Hermenselijking van dadertaal

Eind deze maand verschijnt Medeweten, de nieuwe dichtbundel van de Zuidafrikaanse Antjie Krog (1952). Het is een monumentaal werk geworden, waarin Krog in navolging van Paul Celan tracht een schuldige moedertaal te zuiveren en nieuw leven in te blazen. Volgens Sander de Vaan is zij daar wonderwel in geslaagd. Hij spr@k met haar aan de vooravond van haar bezoek aan Nederland.

Antjie KrogMedeweten is uw eerste bundel sinds acht jaar. Hoe ontstond het idee voor deze gedichtenreeks?
Na mijn vorige dichtbundel heb ik drie boeken in het Engels gepubliceerd: Begging to be Black (non-fictie), There was this Goat (een wetenschappelijke analyse van een getuigenis voor de Verzoeningscommissie, met twee universitaire collega’s, Nosisi Mpolweni en professor Kopano Ratele) en Conditional Tense: Memory and Vocabulary after the South African Truth and Reconciliation Commission (essay’s), hetgeen wijst op een radicale stap wég van de Afrikaanse dichtkunst. De reden hiervoor is simpel: ik wist even niet meer hoe ik ons complexe, onbekende land anders kon benaderen of beschrijven dan door grondig prozaïsch onderzoek. Maar dit impliceert ook dat de dichter een probleem heeft: als ik niet in staat ben om mijn wereld te verwoorden, dan is er fundamenteel iets vals, on-authentieks in wat ik te zeggen heb. Ik had echter geen idee hoe of waar ik moest beginnen.

Ik voelde mij ook meer en meer ‘gespleten’ – mijn gedachten en academische werk hebben zich in een bepaalde richting ontwikkeld en zijn in proza verwoord, terwijl mijn dichtkunst bij een zich ontbindend lichaam en bij kinderen achterbleef. Ik koesterde de diepe wens om dit allemaal weer samen te brengen tot een zekere coherentie, maar ik wist niet hoe.

En er was een derde reden. Toen mijn bundel Kleur kom nooit alleen nie bij een tv-programma van Michaël Zeeman besproken werd, stelde een van de aanwezigen mijn gebruik van het woord ‘medemenslik’ aan de orde. Hij zei dat het een cliché was en niet meer gebruikt werd in de Nederlandse dichtkunst. Aanvankelijk dacht ik dat men zich moest afvragen wat er met een taal aan de hand is als zo’n belangrijk concept betekenisloos is geworden, maar uiteindelijk wilde ik vooral dit: een manier vinden om dit woord te onderzoeken, het hoorbaar en “betekenisgloeiend” te maken.

Het idee voor de nieuwe bundel komt dus voort uit machteloosheid, onsamenhangendheid en een lege woordenschat.

Juist nu nogal wat mensen menen dat de ooit wereldwijd geprezen ‘Nederlandse tolerantie’ niet zozeer gebaseerd was op tolerante gevoelens, maar veeleer op onverschilligheid, herinnert u ons eraan dat een Nederlander zei dat het woord ‘medemenselijk’ op sterven na dood is. Je zou bijna hopen dat dichters als u vaker de talige en morele ‘fitheid’ van een samenleving checken.
Ik zie die taak als het waarmerk van grote kunst: het aanscherpen, verruimen, verdiepen en mogelijk maken van menselijkheid.

Hoe belangrijk was Paul Celan voor u bij het werken aan Medeweten?
Celan was van cruciaal belang. Zonder zijn gedichten had mijn nieuwe bundel nimmer kunnen ontstaan. Tijdens mijn werk op het Wissenschaftskolleg in Berlijn woonde ik colleges bij over het werk van Celan door professor Reinhard Meyer-Kalkus. Zijn teksten in het Afrikaans vertalen was een zeer intense, veeleisende ervaring. Maar op een dag merkte ik dat mijn taal, bezig met verschrikkingen, droefheid, wanhoop en menselijkheid, anders dan anders klonk. De gymoefeningen waarmee ik mij in de taal van Celan rekte en strekte hadden hun uitwerking op geharde, verkalkte of niet-bestaande Afrikaanse spieren en pezen.

Hiermee wil ik absoluut niet zeggen dat mijn werk in één adem met dat van Celan genoemd moet worden, noch dat ik een soort Celaniaanse dichter in een kleine, onbekende taal ben, noch dat wat ik te melden heb dezelfde integriteit, reikwijdte en onmetelijke diepte en tragedie van zijn werk heeft. Ik ben mij er terdege van bewust dat zijn gedichten voortkomen uit een ondraaglijke pijn en dat het schrijven hem zolang als mogelijk in leven hield. Hij schreef met het mes op de keel.

Ik ben een dader. De taal waarin onmenselijke daden werden gepleegd was in wezen de mijne. En wat ik hier probeer te bereiken is, in een poging om mijn taal te ‘hermenselijken’, te tonen hoezeer Celans structurele poëtische middelen niet alleen nuttig, maar ook van essentieel belang voor mij waren.

Het eerste wat mij bij het vertalen en praten over zijn werk tussen mijn ogen raakte, was zijn opmerkelijke gebruik van zeer innoverende neologismen (die grotendeels verloren zijn gegaan in eerdere Engelse vertalingen). Het opende opeens een keur aan geestverruimende mogelijkheden om oude, gefossiliseerde, naar scheiding stinkende Afrikaanse overblijfselen te koppelen aan jongere, meer bepalende woorden, in een meedogenloze drang tot zelf-vernieuwing.

Tijdens het vertalen merkte ik dat deze neologismen een soort wurgeffect in de gedichten brachten, een soort ‘woordknoop’, waardoor je aandacht versterkt werd. Je kon je niet langer laten meeslepen door de woordenstroom in de verzen. Je moest bij ieder neologisme opnieuw stoppen en nadenken over de twee verschillende concepten en hoe ze elkaar beïnvloedden. In ritmisch opzicht werd je ook tegengehouden, totdat je het begon te begrijpen en je je weer door de stroom van het gedicht kon laten meeslepen. De neologismen waren zeer geschikt om een zin veel meer betekenis te geven.

‘Todesfuge’, het gedicht waarin Celan de bewering van de filosoof Adorno ontkrachtte dat het barbaars zou zijn om na Auschwitz gedichten te schrijven, is Celans bekendste tekst. Vindt u dit ook zijn beste gedicht? Of zijn er andere verzen van hem die u bijzonder raken?
Het is een ongelooflijk gedicht! En, net als alle briljante gedichten niet te imiteren. Maar voor mijn eigen doelstellingen werd ik vooral geobsedeerd door zijn latere werk. De Engelse vertalingen vond ik ronduit onbevredigend (van Alfred Schaffer ontving ik daarentegen een prachtige Nederlandse vertaling), omdat het Duits veel dichter bij het Afrikaans en haar plooibaarheid staat.
Men zegt wel dat Celan in het Duits lezen hem in het Duits vertalen is, omdat zijn werk nooit comfortabel in een moedertaal rust. Neem bijvoorbeeld:

Sperriges morgen /Ich beisse mich in dich, ich schweige mich an dich. Or mit den Men, mit den Schen, mit den Menschen, ja das / mit dem Gestrüpp und mit / dem Augenpaar.

En er zijn ook zijn pogingen om Levinas’ ‘Ander’ te behandelen:

der Name Ossip kommt auf dich zu, du erzählst ihm,
was er schon weiß, er nimmt es, er nimmt es dir ab, mit Händen,
du löst ihm den Arm von der Schulter, den rechten, den linken,
du heftest die deinen an ihre Stelle, mit Händen, mit Fingern, mit Linien,
– was abriß, wächst wieder zusammen −
da hast du sie, da nimm sie dir, da hast du alle beide,
den Namen, den Namen, die Hand, die Hand,
da nimm sie dir zum Unterpfand,
er nimmt auch das, und du hast
wieder, was dein ist, was sein war

Voelde het schrijven van deze bundel, in zekere zin, als een ‘verzoening’ met het Afrikaans?
Absoluut

In uw prachtige gedicht ‘om niet in te treden’, waarin de echo van Celan doorklinkt, beschrijft u het gebrek aan medemenselijkheid bij veel mensen. Bent u pessimistisch of optimistisch gestemd over een meer medemenselijke toekomst?
Ik denk dat we de capaciteit hebben verloren om te zien hoe diep alles met alles verbonden is. In hoe eer ik mijn verbintenis vraag ik mijzelf af:

waar
aan mijn lijf
lees ik

de machtelozen

etend
hoe voelt mijn tong

de nooddruftigen

gaan mijn nekharen overeind staan
als op platte stukken karton

een man zich omdraait

welke rib
slibt dicht

licht- en lichaamschending?

appel en brood
voor de brilvogeltjes

eerloos

eerloos leef ik

Hoe zouden we het vermogen om deze diepe verbintenis op zinvolle wijze te interpreteren kunnen herwinnen?
Ik denk dat we opnieuw moeten bekijken hoezeer alles op aarde met elkaar verbonden is. Het is volstrekte nonsens om te denken dat we van alles afgesloten individuen zijn. We zijn volkomen poreus voor een heel universum aan dingen en geschiedenissen. Misschien zouden we dus doelbewust moeten beginnen met de vraag wat ik moet doen om te HOREN. Op een dag in Den Haag, tijdens een lange wandeling in een mooi park, zag ik een paar bokjes grazen en ik vroeg mij af: hoe kunnen zij overleven? Zij hebben een supersonische capaciteit om te horen, ruiken en zien – hoe leven zij in deze wrede, luidruchtige wereld? Misschien zijn wij wel net als zij geworden: “we horen honger, zien lijden, maar grazen gewoon door”.

In het mooie gedicht ‘het is hem!’ lezen we: “vastgehecht blijft ons heden aan het verleden sterven”. Ergens anders schrijft u: “ik heb geen ander land / dan dit land”. Denkt u dat er een dag komt dat Afrikaners en andere bewoners van Zuid-Afrika een heden kunnen beleven dat niet meer sterft aan het verleden, maar het verleden hoogstens als een litteken meedraagt?
Ik denk dat dit een internationale kwestie is: degenen die gewonnen hebben door een onrechtvaardig verleden willen misschien, zoals ik, een hand uitsteken, maar de onrechtvaardigheid is zó groot, dat zo’n eenvoudig gebaar erdoor verdampt.

In Parijs heeft onlangs een vreselijke aanslag op het vrije woord (lees: de vrije tekening) plaatsgevonden. Wellicht zullen journalisten en kunstenaars vanaf nu meer zelfcensuur toepassen om niet het volgende doelwit te worden. Hoe denkt u dat men het beste op deze terreur kan antwoorden.
Door om anderen te geven, om iedereen.

Antjie Krog – Medeweten
Nederlandse vertaling Robert Dorsman, Jan van der Haar en Alfred Schaffer
Uitgeverij Podium 2015; € 25,-
ISBN: 9789057596971

Geplaatst in Interviews en getagd met .