Liesbeth Lagemaat – Nachtopera. Een episch gedicht

Een nachtelijke beeldenstorm
door Johan Reijmerink
Met Nachtopera. Een episch gedicht staat Liesbeth Lagemaat in een traditie die ook in onze Nederlandse literatuur enkele spraakmakende voorbeelden heeft opgeleverd, zoals Albert Verwey met zijn Persephone en Demeter, Martinus Nijhoff met Awater en Willem Jan Otten met De Vlek. Met hun verhalend en mythisch karakter hebben zij ieder op hun eigen manier naar thema en vorm gestalte gegeven aan het genre van het epische gedicht.
Lagemaat heeft gekozen voor een heldere structuur. Een operavoorstelling bestaande uit drie aktes, drie stemmen: een vrouw, een man en een kind. Elke afdeling vormt een cyclus op zich. De titels overlopend in de verzen onderstrepen dat. De vrouw verrijst als een Venus uit de zee en valt er weer in terug. De man ziet zich geworden aan een vrouw in wie hij tot slot onderduikt. Het kind houdt van het woord ‘begin’ en weet uiteindelijk te ontkomen aan het duistere lied van de heerwolf en de wrede wolvin. Vanuit het perspectief van een alleswetende subject krijgen we in terugblik de innerlijke overwegingen van de drie personages in beeld. Lagemaat hanteert in dit episch gedicht bewust klassieke versvormen. Met zijn nachtelijke bespiegelingen in terzinen vervult de man een bemiddelende rol tussen het ten hemel schreiende klagen in disticha van de vrouw en het kind. Op de omslag van haar bundel staat een galactische voorstelling die gelijkt op een vruchtbeginsel dat geboorte van leven en onderlinge verbintenis suggereert. Om dit proces van leven en verbinden te duiden bedient Lagemaat zich in haar gedicht van beelden, ontleend aan de wereld van de sterren en planeten, de zee, de onderwaterwereld en de concrete werkelijkheid Ze brengt de innerlijke spanningen in beeld die dit gedwongen samenzijn bij de vrouw, de man en het kind teweegbrengen. Dat gaat met heftige emoties gepaard die gaan van onvoorwaardelijke overgave tot zelfontkenning.

Wat zich daarbij in hun lichaam en geest aan denk- en gevoelsprocessen voltrekt, verwoordt Lagemaat in een stroom aan metaforen die elkaar in snel tempo opvolgen. Als de ik het lichaam van wie zich in haar heeft ‘uitgemorst’, krijgt aangemeten, begint haar lied van de pijn in haar te zingen. De tekst stroomt, is muzikaal van toon en schilderachtig van beeld. Ze moduleert voortdurend van een concrete werkelijkheid naar een meer abstract niveau en weer terug:

Ik vervelde, wel zeven maal
achter elkaar, tot ik niemand meer was.
Zij was wit, maar wit als de schuld.

Ze slaat diverse stemmingsregisters aan. Ze weet een kleurrijk heelal, vol klanken en beelden en stemmingen op te roepen.

De voorstelling is een overdaad van beelden. In de eerste afdeling ‘De vrouw’ vindt er ‘een ijle/ omklemming’ plaats: ‘een wurgsnoer van lucht, of een golfslag van ether.//’. De ik weet zich omgeven, overweldigd, in de ervaring van de pijn gesteld door een andere geest: ‘mijn zingen knarst, elke klank was al stuk in mijn strot./’ Al snel dient zich een man aan: ‘Ik val, mijn omtrek verschuift en verzinkt/ in de man, onze lijnen raakten verward./‘. Ze weet zich opgenomen in zijn leven en lichaam. Ze probeert hem in haar web van woorden te vangen. Welke verwonding dat ook oplevert, ze wil hem bij wijze van spreken nog liever dood dan levend in haar macht hebben.

Soms ziet ze in haar beeldenstroom een kind: ‘Onschendbaar lijkt ze voor mijn nacht,/ klein is ze en wit./’.  Ze lijkt te kunnen terugkeren naar de plek die ze als kind van vroeger kent: ‘De dingen/ staan zwijgend op wacht./ In hun midden een cirkel van licht.//’. Met denkbeeldige draden blijft ze verbonden met de man. Ze sluit zich af voor wat van buiten tot haar komt. Ze is doof voor het licht. Ze boetseert voor hem ‘een onzichtbare cirkel’. Hij schonk haar een pop die leek op een kind. Het kind ‘was ons/ een wig. Dan vindt er ‘een zwenking van ruimte en tijd’ plaats. Ze komt aan in een leeg en kaal land. ‘Ik miste de man en zijn hand.//’. Onafhankelijkheid en afhankelijkheid strijden om de voorrang. Op een ochtend verdween de man naar de zee en dook daaruit telkens weer op.

Dan ontspint zich de strijd tussen de man en de vrouw om het kind: ‘Hij speelde het spel// met een valse rokade, de formule van barbaren,/’. De vrouw vlucht weg en schuift in haar gedachten het kind naar de man toe. Van nu af aan wordt de vrouw begeleid door ‘het hoerige zusje, de pijn’. Deze tocht gaat dieper dan dromen en slapen. ‘Mijn pad zou leiden, weg van het kind./’. Ze lijdt onder de afwezigheid van het kind: ‘ik was een/ litteken, een wond van schuld./’.
De man en het kind dringen beide diep in haar gedachten door. De vrouw verliest tijdelijk haar identiteit:

Wie ik was wordt gewist.
[…]
er is niets dan het zeer dat woekert en bloedt

in mij. Ze is mij een pad

dat voert naar het vormeloze niets, een heelal waarin alle gedachten die ik

ooit had als geschifte planeten rondzwerven. De tijd heeft zich afgebroken
in mij. Ze heeft mijn woorden verguisd en mijn klanken gedoofd, in mijn cel

en elk continent daarvan regeert het niets.

De vrouw beschouwt zich als een pelgrim van de waan die door landen zwalkt ‘die ik niet kende, waarvan ik de taal niet versta./’. Haar reis duurt lang, ’van// zwart eiland naar zwart, ik zie wie ik was en de platen zijn ogen, ze richten// hun pijlen op mij./’ Ik ben niets.  Ze valt, en blijft daarmee in zichzelf gevangen.
In de tweede afdeling ‘De Man’ laat de vrouw zich lezen: ‘in de spiegeling, het kamerbrede raam transformeert/ in het donker dit woonhuis tot aquarium, en zij is alle kleuren vissen./’. Hij wenst haar stem niet te horen. Het zou het begin van einde kunnen inluiden. Hij ervaart hoe ‘verscheurend het kan zijn, de mond van// een vrouw die zich opent om alles wat ik in me heb te doorsnijden.//’. Deze vrouw zal nooit beseffen wat ze in zich draagt: ‘in haar/ beste uren kan ze zich meten met de lieflijkste planeet in een nooit ontdekt/ ongerept Galactica.//’. Hij vraagt of ze weet dat ze een engel is. Hij neemt zijn harpoen en raakt haar. Alle vrouwen houden van bitter. ‘Ik zal steeds ver weg van je reizen,/ je zult steeds proberen mijn schedel te lichten, mijn hart te eten.//’.

Lagemaat bedient zich allerlei beelden aan de mythologie en de esoterie ontleend die tegemoetkomen aan de clichés die er bestaan over de man en de vrouw. De man houdt het kind voor, dat alle vissen zoals de vrouw onder water engelen zijn. De vrouw en de man ‘ zijn een slecht getimede pantomine.//’.’We spelen met elkaar een vreemd ritueel en weten niets meer van de regels.//’. Op het moment dat de vrouw haar mond opent, verdwijnt de man met het kind. ‘De vrouw/ was haar een gevaarlijk vlies maar het kind wist het nog niet./’ Het gevecht tussen de man en de vrouw om kind ontbrandt. Het sliep tussen zijn vinnen en droomde in zijn bek.
De vrouw blijkt een meesterdievegge te zijn en blaast elke dag haar adem/ in de mond van het kind.//’. Het kind weet van niets en werd langzaam gekleurd door het gif van de vrouw. ‘Ik zag haar vinnen en het weke vlees van haar buik dat leek bespat/ met de wrok van de vrouw./’. De vrouw danst als een duivelin, een begijn.//’. De man duikt onder in de bloedrode zee van zijn onmacht.

In de derde afdeling is er bij ‘Het kind’ een herinnering aan ‘een duet van een man met een vrouw’. Ze kan met een klik ineens opnieuw woorden vullen met herinnering die omhoog naar de hemel of diep naar de afgrond verwijst. Het stormt in het hoofd van de vrouw. Atlantis rijst voor haar geest op. Gevaren dreigen:

wat ze wil zeggen wordt ingesloten. Vinger voor vinger legt zich
op haar mond. Ze zal niet spreken over dingen, niet over mensen
niet eens tegen zichzelf.

Ze doet er het zwijgen toe. Geluiden, woorden en klanken glijden door haar hoofd. ‘Wat ze zich wenst, waar ze nooit kan zijn: de andere kant van de tijd.//’. De twistgesprekken tussen de man en de vrouw doen haar huid trillen. Het enige wat het kind kan bewaken is haar eigen omtrek. Gevolg: ‘Ik ben er niet ik ben er niet ik ben er niet.//’. Het kind oefent woorden om zich te verdedigen tegen de aanwezigheid van de man en de vrouw. Ze weet zich gevoed door hen met

hun merg, hun lawaai,
[…] Ze bestaat aan de andere kant

van de tijd. Er was eens een bundel vol woorden van –on en van –niet.
Ik nam de band in mijn handen en trok hem aan stukken. Nee:

ik vrat de woorden op tot mijn mond ervan bloedde. Nee: ik schreeuwde
de woorden uit in de nacht. Steeds opnieuw. En ik begon.

Haar huid herinnert zich tot slot een vreemd land. Ze weet zich te wapenen tegen het licht.  De vrouw is voor het kind tot een beeld op de rots geworden. Van de man vouwt ze scheepjes. Ze hoort ten slotte een lied dat ze niet kende. Het lied van het bleke licht. Ze weet zich verlost.

Lagemaat valt te bewonderen om haar beeldenstorm, haar kleurrijke taal, haar ritme en haar gedrevenheid in bepaalde delen van het gedicht, maar de stroom aan beelden doet te kort aan de epische lijn die ze blijkbaar heeft willen uitzetten over het samenleven tussen een man, een vrouw en een kind; in het hier en nu of langer geleden. De lyrische en dramatische aspecten, gewikkeld in deze beeldenstorm, overwoekeren de epische voortgang. De innerlijke overwegingen veroorzaken daardoor een duister schimmenspel. In plaats dat haar metaforiek in samenspel met de epische lijn een verhelderend totaalbeeld zou moeten oproepen, treedt vooral in het eerste, en wat minder in het tweede en derde deel een verhullend effect op.

Lagemaat durft zeker het grote epische gebaar te maken, maar de kracht van haar pennenstreek verliest gaandeweg haar intensiteit en scherpte. Het nachtelijk en mythisch spektakel ontbreekt het aan doorzicht vanwege de talrijke beeldrijke pirourettes.

 

***
Liesbeth Lagemaat (Bergen op Zoom, 1962) studeerde Nederlands en Taal- en Literatuurwetenschap, werkte als journalist, actrice, reclametekstschrijver, accountmanager en docent Nederlands en debuteerde in 2005 met de bundel Een grimwoud in mijn keel, die bekroond werd met de C. Buddingh’-prijs. In 2007 verscheen Een koorts van glas, in 2009 Handlanger – Het witte kind en in 2012 Het uur van de pad.

Geplaatst in Recensies.