Joseph Roth – Parade van gebeenten

Ze noemen mij de Dood

door Joop Leibbrand

Het herdenkingsjaar van WO I is dan wel voorbij, maar ik wil toch nog even de aandacht vestigen op het door TIEM uitgegeven Parade van gebeenten van Joseph Roth. Het betreft gedichten & reportages over de Eerste Wereldoorlog van de man die in zijn betrekkelijk korte leven – hij leefde van 1894 tot 1939 en was zo de Tweede Wereldoorlog te snel af – grote roem vergaarde als journalist, romancier en literator. En als groot drinker en verkwister. Dat laatste kon hij zich lang veroorloven te zijn, want hij schreef voor de belangrijkste kranten (o.a. de Frankfurter Zeitung) en behoorde tot de best betaalde journalisten.

Moses Joseph Roth werd geboren in het toenmalige Oostenrijkse plaatsje Brody aan de Russische grens. Hij vluchtte in 1933 voor de nazi’s naar Parijs en woonde in 1936 enige tijd in Amsterdam, waar Allert de Lange, De Gemeenschap en Querido werk van hem uitgaven. Het zal mede de reden zijn waarom zijn werk hier altijd goed gewaardeerd werd. Roth leidde een literair en journalistiek bestaan en was daarin evenzo een zoeker als een opportunist; waar het geld was, daar schreef hij, want overtuigingen ruilde hij gemakkelijk in. Hij werd van sociaaldemocraat conservatief, van scepticus katholiek, tijdens ballingschap in Frankrijk een Oostenrijks royalist. Maar in iedere overtuiging was hij dan weer wel principieel en schreef hij messcherp.
In het nawoord bij zijn vertaling van Joseph Roths Job citeert vertaler Martin Mooij Roth zelf daarover: ‘ik ben een Fransman uit het Oosten, een humanist, een rationalist met een religie, een katholiek met joodse hersens, een echte revolutionair.’

Tot een delirium tremens zijn productie voorgoed stopte, schreef Roth dertien romans, acht verhalenbundels, drie bundels essayistisch en journalistiek werk en nog zo’n duizend losse artikelen.
Daarnaast had hij geruime tijd ook dichterlijke ambities: tussen 1912 en 1924 schreef hij een kleine 150 gedichten, waaruit samensteller Niels Bokhove er 28 koos, alle hun inspiratie vindend in WO I, deels tijdens en deels na de oorlog geschreven. Vader en dochter Stefaan en Anke van den Bremt verzorgden de vertaling.

Roth kende de oorlog dan wel niet van het slagveld, maar wel van nabij. Als uitgesproken pacifist nam hij in 1916 toch dienst in het Oostenrijkse leger, omdat hij met evenveel overtuiging patriot was. Het was tekenend voor Roth die vele persoonlijkheden tegelijk kon zijn.
De gedichten zijn gelukkig tweetalig afgedrukt, want hoewel de Van den Bremts goed vertalen, mist het Nederlands de authentieke Duitse scherpte.

Roth richtte zich in bijna al zijn literaire werk op zogenaamd ‘verloren mensen’, de ‘kleine’ tragiek van gewone mensen op weg naar hun ondergang en daarbij was hij beslist een moralist. Sentimentaliteit was hem vreemd, eerder was hij kritisch en onverhuld cynisch. Zo ook in de gedichten.
‘Legende van het kazerneplein’ begint aldus:

Een kazerneplein lag kil, sinister
ingesloten tussen kazematten.
Dagelijks exerceerden daar soldaten;
boven hen stond een oorlogsminister,
van een zwarte heldendood de schaduw.

om te eindigen met deze dodelijke regels:

Ein Kasernenhof noch wandert heute:
morgen ist er schon ein Leichenlager.

Bekend werd het uit 1924 stammende ‘Die Invaliden grüssen den General’:

Tien jaar is om, tien jaar is om,
rot werden onze knoken,
de ogen blind en de rug krom
en buik en borst doorstoken;
ook onze milt werd flink doorboord,
schrijnen doen hart en nieren – –
We leven nog! – We zijn niet dood! –
We zijn mensen noch dieren. – –
[…]
Ons commandeerde daar tot lijk
het hoge officierenheir,
we kropen voor je door het slijk,
op jouw bevel: Crepeer!
[…]
Weet je het nog, o generaal?
Slaap je nog goed, en melden
zich in je droom niet menigmaal
nog je gestorven helden?
Verwoest is hun gezicht, verminkt,
ze zoeken naar hun knoken – –
[…]

Veel latere anti-oorlogsgedichten en protestliederen zijn hieraan schatplichtig. In Roth gedichten is de dood nooit ver weg. In een van de beste, ‘Tod’, komt hij zo voorbij:

Over naakte lijken die van bloed nog druipen
Hoor ik hem met zachte tred voortsluipen.

Teder trapt hij op gebarsten ribben,
Sluit glimlachend half verstijfde lippen.

Eén keer houdt hij, moe glimlachend, deze rede:
Ze noemen mij de Dood en ik ben – Vrede.

[…]

Daarnaast bevat de bundel in de vertaling van Bokhove zelf elf reportages, die een genot zijn om te lezen. In een ervan, uit 1927, gaat Roth terug naar Sarajevo, waar WO I ooit begon en ziet een onschuldige, maar vervloekte stad, treurig omhulsel van de verschrikkelijkste catastrofes. Het stuk heeft de toon van Armando: ‘Het zou geen stad moeten zijn, het zou een monument moeten zijn, voor allen ter herinnering aan de verschrikking.’
Andere stukken beschrijven o.a. indringend een Poolse invalidenbegrafenis, verbeelden het krankzinnigeninstituut Vaderland, eren sarcastisch het plan voor een monument voor de handgranaat (inderdaad gerealiseerd!), gaan in op de status van oorlogsveteranen, hekelen het slagveldtoerisme.

Een informatief nawoord van Niels Bokhove completeert de uitgave. Zeer aanbevolen!

 

Geplaatst in Recensies.