Annemieke Houben – Vieze liedjes uit de 17e en 18e eeuw

Dat komt er nou van

door Joop Leibbrand

‘Lieve pap en mam, dit boek is voor jullie. Dat komt er nou van’, schrijft Annemieke Houben in het nawoord bij Vieze liedjes uit de 17e en 18e eeuw, nadat zij de lezer met een grote variëteit aan onkuisheden heeft laten kennismaken. Waarvan? Het is het enige prikkelende ‘geheim’ dat in dit heerlijke boek niet wordt opgelost, want verder wordt alles wat maar aan ‘viezigheden’ verklaard kan worden uitgelegd en verhelderd. Waarschijnlijk doelt Houben trouwens op de studie Nederlands, die van de behandeling van Van den vos Reynaerde tot aan de romans van Jan Wolkers nu eenmaal aan ‘netheid’ geen boodschap heeft.

De 95 ‘onzedelijke’ liedjes die Houben verzamelde, zijn soms alleen maar ondeugend en pikant, maar veel vaker onverbloemd scabreus en obsceen en vormen met elkaar in ieder geval een masterclass in erotische dubbelzinnigheden en het oplossen van seksuele metaforen. Als de titel van een lied luidt ‘Een nieuw kluchtig lied van een aardige metselaar die in een groot herenhuis kwam te werken, alwaar hij al zijn kalk aan twee meiden en een juffrouw verstreek’, kun je er zeker van zijn dat hij voor het dichtstrijken van de scheurtjes wel heel speciale metselspecie gebruikt. En zo veegt de schoorsteenveger niet zomaar een schoorsteengat, werpt een visser niet lukraak zijn dobbertje en als een braaf meisje de koeien gaat melken loopt het dankzij een frisse jongeling uit op ‘Is het emmertje wat behaard,/ ‘t melkje is te beter bewaard.’

‘Vuyle’, of ‘fieltse’ liedjes werden ze genoemd en Houben bespreekt ze op laconieke toon met de grootst mogelijke vrijmoedigheid. Om niet telkens hetzelfde te moeten zeggen, gebruikt ze in navolging van Hans van Straten voor de aanduiding van vagina, seks en penis een eenvoudig notatiesysteem: Ω, Ʋ en %.

Weeldig Hanske die kwam mij
gisteravond vrijen,
maar ‘t kwam uit op fielterij:
hij zocht mij, als een prij,                   [oneerbare vrouw]
schandig te verleiên.

Hanske loerde als een muis
naar een lekker beetje,
maar zijn doen en was niet pluis:
Hanskes bek zocht het spek              Ʋ
uit de val langs ‘t spleetje.                  Ω

Ook bij het meest expliciete is zij nergens schroomvallig. Pornografisch wordt het boek evenwel geen moment – eerder steeds ‘onschuldiger’ – en dat komt zowel door haar neutrale commentaar als door de overvloed van beelden, waardoor alle seksuele spanning ontbreekt. Essentiëler is misschien nog wel, dat er geen literaire invalshoek is. De samenspraak tussen Daifilo en Dorilea in Hoofts Granida bijvoorbeeld heeft een erotische lading waaraan geen ‘liedje’ kan tippen!

Houben levert degelijk werk. Ze raadpleegde liefst 109 primaire bronnen, koos 55 illustraties, de meeste in kleur en bijna de helft paginagroot, ordende de teksten min of meer thematisch en voorzag ze telkens van een uitstekende inleiding, waarbij ze ook oog heeft voor de cultuur-historische achtergrond.

Seks is het woord dat domineert in het hele scala dat aan de orde komt: voor-huwelijkse vrijerij, ontmaagding, de huwelijksnacht, orale seks (met speciale aandacht voor de fluit-penismetafoor), impotentie, hoererij, overspel, voyeurisme, geslachtsziekten, de klisteermanie, enz. enz. En ook in vroegere tijden hield men zich al bezig met de snit van het schaamhaar, al werd dat dan wel vaak ingegeven door de noodzaak schaamluis te bestrijden… In ieder geval blijft geen onderwerp onbezongen. Wie zou er niet vrolijk worden van dit Bruiloftslied?

Tsa bruîgom, als een held,
gij moet vannacht in ‘t veld,
maar eer gij schieten zult de bres,                 Ʋ
zo drinkt met ons nog ene fles!
Ha ha, ziezo,
de liefde brandt als stro!

De laadstok – tot hij stuit –                              %
moet telkens in en uit,
en maak dat gij daar wel op let,
dat gij de prop daar wel opzet!                       geweer laden ( Ʋ )
Ha ha, zie zo,
de liefde brandt als stro!
[…]

De bruidegom wordt voorgehouden goed te richten, dapper vuur te geven en het bruidje mag niet schreien als hij wat te schielijk schiet.

Soms legt Houben wel heel veel uit. Als er staat ‘Meisje, zo je mij gelooft,/ jouw oogjes draaien in jouw hoofd!’ tekent ze aan: ‘Draaiende ogen wijzen in seksuele context op het smaken van genot en/of op het bereiken van een orgasme.’ Het is onbedoeld komisch.

Hans van Straten bewees indertijd met Razernij der liefde. Ontuchtige poëzie in de Nederlanden van Middeleeuwen tot Franse tijd (De Arbeiderspers 1992) al dat de dichters van de Lage Landen uiterst scabreuze beschrijvingen van het seksuele plezier geenszins schuwden. Annemieke Houbens Vieze liedjes uit de 17e en 18e eeuw vormt er een kostelijke aanvulling op.

***
Annemieke Houben (1981) studeerde historische letterkunde en kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Als specialist in oude liedteksten werkte ze enkele jaren voor het Meertens Instituut.
De melodieën waarop Houbens liedjes gezongen dienen te worden zijn deels terug te vinden in de online database van de Nederlandse Liederenbank.

Geplaatst in Recensies.