Hubert van den Berg & Geert Buelens – Dan dada doe uw werk! Avant-gardistische poëzie uit de Lage Landen

Een vat vol verrassende tegenstrijdigheden

door Hans Puper

Dan dada doe uw werk is een onmisbare bloemlezing voor degenen die zijn geïnteresseerd in de Nederlandse en Vlaamse avant-garde in het begin van de twintigste eeuw. De titel is afkomstig van I.K. Bonset  (net als de schildersnaam Theo van Doesburg een pseudoniem van C.E.M. Küpper). Op de achterflap lichten Hubert van den Berg en Geert Buelens, de samenstellers van de bundel, die toe: ‘Met deze woorden besluit I.K. Bonset in 1921 in De Stijl een tirade tegen pogingen om ‘de kanselliteratuur  van vóór ‘80’ in het interbellum nieuw leven in te blazen. Of dada het ‘predikantenpathos’ inderdaad wist uit te drijven uit de Nederlandstalige literatuur, valt te betwijfelen.’
Een dadaïst noemt Bonset zich overigens niet, maar in een toespraak [i] probeert hij, nu onder de naam Van Doesburg, wel uit te leggen wat je daaronder moet verstaan. Het is volgens hem niet mogelijk ‘het mysterie Dada intellectueel bevattelijk te maken. Dada is een gezicht, het wil ‘geleefd zijn’ en ‘wijst elke logische begripsassociatie onverbiddelijk van de hand’. En: ‘Te meenen dat dadaisme tot de categorie der nieuwe kunstvormen als: impressionisme, futurisme, cubisme, expressionisme enz. behoort is een dwaling. ( … ) Dada ontkent elken hoogeren, geestelijken inhoud voor leven, kunst, religie, philosofie of politiek.’

Schwitters, die zich in zijn publieke optredens mijns inziens verwant toont met Wim T. Schippers en in zijn poëzie met de dichters van Barbarber, is zo’n dadaïst:

UNSITTLICHES I-GEDICHT

Dames-Hemden.    .   .   .   .   .   .   .
Dames-Pantalons,  fransch model
Dames-Pantalons   .   .   .   .   .   .   .
Prima  Dames  Nachtponnen    .   .
Dames-Combinations.    .   .   .   .   .
Heeren Hemden, zwaar graslinnen

(aus    einer    holländischen    Tageszeitung)

Inclusief de gedichten in kleur (een prachtige afdeling) telt de bloemlezing ongeveer 180 pagina’s; het eerste gedicht is van 1913, het laatste van 1932. Ze zijn chronologisch geordend. Het voordeel daarvan is natuurlijk dat je de ontwikkelingsgang van de avant-garde kunt volgen. Nadeel is, dat het je gaat duizelen als je veel gedichten achter elkaar leest: onderling zijn ze vaak totaal verschillend, maar aan de hand van de inhoudsopgave kun je de gedichten natuurlijk ook per auteur lezen.

Na de gedichten volgen ‘Manifesten en andere beschouwingen’ en een nawoord, waarin Van den Berg en Buelens een schets geven van de historische avant-garde – de verzamelnaam voor vernieuwers uit het begin van de twintigste eeuw, die in hun opvattingen soms lijnrecht tegenover elkaar staan. Die beschouwingen zijn uiterst boeiend, niet alleen omdat enkele voor het denken over poëzie van blijvende waarde zijn, maar met name omdat zij een beeld geven van de variëteit in poëtica’s.

I. K. Bonset, Piet Mondriaan en Antony Kok walgen van ‘de asthmatische en sentimenteele ik- en zij-poesie ( … ) / gegist overblijfsel van een verouderden tijd.’ Er is een heel andere taal nodig ‘om de collectieve / ervaringen van onzen tijd tot uitdrukking te brengen’.  Van Ostaijen zegt in de aankondiging van het tijdschrift ‘Sienjaal’ dat dit het tijdschrift zal zijn van ‘de construktieve richting in de nieuwe kunst, duidelikheidshalve van het geëmansipeerd kubisme. Een ja geeft een neen.’ En: ‘Gedrukte poëzie is gedrukte woordkunst.’ Je hebt daarmee de volgende mogelijkheden: ‘het klimmen en stijgen van de regels, magere en zware letters, de kaskaden van de vallende woorden over het blad, zelfs verscheidene lettertypen: zoveel middelen die typografisch het ritme van het gesproken woord suggestief zullen weergeven. Bruggen van dichter naar lezer.’ Een prachtige demonstratie daarvan geeft hij in ‘Opdracht aan Mijnheer Zoënzo’. [ii]

Zet daar Wies Moens tegenover. Hij bepleit als vernieuwer weliswaar het ‘onmiddellijke, drastische beeld’, het vrije ritme verleent het vers zijn ‘primitieve, muziekale waarde’  en de ontroering komt niet meer van ‘de sterren en de bloemen’, maar ‘uit de rails, uit de trems, uit de elektriese globes over stapelhuizen, uit de dynamo en de motor’, maar hij is streng-katholiek. Hij keert zich daarom af van dada, dat volgens hem het failliet viert van alle ideologieën en bovendien liefdeloos is. Dat betekent ‘de dood, ook  voor de poëzie’. Hij bepleit een poëzie die voortkomt ‘uit het mirakel van een vernieuwde menselikheid die zich liefdevol verdiept in het levenswonder en al haar eigen wonderen uitbloeit in God.’ Marsman, Demets, Engelman & Kuyle en Stam-Lebeau bepleiten, meer of minder expliciet, weer andere poëtica’s – niet een is hetzelfde.

Vergelijk onderstaand fragment uit ‘Vlaamsche psalm’ van de Vlaams-nationalist A.J. Mussche eens met Van Ostaijens ‘Opdracht aan Mijnheer Zoënzo’ (zie de link in noot ii), en ‘Vlaamsche psalm’ weer met het citaat uit ‘Twee uitbarstingen’ van Perkens:

Heer, hef uwe liefde als een harp en bazuin boven doodverstilde valleien
en voer die in boeien gevangen zijn uit,
doe onze hoofden en haarden gedijen,
zend onze kudden in morgenrood weien,
zet ons als sjouwers aan den arbeid uit
om te bouwen aan de wereld als een orgel vol hallelujageluid

( uit: ‘Vlaamsche psalm’)

 

Nadat de zieke man
zowat vier jaren door
door iedereen was verwend geweest
( … )
daar sloot hij opééns
zijn kasten laden ramen deuren
en op de buitenkant van ied’re deur
plakte hij een papier
waarop hij had geschreven
IEDEREEN KAN VERREKKEN
IK OOK

(Uit: ‘Twee uitbarstingen’)

In de ‘Verantwoording’ schrijven Van den Berg en Buelens dat zij een representatief overzicht willen geven van de historische avant-garde in het Nederlands – dat is de reden dat de Duitser Schwitters wel ruimte krijgt in de bundel en Vlamingen of Nederlanders die in het Frans of Duits schrijven niet. Dat overzicht was ook wel nodig, want  op de vraag naar avant-gardisten tussen 1915 en 1925 krijg je als antwoord waarschijnlijk alleen de namen Bonset, Van Ostaijen, Antony Kok en eventueel Gaston Burssens. Op zich is dat niet zo vreemd, want zij zijn het meest opvallend. Daarnaast werd er tot het optreden van de Vijftigers minder waarde toegekend aan de avant-garde in de literatuur dan aan de ingrijpende veranderingen in de beeldende kunst: ‘In de literatuurgeschiedenis leidden Willem Kloos en Herman Gorter [ … ] veeleer naar Martinus Nijhoff, J.C. Bloem en Jan Slauerhoff dan naar Kok en Van Doesburg’.
Sommige dichters waren tot nu toe onbekend: Van den Berg en Buelens hebben bewonderenswaardig speurwerk verricht. Om een volledig beeld te geven, hebben zij zich terecht niet bekommerd om kwaliteit. Het is aardig om te zien, dat sommige tweede- en derderangs dichters hun kans schoon zagen om hun creaties een schijn van originaliteit te geven door een onorthodoxe vorm.

Over hun selectiecriteria zijn zij zeer beknopt: ‘Ons belangrijkste selectiecriterium was dat de gedichten formeel behoorden af te wijken van het traditionele rijmende gedicht.’ Ze wijken daar echter ook weer vanaf. Ze namen ‘ook rijmende gedichten van Verwey en Herman van den Bergh op [en ook andere: zie bijvoorbeeld het bovenstaande, negentiende-eeuws aandoende gedicht van Mussche – HP] , die inhoudelijk of qua metaforiek aansluiten bij de avant-gardepoëzie die zich ook in het buitenland ontwikkelde’.  Maar: inhoud en metaforiek in aansluiting bij de avant-garde in het buitenland – kennelijk is dat het tweede en tevens laatste criterium – is wel erg ruim. Ik neem aan dat het hierboven geciteerde fragment van Du Perron gekozen is op grond van de inhoud, maar die verschilt maar weinig van een aantal latere Parlando-gedichten, toen hij zich tegen het avant-gardisme had gekeerd. Ook de vorm van dit gedicht komt bij hem later nog wel eens voor.
Wel geven ze een groot aantal kenmerken, die je uiteraard nooit allemaal bij een en dezelfde dichter aantreft. Zonder volledig te zijn: modern leven in nieuwe metropolen, politiek radicalisme, een radicaal ander levensgevoel ten gevolge van de Eerste Wereldoorlog, Vlaams nationalisme, katholicisme, internationalisme, expressionisme, constructivisme, surrealisme en futurisme.  Maar om op Mussche terug te komen: de vorm die hij gebruikt is traditioneel. Is dan zijn katholieke Vlaams-nationalisme voldoende om hem avant-gardist te noemen?

Dit grote aantal kenmerken, vaak vaag, soms tegenstrijdig en zonder toelichting bij de –ismen (de beschrijvingen daarvan zijn zeker onder de betrokken dichters nooit eenduidig geweest), maakt van de bloemlezing een verzameling gedichten die soms discutabel is. Met de overgang tussen avant-garde en traditionele poëzie gaan Van den Berg en Buelens bovendien nogal luchthartig om. Desondanks is het een bijzondere bundel die die het zicht op de avant-garde belangrijk verruimt. Het zou mooi zijn als die uitgangspunt wordt voor nader onderzoek.


[i] Théo van Doesburg, ‘Wat is dada????????’ Trotwaer, jaargang 3. In: DBNL
[ii] Uit: Paul van Ostaijen, Verzameld werk. In: DBNL

Geplaatst in Recensies.