LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Klassieker 185: Ab Visser – Nocturne

15 okt, 2014
door Wopke van der Lei

Meander Klassieker 185

De ene ‘Nocturne’ is de andere niet. Dat is volgens Wopke van der Lei het probleem met Ab Visser: “een vakman die het ambacht sterk wisselend van kwaliteit ten uitvoering bracht.”

Nocturne

De avond heeft niets lieflijks in dit land;
het licht vergloeit als in ontstoken ogen,
de lucht weegt grauw en bitter als nat zand
op bomen, in de Noordenwind gebogen.

’t Cholerisch bruisen in de naakte kruinen
vervult nachtlang, naargeestig en alom
de schemering en in verkleurde tuinen
waart regen, ijzig, als een ziekte om.

En ik, geslachtenlang hiermee verbonden,
toch tot geen vereenzelviging in staat,
ga langzaam aan die somberheid te gronde
en aan een pijn, waarvoor geen naam bestaat.


Ab Visser (1913 – 1982)
Uit: Millennium. (1951)

Ab Visser staat bekend als een veelschrijver. Naar eigen zeggen had  hij meer dan zeventig uitgaven op zijn naam staan en dat is voor een Nederlandse auteur niet gering. Hij schreef van alles: gedichten, romans, jeugdboeken, griezelverhalen, kritieken, vertalingen en – hoewel hij daar een hekel aan had – zelfs hier en daar een toneelstuk. Of zijn gezwoeg onder de zon achteraf gezien veel zin heeft gehad, is de vraag. Van zijn werk wordt niets meer gedrukt en in de gewone boekhandel is het ook niet meer leverbaar. Antiquarisch is veel voorhanden en op boekenmarkten ligt zijn werk te midden van vergeelde, beduimelde  en bevlekte uitgaven van lang vervlogen en vergeten auteurs. Duur is het niet. Er gaan zeker drie Vissers in een tientje.

Vorig jaar is er een biografie [1] van hem uitgekomen, geschreven door Michiel van Diggelen. Het gaat hier om een lijvig werk met meer dan 450 pagina’s tekst. Of de biografie zorgt voor een opleving van Vissers populariteit, is  de vraag. De lezer heeft nooit ongelijk en als die zijn werk al dertig jaar niet meer koopt, zal een biografie daar weinig aan veranderen. Om en passant daaruit de conclusie te trekken dat hij een kladschrijver moet zijn geweest, slaat ook weer nergens op. Hij had veel lezers, collega’s waren vaak positief, en dat gold zeker ook voor zijn gedichten.

‘Nocturne’ werd voor het eerst gepubliceerd in Millennium, een uitgave van De Bezige Bij uit 1946, als tweede deel van de reeks ‘Periscoop’. Een tweede, uitgebreide druk (gedichten 1942-1949) verscheen in 1951 bij De Arbeiderspers.

Het gedicht dat volgens de biograaf dateert uit 1945, komt in de biografie voor in een iets andere versie. Zo schrijft Van Diggelen het zand in plaats van nat zand (op een bewaard gebleven bandopname leest Visser wel degelijk ‘nat’), ontbreek de komma in r. 4 en heeft r. 11 het lidwoord ‘de’ in plaats van het aanwijzend voornaamwoord ‘die’. In beide versies heeft de noordenwind een opvallende hoofdletter meegekregen. Misschien een verwijzing naar Boreas, de god van de noordenwind, die als brenger van koude, duisternis en sneeuw beschouwd werd als wreed en ruw?

Nocturne komt van notte, It.voor nacht (latijn nox), nachtlied dus. En nacht is het in het gedicht. Zwaar, zwart, treurig en zonder enig perspectief. Zo vergaat het de schrijver en ook de lezer die zich verdiept in het gedicht van Visser. Visser zelf had immers geen gemakkelijk leven. Hij leed aan de tegenwoordig goed te behandelen ziekte van Bechterev, een kwaal die zijn ruggengraat zodanig aantastte dat Visser op het einde van zijn leven helemaal was krom gegroeid. Van Diggelen vertelt het verhaal dat trampassagiers abusievelijk voor Visser op zoek gingen naar diens gevallen portemonnee, zo krom gebogen ging hij door het leven. Zijn ziekte ging gepaard met helse pijnen en Van Diggelen vertelt dat hij dit gedicht na een ziekenhuisopname in der haast zou hebben geschreven.  Dat pleit voor de interpretatie dat de lyrische ik in het gedicht overeenkomt met de dichter zelf. Ook dit past bij Visser die, zoals de biografie vermeldt, veelal autofictief werk schreef.

Inhoudelijk levert de tekst weinig problemen op; de klamme donkerte van Hollands nachten verbindt de dichter met zijn eigen hopeloze toestand: een kwaal waarvoor geen naam bestaat. Het gedicht puilt uit van woorden met een negatieve connotatie: ontstoken, grauw, bitter, nat zand, cholerisch (van cholera: heftig, opvliegend), ijzig en ga zo maar door. De sombere avond van de eerste strofe wordt versterkt door de naargeestige wind die waait door de natte toppen van de bomen. De schemering heeft de tuinen reeds zwart gekleurd. Visser heeft kennelijk even naar buiten gekeken hoe het precies zit met kleurverandering, maar misschien had hij voor zijn humeur beter binnen kunnen blijven. Het laatste kwatrijn bevat de climax van Vissers ellende: hoewel hij door zijn (Friese) wortels al eeuwenlang verbonden is met dit treurige buitentafereel kan hij zich er niet mee identificeren, hetgeen misschien wel de enige zwakke plek is in dit gedicht: treurigheid leek hem juist op het lijf geschreven.

De vorm van het gedicht is traditioneel: drie kwatrijnen regelmatig opgebouwd. Voor de tijd waarin het werd geschreven, eerder ouderwets dan vernieuwend. Technisch is er weinig mis met het gedicht: de eindrijmen zijn hier en daar wat zwak (alom/ om en staat/ bestaat) maar een kniesoor die daar op let. De (weinige) alliteraties overtuigen (bitter, bomen, gebogen bijvoorbeeld) terwijl de assonanties zelfs uitstekend zijn. Ik noem: nat zand, bomen noordenwind gebogen, somberheid gronde, en naam bestaat. De assonantie maakt het gedicht tot een klankeenheid en houdt de versregels bij elkaar. Het is het rijm dat het gedicht qua vorm doet uitsteken boven de middelmaat. Dat is ook van toepassing op de gebruikte beeldspraak (als ontstoken ogen, als nat zand en licht dat vergloeit (!); de metaforen zijn allemaal even fraai verwoord. De synesthesie van regel 3 (de lucht die grauw en bitter weegt) kunnen we meenemen als een subtiel presentje voor de betere lezer: passend en tegelijkertijd fraai. Nee, qua vorm is er niks mis met het gedicht. Een sarcast zou hooguit opmerken dat Visser de moderne klassieken (Nijhoff) kende.

Is dit fraaie lyriek? Ik vind van wel. Wie wil ploeteren naar diep in de versregels verborgen schatten, moet een andere dichter kiezen. Hoe poëtisch ook, Visser hoeft niet op de pijnbank voordat hij zijn diepste roerselen prijsgeeft. De lezer heeft het gemakkelijk met hem: het woordenboek is nauwelijks nodig en het lexicon van de Nederlandse poëzieanalyse kan eveneens in de kast blijven. Een paar minuten surfen op het internet verschaft voldoende informatie voor een aangename kennismaking met een dichter die weliswaar de tand des tijds niet heeft doorstaan, maar met wie een verlate ontmoeting zeker geen sombere avond heeft opgeleverd.

Ab Visser schreef tenminste nog twee nocturnes. Een staat er in Facetten (1936), het andere in Na de reis, gedichten uit de periode 1933-1941 (De Arbeiderspers, Amsterdam, 1946). Over dit laatste nog iets meer.


Nocturne

O vrij te zijn van alle lusten,
nu nacht en wind tezamen gaan
en glimlachend het rood ontruste
doorgloeide stadbeeld ga te slaan

Niet als een door ‘t verraad gekuste,
verkommerd aan het raam te staan,
maar vrij te zijn van alle lusten
en van bloeds druk te zijn ontdaan.

Om als de maan in uitgebluste
en koele weerschijn op te gaan:
als onbewust van al ‘t bewuste
de zin en onzin te verstaan….
O vrij te zijn van alle lusten.

Een dertienregelig vers dat qua somberheid nauwelijks onder doet van het vorige maar kwalitatief daarvan de mindere is. Een negentiende-eeuwse thematiek en een zelfde archaïsche woordkeuze en dan nog een metafoortje met de maan, nee erg actueel komt het niet meer over. De biograaf is natuurlijk geïnteresseerd in ’s mans amoureuze escapades maar de close reader heeft daar nauwelijks boodschap aan. Het is inderdaad een feit dat de man een stormachtig liefdesleven heeft gekend maar om dat nu te verbinden met een wat gedateerd en overspannen overkomend gedicht van zijn hand, dat is mij een te romantische benadering.

Qua vorm toont Visser hier zich wel weer de vakman. Alle soorten rijm passeren de revue en het vers zit strak in het pak. Alleen dat ontruste, het verraad gekuste, verkommerd en de druk van het bloed, samen met die lusten die de dichter kennelijk wil afschaffen, neen misschien is er een lezer die de kwintessens eens vanuit een ander perspectief weet te actualiseren. En dat is het probleem met Visser: een vakman die het ambacht sterk wisselend van kwaliteit ten uitvoering bracht.

 

Wopke van der Lei

____
[1] Michiel van Diggelen – Ab Visser biografie, uitg. Passage, 2013.

 

     Andere berichten