Ivo van Strijtem – De Liefde, jazeker

Eeuwig zingen de borsten

Levity Peters

De Liefde, jazeker is de nogal uitdagende titel van de nieuwste bundel van Ivo van Strijtem. Die durft! dacht ik, al voor ik een gedicht gelezen had. Alsof we in een polemiek verwikkeld zijn en onze twijfel dient te worden gepareerd, worden we op de omslag al geconfronteerd met een voor de dichter voldongen feit. ‘De Liefde’, jazeker en Liefde met een hoofdletter. De titel dwingt ons de invalshoek van de dichter te volgen. Hij lijkt geen andere lezing toe te laten, dan dat het over liefde en niets dan De Liefde gaat.
Dat is interessant. Ik kan mij geen heikeler onderwerp voorstellen. Liefde, misschien wel het meest misbruikte begrip ooit. Waarschijnlijk nog vaker en onnadenkender dan God: religieuzen gebruiken het, verliefde stellen, loverboys, dichters…
We worden ook in een bepaalde richting gedwongen door de illustratie op de omslag: een uit lees- en lettertekens samengesteld rondborstig naaktfiguurtje. Geen twijfel mogelijk! Dit moet over De liefde gaan in zijn materiële, lichamelijke vorm, liefde die zich via de zinnen bekend maakt.

Groot is dus de verbazing bij de titel van de eerste reeks: ‘De heilige vrouwen’.
Het eerste gedicht daarvan stelt dan weer gerust:

Voeten

Steeds vaker ligt mijn ene
voet boven op de andere.
Zij bootsen handen na,
vouwen samen voor
zo ver dat gaat.

Dan bidden zij,
niet om een rijk
of om een hemel min of meer
maar om nog lang te mogen lopen
op een alledaagse aarde.

Liefde voor het aardse dus. Dat snap ik. Verder stelt dit gedicht mij voor vragen. Bidden doe je volgens mij niet met handen of voeten, maar met hart en hoofd. Die voeten die bidden kan ik alleen maar zien als symbolen voor het verlangen naar eenheid, in dit geval met God. Misschien vindt de dichter gevouwen handen niet genoeg. Dat kan, maar ik kan mijn niet voorstellen dat die voor voeten onmogelijke nabootsing van gevouwen handen de intensiteit van het gebed verhogen. Hij had ook voor de oosterse manier kunnen kiezen, de handen simpel tegen elkaar gehouden voor de borst. Dat is ook met de voeten uit te voeren, tenzij je hen voor je borst wilt houden. Dat kan je hooguit van een yogi verwachten.

De heilige vrouwen blijken doden te zijn. ‘Julia’ is een van hen. De laatste strofe van een in memoriam voor haar gaat zo:

Julia’s grote blanke borsten,
de zang ervan, hun toonaard,
in staat om alles te vergeven.

Toe maar! Eeuwig zingen de borsten. Ik hoop maar dat zij mij ook dit vergeven.
Dat geloof ‘s mensen visie op de werkelijkheid kan vertroebelen weten we onderhand. Wat dat betreft bevindt de liefde zich in goed gezelschap (God is liefde!) Maar dat dichters in hun euforie het zicht op de taal verliezen, vind ik op zijn zachtst gezegd: jammer. Opnieuw uit de reeks ‘De heilige vrouwen’:

Ik ben de antilope

Ik ben de antilope
die door Soedan rent.
Meer dan honderdduizend
tel ik, meer dan een miljard.
Antilope, zebra, olifant.
Aarzel niet

werp een speer in mijn oog,
schiet een pijl in mijn dij.
Ik ben het lam,
ik kom van ver,
hosanna in den hoge,
zebra, antilope, olifant.

Hadewych, Johannes van het Kruis waren dichters. Guido Gezelle, Jaqueline van der Waals, waren religieuze dichters. Koos Geerds, Julian Holtrigter zijn religieus geïnspireerde dichters, die stuk voor stuk hun vak verstonden/verstaan. Het probleem met gedichten als ‘Ik ben de antilope’ is dat ze blijkbaar voor niemand geschreven zijn. De dichter zwelgt in zijn Hosanna, en dat is dat. Verder is het volstrekt willekeurige waanzin. In deze geseculariseerde tijden bevestigt het een vooroordeel dat religieus georiënteerde mensen eigenlijk gestoord zijn. Ik kan mij niet voorstellen dat dat de bedoeling was van de dichter. Hoe kun je je geloof serieus nemen en dan zulke onzin schrijven? Dat is voor mij niet te rijmen. Wat dan wel?

In de reeks: ‘Hartverscheurende regen en liefdesbrieven’ las ik het gedicht:

Dag dichter,

Mag het wat warmer s.v.p., wat zachter,
wat begripvoller ook en iets lichter misschien
iets voorzichtiger, meer een schuilplaats,
meer liefde zelfs, indien ik mij het woord
veroorloven mag, ik vraag excuus,

voordat je met je hautaine woorden
op dat arme meisje poëzie gaat liggen?

De dichter lijkt zich ervan bewust te zijn dat er geen wisselwerking is tussen hem en de poëzie. Dat is winst. Hij is zich dus bewust van zijn gebrek aan liefde, warmte, speelsheid, zonder welke de poëzie een lijdend voorwerp is, waar hij blijkbaar, hautain zelfs, bovenop gaat liggen. Vanzelfsprekend. Het is een lekkertje.

Zo komen we tenslotte bij de lichamelijke liefde waaraan enkele gedichten zijn gewijd, maar die bevreemdden mij ook enigszins. Het meest intieme gedicht:

Pearl

Hoi. Ik heet Pearl en ben clitoris.
Een clitoris out zich doorgaans maar een tikkeltje,
noem mij maar loslippig,
een buitenbeentje met een grote mond.

Ooit lag mijn naam op de tong van een man.
Dat likt inniger en vervoert.
Alsof hij pas volwassen was en ik een loot, een lotgenoot.
Alsof hij pas volwassen was en ik zijn vrije val.

Ai, Pearl, verliefd op een man
met het hart op de tong
met een tong in zijn vinger
en zijn naam op haar lippen.

Voor de dichter wellicht een erotisch gedicht. Maar ook hier heeft zijn roes de dichter het zicht op de materie die hij onder handen had ontnomen. Lees om het eenvoudig te houden de laatste strofe maar na; Pareltje is verliefd op een man met zijn hart op de tong die haar – cunnilingus – klaarblijkelijk beft. In de derde regel vingert hij haar blijkbaar ook. Dat kan. Die tong in zijn vinger zou kunnen duiden op de zachte behoedzaamheid waarmee hij te werk gaat. Maar dan volgt de laatste regel, die wel een band met de eerste had kunnen hebben, maar, met een tong in zijn vinger en zijn naam op haar lippen, herinnert het mij aan de honds moeilijke actie van Van Stijtem om zijn voeten als handen te vouwen. De samenhang van onverenigbare delen.

Laat ik eindigen met een/de poëtica van Van Strijtem, misschien dat die overtuigt dat het echt over liefde, De Liefde, jazeker, gaat:

Poëzie

Laat me, wat de poëzie betreft
alles nog eens op een rijtje zetten:

1 is een afdak dat hoort bij een schuur,
van die schuur zie je alleen de linkerbuitenmuur.
Het is een schuilplaats voor een plotse bui,
een ratelende schrijfmachine of een druppelsgewijze.
Niettemin staan er hak, hark en spade,
alle onontbeerlijk.

2 is een zwaan, een zwaan wil meer
en nog een zwaan. Zij drijft,
plechtige traagheid, andante festivo,
en glijdt over de werkelijkheid.

3 is de helft van acht; half oneindig, half af.
Het is een goedlachse berin.
Iemand die baart en zoogt en ons vervolgens mist.

Dat moet het zowat zijn.

Duidelijk? Dat moet wel, voor een door een goedlachse berin gebaarde dichter…

***
Ivo van Strijtem (1953) is dichter en docent Engels. Hij is samen met Koen Stassijns de drijvende kracht achter de poëziereeks De mooiste van… Van hem verschenen eerder o.a. Een rode sjaal (1998), De mooie Ierse (2002) en Het tegenbezoek (2006)

Geplaatst in Recensies.