Lévi Weemoedt – Met enige vertraging

De dag is kort, de dood nabij

door Joop Leibbrand

Hoewel Lévi Weemoedt (Isaäk Jacobus van Wijk, 1948) ook een verdienstelijk prozaïst is (o.a. Bedroefd maar dankbaar, De ziekte van Lodesteijn, Acte van verlating) is hij vooral bekend als dichter van pretentieloze, tragikomische verzen vol zelfspot. Hij debuteerde in 1977 met Geduldig Lijden, dat werd gevolgd door Geen Bloemen (1978) en Zand Erover (1981), herdrukt in de Kleine trilogie der treurigheid (1982). Daarna verschenen naast enkele kleine bibliofiele bundels Liedjes van Welzijn, Volksgezondheid & Cultuur (1987), Ken uw klassieken! (1992) en Rijk Verleden (1999). Zijn werk werd in 2007 verzameld in
Vanaf de dag dat ik mensen zag. In totaal 261 gedichten was de oogst van tweeëntwintig of zo je wilt dertig jaar, en nu voegt Met enige vertraging daar 83 gedichten aan toe.
Met gemiddeld nog geen tien gedichten per jaar is Lévi Weemoedt zeker geen veelschrijver. Hoewel de indruk die ze maken een totaal andere is, komen de verzen hem niet aanwaaien, moeten ze kennelijk moeizaam veroverd worden.

Vanaf het begin heeft hij het zichzelf ook niet makkelijk gemaakt en dat begon al met de keuze voor het pseudoniem dat hem wel moest dwingen steeds hetzelfde geluid te laten horen; het even doorbladeren van de verzamelde gedichten leert daarover genoeg. ‘Denk steeds: waarom ben ik de reis begonnen?/ En: eig’lijk, eíg’lijk wil ik liever dood.’ lezen we al meteen op blz. 9 en even verder: ‘au fond apprecieer ‘k dit leven niet.’ en ‘Ik hoor hier niet!‘ In ‘Met blijdschap’ (blz.81) weet hij: ‘Ik werd geboren en dat was al erg genoeg.’
Het leidde tot ‘Ik ben getrouwd met Treurigheid,/ woon samen met Verdriet./ Krijg soms bezoek van Eenzaamheid/ maar helpen doet dat niet. (‘Een huis vol’, blz.124) en tegen het einde geeft hij als `Korte inhoud van het voorafgaande’: ‘Verliefd, verloofd, getrouwd, gescheiden,/ dood en begraven: wát een tijden!’

‘Pessimisme kun je leren’, is Weemoedts levensmotto en uit die ‘leerbaarheid’ blijkt wel dat er naast de natuurlijke aanleg ook sprake is van een bepaalde pose. Dat moet ook wel om al die neerslachtigheid, melancholie, smart, droefheid, eenzaamheid en levensangst met zoveel vrolijk gejammer en gesnik te verwoorden. Humor impliceert immers afstand en het is daarbij goed te bedenken dat Weemoedt niet anders is dan een door Van Wijk in het leven geroepen personage – Weemoedt-zijn is act en roeping tegelijk! – dat de kunst verstaat dat wat fundamenteel niet leuk is, toch leuk te maken. Er wordt vaak het etiket ‘zwarte humor’ opgeplakt, maar ik betwijfel of dat bij Weemoedt wel terecht is. Het is niet scherp, niet bitter genoeg daarvoor; in alles overheerst een zekere zachtaardigheid, noem het kwetsbaarheid, waardoor de auteur de lezer niet van zich afstoot en vervreemdt, maar voor hem inneemt.

De verzamelde gedichten werden besloten met de regels: ‘En dan ten slotte het weeroverzicht:/ vannacht eerst nog donker,/ morgen kans op meer licht.’ Als je dat laatste metaforisch opvat, zou het nieuwe werk ‘zonniger’ moeten zijn. Maar bij de verschijning van Met enige vertraging juicht de uitgever: ‘Goddank, hij heeft zich niet vernieuwd en zijn stem klinkt somberder dan ooit!’

Over het tweede twijfel ik, want vaak vind ik de Weemoedt-ik hier wat weerbaarder, venijniger, cynischer, maar het eerste is waar, want vanaf het inleidende motto-gedichtje (De dag is kort,/ de dood nabij// dus aan de slag,/ geen mijmerij!) komen ingeklemd tussen geboorte (’22. 10. ’48’: Gedenk die datum, lezer. En snik.) en dood (‘Grafsteen’: De Heer is mijn Herder// Bekijk/ het/ maar/ verder) alle bekende thema’s voorbij zoals drank, depressie, ouderdom en dood, huwelijksellende (‘Record’: Mijn tweede vrouw/ is zó snel/ weggelopen// dat zij de eerste/ nog heeft/ ingehaald), het verschijnsel vrouw in zijn algemeenheid en verschillende modetrends en maatschappelijke issues.

Omdat Weemoedt het moet hebben van losse invallen, zijn zijn korte en ultrakorte gedichtjes naar mijn smaak het beste. In de wat langere gedichten, zoals in de liedjes, wreekt zich een gebrek aan vormbeheersing en blijkt ook dat hij geen groot rijmkunstenaar is. Hij is meer de man van de snelle woordspeling. Qua sfeer vaak Piet Paaltjens, qua toon regelmatig Seth Gaaikema, slechts een enkele keer vertoont hij de kwaadheid van Hans Dorrestijn of Joop Visser. Maar dan is het meteen ook goed raak:

TRAINING

De inleider
is uitgeluld.

Een leeghoofd
die zijn zakken vult.

Hij heeft ons uren afgemat

met godmagweten
over wat.

Tot slot kijkt hij
ons klemmend aan

en vraagt: ‘Hoe ga je
hier nou straks vandaan?’

De groep is murw.
Kapot. Zegt niets.

En ik denk: Klootzak!
Gewoon op de fiets.

Deze Weemoedt heb ik het liefst.

 

Geplaatst in Recensies.