit kunt blijven door het aangaan van intellectuele uitdagingen, is hij het wel. Nu maar hopen dat dit ook voor zijn lezers geldt.

Het aaahh & ooohh van de verbonaut is een forse bundel. Hij telt 65 gedichten, verdeeld over dertien afdelingen van drie tot acht gedichten groot; zes afdelingen zijn titelloos, vijf afdelingen heten ‘Taalschappen’, twee ‘Kenningen’. De bundel wordt besloten met zes bladzijden aantekeningen, notities op het gebied van muziek, wetenschap, filosofie, literatuur en kunst, waarbij het steeds kennis betreft die het begrip ‘algemene ontwikkeling’ ver te boven gaat.

En om de beschrijving compleet te maken: er is ook nog de ondertitel ‘Achtergelaten gedichten’. Niet ‘nagelaten’, want de inmiddels negentigjarige Polet is nog altijd onder ons. En hoe. Maar dat hij een eind op weg is naar een ‘elders’ waar de gedichten voor hem niet meer nodig zijn, is ook zeker.
Op diverse plaatsen in de bundel stelt hij zich dat einde voor. In ‘In intervallen’ speculeert hij dan misschien ‘net als de kwantummens’ op meerdere plaatsen tegelijk te zijn ‘en/ – misschien zonder jezelf – overal.’ Of wellicht te ‘Existeren in een andere tijdmodule’. ‘Ook over wat men niet weet hoeft men niet te zwijgen,’ schrijft hij in hetzelfde gedicht. Dat is ook wel het laatste wat bij Polet past.
Hiermee opent de bundel:

 

DE NEURONAUT ALS VERBONAUT

Vederlicht geluid,
ternauwernood opgevangen
door een van mijn vele oren.
Ongewisse ruimtemuziek.

Of alleen neutraal neuronale,
die alleen maar doet dénken
aan verstilde wereldmuziek?

* *

Als in een reusachtig hoofd
vol vacuümfluctuaties,
En gissen. Mensen met xna,
die
alleen maar aan ándere mensen doen denken.

Ruimtes die aan andere ruimtes doen denken.

* *

En oh, daar gaat hij,
de neuronaut als verbonaut.

*

Voor u allen een aai en een armzwaai.

* *

Hij die talen gaat, groet u!

 

Polet verwijst in een van de aantekeningen naar een uitspraak van John Keats: ‘Het viel me op welke kwaliteit een man van verdienste nodig heeft, vooral in de literatuur […]. Ik bedoel een negatief vermogen, dat wil zeggen te kunnen verkeren in onzekerheden, mysteries, zonder het irritante najagen van feit en rede…’ Het moet Polet op het lijf geschreven zijn, al mag niet geconcludeerd worden dat rationalisme hem vreemd is. Integendeel. Maar de grensverleggende kennis die Polet in zijn teksten verwerkt, heeft niets Dorknoper- of Droogstoppelachtigs. Graag laat hij zijn tong ‘eulaliën’, lofliederen aanheffen in een taalspel dat voor hem ‘breinmuziek’ is:

 

BREINMUZIEK

1
Een negatief vermogen tot creatieve onorde.
Indirecties,
die/

De noodzaak van het overbodige
dat zich omzet in /

Ritmisch kloppen met het percuteerhamertje,
opdat /

Taalspel als breinmuziek.

En dan liefst muziek met de goede-foute tonen.

*

Taalruimtemuziek.

In ‘Tijdwoekeringen als taalkoraal’ gaat het zelfs om ‘breinerotiek’. Vandaar dat hij in ‘Louter uitgangspunten’ poëzie kan formuleren als ‘betekenissen uitlokken.// Boemerangtaal in eigen neandertaal:/ werper getroffen door eigen woorden.’ Poëzie wordt zo haast een vorm van bijna dodelijke taalbevrediging, maar het gaat hem daarbij om ‘andere woorden/ voor andere werkelijkheden’ zoals in ‘Het denken van de bedenker’ staat. Hij zoekt daartoe ‘zelfwerkwoorden’ en die doen dan misschien wel denken aan andere woorden, maar bieden tenminste de illusie het zélf te kunnen doen.
Tegen wie hem niet wil of kan volgen zegt Polet in de laatste regels van dit gedicht uitdagend: ‘En u, u trekt zich terug in uw eigen verbotoop?/ Akkoord. Maar wil uw dubbele-spleetmond/ zich dan wel voorgoed even vergeten…’

Een van Polets fascinaties in deze bundel is het van begin tot eind verkennen van de kosmische tijd: ‘Tien miljard jaar samengebald/ in één dag, één uur, één seconde,/ en weg, weg /’. (‘Tijdverteren 1’) In ‘Temporeel 1’ schrijft hij: ‘Hoe lang duurt tijd?/ Niemand die het weet.// Tijd als allerijlste materie,/ een bijna snuifbare, inadembare.// Om alles hangt een sfeer van tijd.’ Daarbinnen is ‘Procreaties’ enige zin: / het voortplanten van (on)mogelijkheden. (‘Tijdverteren 4’)
‘Gatenwereld’ geeft vervolgens precies weer hoe Polet de wereld benadert: ‘Door een sleutelgat in de lucht/ de wereld begluren/ en die beschouwen als nevenwereld/ met een onderbewustzijn van eeuwen.’

Een ander thema is hoe Polet de evolutie voortdenkt. Hij spreekt bijvoorbeeld over ‘De nabije dreiging van een (bio)homoïde,/ opgebouwd/ uit myriaden zelfreproducerende nanorobots.’ (‘Nulpuntpoëzie 2’) En over hoe ‘Tot na een stilte van 4’33”/ het hele breindomein uiteindelijk oplost/ in polytonale biomuziek.’ (uit: ‘Je eigen vortex en solar plexus buiten je verplaatsen’, met de aantekening: 4’33” – Stiltecomponietsie van John Cage). Zo is Het aaahh & ooohh van de verbonaut zeker ook te lezen als een afscheidsbundel. Blijkens ‘Terugtocht’ gaat het daarbij zeker niet alleen om een persoonlijk afscheid. Polet laat indringend zien hoe betrokken hij nog altijd is op mens en wereld.

 

TERUGTOCHT

1
Al levend verwarmen we de aarde
met onze lichaamstemperatuur
en ervaren dit
als een welhaast minerale roes.

*

Ieder mens is radioactief, ieder dier,
alle groente en gras.
Dood nog
reactiveren we de aarde
tot een stralende dode zon.

*

Schuld-door-dood.
Planetair sterven.

Het enig ontschuldigende
dat men van de antroop kan zeggen:
hij heeft zich niet gestorven.
Anderen hebben het voor hem gedaan.

2
Zegt: de hoogste kunst is
de kunst van het verdwijnen.
Dit, terwijl iedereen – behalve jij –
onnodig ouder wordt.

De ultieme kunst is dus
hoe zich (niet) te verdwijnen:
vorm van omgekeerde euthanasie.

En zo, laat op de avond
wordt hij toch weer zijn eigen vader.

Ontroerend, die laatste woorden.
Max Pam (met wie ik het overigens vaak eens ben) merkte nogal denigrerend op dat Polet altijd ‘de gereedschapskoffer van de experimentelen’ is blijven gebruiken: een vaak afwijkende interpunctie, het ogenschijnlijk willekeurig inspringen en het gebruik van &, // en andere excentrieke tekens. En natuurlijk moet er ook altijd iets tussen haakjes staan, schreef hij. Het is waar, Polet doet dit ook allemaal in deze bundel. Maar de inhoud is zo sterk, dat die vormeigenaardigheden geenszins storen. Integendeel, ze dwingen tot een extra leesinspanning. Al of niet met ‘dubbele-spleetmond’.

***
Sybren Polet (Sybe Minnema,1924) ontving de Jan Campert-prijs 1959, de Herman Gorter-prijs 1972, de Busken Huet-prijs 1973 en de Constantijn Huygens-prijs 2003. Hij stond in 1995 en 2008 op de longlist van de Libris Literatuur Prijs en werd nog in 2013 genomineerd voor de VSB Poëzieprijs.
In 2002 verscheen Gedichten 1998-1948. Daarna kwamen nog Luchtwegen. Nergenswind (2003), Avatar. Avader (2006), Binnenstebuitenwereld (2008), Donorwoorden (2010), Virtualia. Teletonen (2012).
Gelijk met Het aaahh & ooohh van de verbonaut (lees hier enkele fragmenten) verscheen dit jaar de essaybundel De noodzaak van het overbodige.

 

Geplaatst in Recensies.