Lut de Block – Af & Toe

De aarde en een dode vader overstijgen

door Wilma van den Akker

De gedichten van Lut de Block worden gewaardeerd om hun zintuiglijkheid en aardsheid. Zij was van 2007 – 2011 de eerste plattelandsdichter van Vlaanderen. Eerdere bundels zijn allang uitverkocht. Deze selectie uit Vader, haar debuut uit 1984, Landziek (1988), Entre deux mers (1997), De luwte van het late middaguur (2002) en Het onverborgene (2006) komt tegemoet aan de vraag naar haar vroegere werken. Die aardsheid van de dichteres gaat heel ver, zoals hier, in de laatste strofe van ‘Balans’:

We pleegden roofbouw op elkaar
en haalden zelfs de larven binnen.
We hebben niets geborgen, zijn het niet.
Er is slechts storm in het verschiet.

Uit Vader, 1984

Dat is sterk. De Block laat ons zien dat de natuur niet alleen over vlinders en bloemen gaat, maar zeker ook over verval en ontbinding. Het gedicht ‘Grafliggen’ eindigt zelfs met ‘// Nu nog de winter / van Vivaldi / en ik ontbind / van genot.’ Soms vind ik de zinnelijkheid teveel van het goede. In ‘How to eat them’ gaat het over mispels. Het eten daarvan wordt zeer erotisch beschreven, maar aan het einde duwt ze mij die mispels als lezer zo ongeveer door de strot met:

Een zuinig proeven van het genot
zintuiglijk zingen van verrukking.
De smaak van aarde en leven zuigen
mm! mispels.

Hallo! Mag ik zelf ook nog iets ervaren? De laatste regel lijkt wel een reclameslogan, of een dichtregel van een kind. Maar ik vergeef haar deze uitglijder, er is veel moois te lezen in de bundel.

Opvallend is de ontwikkeling die de dichteres doormaakt in de loop van de bundels en jaren. De eerste bundels staan nog sterk in het teken van haar eigen worstelingen. Zij verwerkt daarin de dood van haar vader. Als tienjarige vond zij hem dood aan de keukentafel. In Entre deux mers rekent ze hiermee af:

Dit is het laatste dat ik voor je schrijf.
Een witte streep getrokken op blank papier.

Helemaal definitief is dit afscheid niet. In het volgende gedicht vraagt zij zich af:

Wie was de eerste: de vader die de aarde
kneedde of de aarde die vaders droeg.


Entre deux mers
heeft nog veel persoonlijke pijn in zich, maar ik zie ook groei en verbondenheid zoals in het prachtige ‘Dochter en ik’:

We liepen beiden bloedend langs de Keyserlei.
Dochter en ik. Geen woord was tussen ons
geen misverstand. Ook geen verband
tussen haar zwijgen en mijn gewild niet spreken.
Een stomme steen, zie ze. Opletten.
Het kind is moeder van de vrouw.

Ik bloei, zei ze toen ik haar zeggen wou
dat leven bloeden is en niet te stelpen.
Ze klaterlachte, kon het ook niet helpen.
Of bloeden niet een beetje bloeien is.
En dat ze snakte naar gemis
geluk, gelul, gelal van jongens in de straat.

Ooilam op mijn schoot, wat werd ze groot.
De lente was nog iel en zij zo blij.
Gewichtloos liepen wij
zo zij aan zij, en hand in hand
zo beiden bloeiend langs de Keyserlei.

Ook van de dochter moet afscheid worden genomen, zoals elke moeder haar kind moet laten gaan.

In de latere bundels ontstaat er ruimte voor leed van anderen. Onderstaand gedicht valt te lezen op een marktplein in Gent, dat de Kouter heet. Het komt uit De luwte van het late middaguur.

Een kus op de Kouter

Zoals een blad valt
zo viel jouw naam.
Jij lieflijk Jiddisch meisje
verrast door een kus, verast
door een kus op de Kouter

Gas verzandt in je mond. Je liep hem nog na
je tong proefde gulzig het slib van zijn lippen.
Jij Judith, hij Judas. Je as dwarrelt neer

je witte bloed zindert en voelt zich een vrijplaats
een plein in de stad waar de liefde je loutert
een liefde die geen blad voor de mond neemt
een mond die zich aanbiedt, een kus op de Kouter.

In De luwte van het late middaguur stelt de Block zich meer op als waarnemer. Daarmee overstijgt zij haar eigen ervaringen, een teken van rijping. Ik realiseer me wel dat Af & Toe selectie is uit de genoemde bundels. Het kan dus zijn dat de accenten die ik zie door de hele bundels heen minder duidelijk zijn. Maar toch, in de selectie uit de laatstgenoemde bundel, het Onverborgene, lees ik zelfs bijna abstracte poëzie:

Juli

Het juliet heftig, een zon morst vlokkig
zijn licht in de korf van je schoot.

Het fruit moet nog meuken
het land moet nog zwellen, het meurt er

naar moer, naar zaad en naar drab.
Omhoog valt een blauwvoet.

Van liefde krijgen we vleugels en van
verlangen het lef om op te stijgen.

We wolken boven het land
te meeuwig om teugels te vieren.

Op dit punt overstijgt zij de aarde en de dode vader. Deze verzameling is een mooie kans om het vroege werk van Lut de Block te leren kennen. Ik word ook nieuwsgierig naar haar latere bundels en vraag me af, hoe haar ontwikkeling zich heeft voortgezet.

***
Lut de Block (1952) is ook samensteller en inleider van de bloemlezing Nooit te vangen met haar eigen pen. De vrouwelijke stem in de Nederlandstalige poëzie in 200 gedichten (PoëzieCentrum, 2005). Na 2006 verschenen nog de bundels uit Het holst van de lente. Plattelandsgedichten 2007 – 2009 en Door de bomen het bos (2012).
Haar werk is vertaald in het Frans, het Engels en het Afrikaans.

Geplaatst in Recensies.