Wiel Kusters – Hohner

The Echo Harp

door Hans Puper

Hohner is een bijzondere bundel. Hij heeft twee afdelingen: ‘Geboorteregister’, het overgrote gedeelte, en ‘De roze zijden schoentjes’, een uit het Spaans vertaalde ballade van José Marti, de negentiende-eeuwse Cubaanse dichter en vrijheidsstrijder. Ik beperk me hier tot ‘Geboorteregister’.

De Zuid-Limburgse mijnen – zoals bekend was Kusters mijnwerkerszoon – speelden in zijn eerste bundels een belangrijke rol. Niet alleen anekdotisch, maar ook metafysisch of als beeld voor de afdaling in zijn innerlijk. In deze bundel komt de mijn nog maar een keer voor in een vertaling van ‘Zechenkolonie’ van de Duitse dichter Harold Hartung, maar de thematiek blijft herkenbaar: Hohner is een bundel waarin de dichter laat zien hoe het verleden in hem voortleeft. Dat bestaat allereerst uit zijn overleden ouders en in het bijzonder zijn twee broers, van wie hij de oudste niet heeft gekend: ‘Kleine mij ontboren broer, / oudste van me, nooit gekende, ( … ) aan wiens glimlach ik niet wende / toen een kleinzoon hem mij bood’. Dat woord ‘ontboren’ zegt veel over zijn werkwijze in Hohner:  het voorvoegsel betekent niet alleen verdwijnen, maar ook opnieuw verschijnen. Dat laatste gebeurt ook door het schrijven van poëzie:

BROER

Zolang je Kaspar Hauser was
bleef je ongeboren
en wat ik later van je las
lag als adem op mijn ruit
bevroren.

Ik wist niet hoe jij jezelf verstond.
Ik adem op jouw woord
en zie hoe dit zich smelten laat
maar ook hoe je ontdooiend spreken
jou verstoort.

Maar er leven meer doden in hem voort: in de bundel vind je echo’s van Kouwenaar, Faverey, Hanlo en Pierre Kemp, tenminste: dat zijn echo’s die ik heb gehoord; het kunnen er best meer zijn. Aan Guillaume van der Graft heeft hij twee gedichten opgedragen. Hanlo en Kouwenaar kregen ieder een eigen gedicht.
Deze allusies zijn niet storend, want Kusters blijft geheel zichzelf – zie bijvoorbeeld het titelgedicht ‘Hohner’. Ik neem het in zijn geheel over; het zou me niet verbazen als het als een klassiek gedicht in toekomstige bloemlezingen wordt opgenomen.

In een la van de keukenkast
lagen de sigaretten van mijn vader
een boekje over eerste hulp bij ongelukken
(een man is uit voorzorg op een plank gaan staan
en trekt met een wandelstok
de elektrische draad
van het lichaam van de geëlektrocuteerde ander)
een alarmpistool –
veel dat mij is ontschoten
en een mondharmonica van het merk
Hohner – The Echo Harp.

Op het doosje een berglandschap
een houten huis
rook uit de schoorsteen
en op de voorgrond een man
die een pad bewandelt
naar ons toe.

Mijn broer bespeelde The Echo Harp
La Paloma
of schoot met het pistool
wanneer hij niet tekende, schaakte, las
of al het andere waar hij
goed in was.

Nooit kwam ik tot muziek
op zijn Hohner
nooit tot iets anders dan een sireneachtig
in en uit van adem

wel proef ik het hout
ruik daarvan de wat zoete geur
wanneer het vochtig wordt
van mijn speeksel
voel hoe mijn mond
dorstig wordt en droog.

Het is geen muziek
waarmee mijn broer nu
uit het gebergte van zijn dood
nader treedt

het is een ademen
een ademen alleen
in in in

en een janken
zoals vroeger nooit
door hem
geuit.

De eerste strofe is er een van weemoed – niet in het minst door de ontroerende lulligheid van het boekje over eerste hulp. Die strofe is niet alleen een intro, maar ook een hommage aan Kopland. Terugdenkend aan zijn vader, een ‘gasfitter eerste klas’ schrijft deze: ‘In zijn agenda zie ik / afspraken met onbekenden, aan zijn muur / kalenders met labyrinthen van gasleidingen, ( … ) Kijkend in het porseleinen fonteintje uit / de dertiger jaren met de twee lullige leeuwen: Johnson Brothers Ltd ( … ) jezus christus vader, komen de tranen / om nu en om toen’.
Mooi is het woord ‘ontschoten’: veel is verdwenen uit de herinnering van de ik-figuur, is hem ontsnapt of ontvallen. De combinatie met het alarmpistool en opnieuw het voorvoegsel ‘ont’ wekt nieuwe associaties.

In de verbeelde wandeling komt de broer van de dichter even tot leven, maar een verlossing uit de dood is het niet. Er wordt weliswaar terloops meegedeeld dat hij ‘La Paloma’ speelde, een lied dat vele zangers op hun repertoire hadden en waarin liefde de dood overwint, maar het verdriet van de dichter overheerst. Dat geldt ook voor zijn broer: een ‘ademen alleen / in in in’ lijkt een verbeelding van snikken te zijn.
De vierde strofe (‘Nooit kwam ik tot muziek’) is heel bijzonder. Ondanks alle verschillen associeer ik de dichter met een andere man die een oudere broer in zich meedroeg: de hoofdfiguur ‘Harmonica’ uit de onvolprezen western ‘Once Upon a Time in the West’. Het klaaglijke, korte fragment dat hij bij herhaling speelt en dat eveneens onverbrekelijk is verbonden aan een overleden broer, werkt in dit gedicht door. Sterker nog: het is het achtergrondgeluid van de hele bundel ‘Hohner’, de harmonica is waarlijk een Echo Harp.

Er is nog een ander verlies dat voortleeft in de dichter: religie. Je ziet dat in vele gedichten. Het gedicht ‘Jan van Nassaustraat’ geeft een aanzet. De volwassen dichter vertelt over de jongen die hij was: ‘Ik sliep voor het eerst in den vreemde / alsof ik mijn leven even leende / van wie het later leiden moest.’ Het rijm ‘vreemde’ en ‘leende’ laat zien wat voor een leven dat zal worden.
De jonge ‘ik’ is ver van huis en staat voor een angstwekkende ervaring: ‘Den Haag 1966.  Examenkou / aan het begin van de zomer. / Een pension met pendule’. Korte, afgemeten zinnen. Iedereen die niet over stalen zenuwen beschikt, zal dat onverbiddelijke tikken van de klok voorafgaand aan het examen herkennen.  Als het zover is, loopt hij ‘van het vreemde huis / naar de verre school / waar [hij] onverstaanbaar luid / ondervraagd werd / over alles, over ooit, / over ergens, over nergens, / over nooit en niets. / En dat voorgoed.’ De wrange constatering in het laatste zinnetje bevestigt dat er inderdaad sprake was van een voorafschaduwing van het volwassen leven. Mooi.

In ‘Geboorteregister’ – niet voor niets de titel van de eerste afdeling – is Kusters explicieter. Dit gedicht is tevens een mooi voorbeeld van de intrigerende raadselachtigheid die je vaak bij hem aantreft en maakt dat je steeds terugkeert naar zijn gedichten:

Ik schreef mij in voor de nacht
een plaats in de tijd
buiten het zicht
van het licht
dat maar niet
op wereld
wilde rijmen,

een dag
die niet aanbrak
maar brak

nu hij breekt.

De eerste strofe lijkt duidelijk: het door ‘zicht’ gepersonaliseerde ‘licht’ staat voor religie en is niet in overeenstemming te brengen met het aardse leven. Maar: de dichter schrijft zich zelf in en daarom lijkt het of hij een keuze maakt. Is dat een gevolg van de ervaring dat het licht maar niet op wereld wilde rijmen? Ontstond toen dat geboorteregister? Is het een typering van zijn poëzie?
‘Nacht’ in de eerste strofe is tegengesteld aan ‘dag’ in de tweede. Het zijn halfrijmen in plaats van volrijmen: die onderstrepen nog eens dat voor de dichter dag en nacht niet goed op elkaar aansluiten. De nacht is ‘een plaats in de tijd ( … )’. Is ‘een dag / die niet aanbrak / maar brak’ daarvan een verduidelijking? Echt lastig is de tegenwoordige tijd in ‘nu hij breekt’. Wat gebeurt er? Waardoor? En waarnaar verwijst ‘hij’? Een dag? Wereld? Een plaats in de tijd?

Zelfreflectie gaat in ‘Hohner’ samen met weemoed. Daarbij hoort ook zijn relativerende humor:

PASEN

Ik zit vanavond met mijn botten
in de spiegel naast het bed
het kan mij niet zoveel verrotten,
heb de wekker al gezet.

Ik hoop dat Kusters niet al te vroeg op wil staan.

***
Wiel Kusters (1947) debuteerde in 1978 met de gedichtenbundel Een oor aan de grond. Zijn meest recente publicaties zijn: Bewaarmachinist (2011) en In en onder het dorp. Mijnwerkersleven in Limburg (2012). In 2010 verscheen zijn biografie van de dichter Pierre Kemp, in 2014 Mijn versnipperd bestaan. Het leven van Kees Fens 1929-2008.
Hohner is het tweede deel van de Koppernik-poëziereeks. Eerder verscheen Theorie van de rondworm van Jan Lauwereyns en later dit jaar volgen In de loop van de woorden van Breyten Breytenbach en Waarom van Armando.

Geplaatst in Recensies.