Gedichten

 LUCHT

op een dag word je een eiland
waar de zee aan knaagt

de bomen laten hun bladeren vallen
de dieren trekken zich terug in hun holen
ook al ben jij
de bomen en de dieren

een dichte mist trekt op
je kunt jezelf niet zien
herinnert je nog contouren
een enkele berg

de vogels scheren
door de zonsondergang
bedelven de zee
onder hun getetter

voorbij de woorden
waait een wind
die je zal opnemen

VOL

toen je nog blinkend jong was
zeulde je aan de hand van de wind
gooide je rokken af aan zee
leefde mee met een onbetrouwbare dijk

nu knars je in je zoekgeraakte huis
de ruitenwissers aan tegen het donker
omdat de telefoon niet werkt
omdat een overmaatse leunstoel
de weg verspert
je stoft de hoeken af
tot de plank verdwijnt

slapend lees je hetzelfde boek
geprint op de binnenkant
van onrustige zijweggetjes

de kamer zit je te krap
je geheugen te vaak versteld
wacht je smeulend af
tot de maaltijden komen

het slot zet zijn hoed op
loopt vastberaden
naar de uitgang

ROUTE

ik leid je tot waar de grond spiegelt
zodat je de mensen op hun kop kunt zien
vanaf daar wijst het zich vanzelf

schuif de lamellen opzij
blaas uit tijdens het springen
het zal je goeddoen

je zult zien
het smaakt beter op de grond
hoe goed je de weg ook weet
in de schappen

met de steen gelopen
tot waar het graf zou zijn
niets aangetroffen

het spoor alleen in de hand

ergens kijkt de oplossing
op zijn horloge
pakt een koffer
en haast zich naar de trein

Geplaatst in Gedichten en getagd met .