Vier gedichten

Robert Israel (1949)

Poëzie is iets wat ik na 35 pauze jaar weer moet doen.

Hij slaapt
het hoofd op balkenroom geleund
hapt naar langsvliegende beelden
honden ook die blaffen én bijten
geen droom die hem vreemder
dan zijn eigen lekkende verhaal

Hij waakt
gespitst op de meest iele golf
die zachtjes door het donker drijft
bereid een bestaan te bevechten
waarvan hij nauwelijks weet had
en wat hij wist is vergeten

Hij wacht
op de landing van het licht op
wat smelt als de adem hervat
zonder de longen te schuren
warmte die ergens een bron heeft

Hij sluit de ogen

Jeanet Kingma (1967)

Poëzie is betoverd worden door de compositie van woorden en door de beelden die ze oproepen.

Nachtvlucht

De tijd haalt ons niet
in, als we voor het donker
uit rennen. Ook al kruipen
onze horloges steeds
een seconde verder.

We stoken halogeen
en laten LED-lampen
branden. Om de nacht
te mijden steken we
schermen aan.

Pas als de stroom
uitvalt, zien we beelden
in de sterren en voelen
we krekels ritselen, in een
droom die verlegen aanklopt.

Kris De Lameillieure (1962)

Poëzie is mijn praatpaal, mijn voorzichtig doorgeefluik, teruggevonden lief, met blutsen en builen.
Ze ruikt naar jasmijn.

Moederwezen.

Wij zijn zonen en dragen dezelfde moeder. We houden
onze hoofden koppig, kijken star en hullen ons in wierook.

In onze handen klemmen we de draagbaar. Zo hard hielden we
nooit , was iets ons meer. Geslagen verdragen we de leegte.

Wij zijn geboren om mannen te zijn. Onze naam met zachte hand
gegrift, met trots. We rechten onze ruggen : wij zijn zonen,
moederwezen.


Branko Van (1985)

Ik heb ontdekt hoe in poëzie ratio en emotie naast elkaar kunnen bestaan als elkaar niet uitsluitende waarheden. Hoe de regels van tijd en plaats, van oorzaak en gevolg, losgelaten mogen worden en hoe dicht je dan bij de kern van de verbeeldingskracht kan komen.

In dit vriezen van de tijd

Vingerkootjes krampen, klampen
aan steen, een reusachtige wand
misschien ooit door een gletsjer-

Je wordt wakker van scheurende pijn
van kramp in een kuit, je denkt
aan het water van het bad waarin nooit
iemand lag en droomt dan
van een doodgevroren vis.

De volgende ochtend ligt schaduw nog steeds
als een roofdier in de bomen. Het ontbreekt me
aan jou, denk je, alleen het koude staal blijft staan
in dit vriezen van de tijd, nog even en ik mis je
als een overleden huisdier.

Diezelfde avond vallen je schoenen
voor een lege haard, staat je moeder
voor je als een oude vrouw, je ziet
dobbelstenen en een pakje kaarten
ze klopt de room alsmaar weer tot boter.

Het ontbreekt me aan jou.

Geplaatst in Gedichten en getagd met .