Jabik Veenbaas – Mijn vader bad

‘Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij’

door Hans Puper

Mijn vader bad is de vijfde dichtbundel van Jabik Veenbaas (1959). De bundel bestaat uit losse gedichten, afgewisseld door drie cycli: ‘Brieven aan mijn vader’, ‘The hills are alive. Aan mijn moeder’ en ‘Terug naar het dorp’.

De gedichten hebben een sterke onderlinge samenhang. Ze gaan over een voorgoed onbereikbare jeugd die zich afspeelde op een klein dorp in het weidse Friese landschap: ‘ooit is het leven hier begonnen, op de terp / door waaghalzen opgeworpen, die zo nodig midden in zee / hun vermetele vee moesten hoeden’. Met dat verlies gaat weemoed gepaard; daarnaast vormen deze gedichten de verbeelding van een zoektocht: hoe heeft het verleden het heden bepaald? Het is – hoe kan het ook anders – een universeel thema. Denk bijvoorbeeld aan Bloem, Kopland en Kusters of aan schrijvers als Nescio en Springer, de meester in het schijnbaar terloopse, laconieke taalgebruik – een veiligheidsventiel op een drukvat van emoties. Veenbaas doet soms aan hen denken.

Een paradijselijke jeugd was het niet. Aan idyllische ervaringen geen gebrek – een rustige oom, in direct contact met land en leven, een lieve grootmoeder, jeugdliefdes – maar de dichter groeide op bij een vader die onherstelbaar was beschadigd door de oorlog, met alle gevolgen van dien: woede-uitbarstingen, angst, wantrouwen, opnames in een psychiatrische kliniek. Ondanks alles waren vader en zoon bondgenoten, ze hielden onvoorwaardelijk van elkaar:

toen je al een jaar dood was, droomde ik
we zaten bij elkaar ik kuste je
we huilden in elkanders armen
ik werd wakker en je verdween

zo was het altijd geweest
onze liefde woekerde in het verborgene

zodra de zon onder was
trokken we ons terug in ons schaduwrijk
ons rijk van kogels woede en verraad
van de verhalen over het gekkenhuis
mannen die zes broeders van zich afsloegen

overdag glimlachten we tegen de dorpelingen
en deden of we ze begrepen

Zijn moeder was de rots in de branding: ondanks alle verdriet om haar man heeft zij een onverwoestbaar goed humeur. Voor de dichter is zij een levenslang voorbeeld, tot in haar dood toe: ‘het grootste wat ze je leerde / was de troost ( … ) ten slotte zelfs met haar dood / ze zuchtte even / meer was het niet / zo liet ze je zien dat een mens / kalm sterven kon’.

Het eerste gedicht gaat nog niet over een vertrek, maar over het verlangen daarnaar, in een vaag besef daarmee iets onherroepelijks te doen.

Het begin

het is een zomeravond
ik wacht tot het donker wordt
dan sluip ik het huis uit,
over de volkstuinen, over het veld
voor een sloot sta ik stil, in de koele wind.
ik kleed me uit en laat me zakken in het water
het kroos strijkt langs mijn lichaam, langs
mijn dijen, mijn geslacht. haast raak ik
de vissen en salamanders aan.
mijn voeten voelen het slijk.
ze roept me, de wellustige aarde
en naar haar wil ik toe.

Mooi is het beeld van het kroos: het maakt het water – de toekomst – onzichtbaar en tegelijk op een erotische manier voelbaar. En dan: ‘de wellustige aarde’, de belofte van het volle leven, liefde, seksualiteit.

Het afscheid vindt eerder plaats dan gedacht, niet fysiek, maar psychisch. Het is onvermijdelijk voor iemand die een opleiding begint in een omgeving waarin dat niet gebruikelijk is: dat maakt je tot een buitenstaander. Over zijn tijd op de middelbare school zegt hij: ‘je meende dat je heel wat te weten kwam / terwijl je ongemerkt dingen verspeelde / voetballen op het veldje / je oude vrienden uit het dorp ( … ) je deed toch maar eindexamen / en ontdekte dat je alles was verleerd’.  En, in een ander gedicht, over een vriendschap: ‘kwam het doordat jij koos voor de veewagen / en ik voor vestdijk? ineens // was ik je kwijt.’

Het verlangen naar een onbereikbaar verleden maakt ook het heden problematisch. In een vermakelijk fragment verraadt hij beide: als een Petrus verloochent hij een meester, Homerus en Odysseus haalt hij op humoristische wijze van hun voetstuk. De kraaiende haan blijft achterwege in dit fragment, maar is door de bijbelverwijzing toch aanwezig – en zo hoort dat ook in een landelijk dorp:

ook het verraad is niet ver, wanneer ik naar het kaatsveld loop
en op de klemmende vragen der ramen
tot drie maal toe loochen dat ik kafka ken
en stellig beweer dat homerus een boerenknecht is
uit een naburig gehucht
(zelf ben ik odysseus natuurlijk
die hier ooit zal terugkeren
om die onbehouwen vrijers hun vet te geven)

(Uit: ‘Het pleintje voor de kerk’)

Het verleden is toegankelijk als hij droomt. Een voorbeeld is ‘De reünie’, een bijeenkomst die voor hem zeer confronterend is. Het bastion is hier een beeld voor het verleden, schijnbaar onneembaar op de eerste schooldag, maar voorgoed in het volwassen leven. De opdracht die reünisten zichzelf stellen is onmogelijk.

hoe vaak ben je hier niet naar binnen gegaan
in je dromen. de conciërge luidde de bel en jij
dreef mee op de stroom

vanmiddag is alles anders
in alle gesprekken keren de dwaasheden uit je jeugd terug
ieder gezicht is een onbeantwoorde vraag
en in de kantine voel je weer iets
van die oude honger (het meisje
dat je had moeten zoenen in het fietsenhok
komt niet omdat het in nieuw-zeeland woont. nergens zie je
de jongen die je ooit schandelijk verried. de leraar
die je boeken gaf is dood)

de opdracht is onmogelijk. de school
een bastion, onneembaar
als op de dag dat je voor het eerst op het plein stond
met kloppend hart en blozende wangen. en dit keer
zal de bel je niet verlossen.

Dit gedicht is tevens een voorbeeld van de meerduidigheid van zinnen, waardoor ze een sterke geladenheid krijgen. ‘Ieder gezicht is een onbeantwoorde vraag’.  De dichter vraagt zich wellicht van een enkeling af wie hij voor zich heeft, maar van iedere persoon of hij of zij in de gesprekken hetzelfde voelt als hijzelf. Je kunt die regel echter ook lezen vanuit het oogpunt van de klasgenoot: op ieders gezicht ligt een onbeantwoorde vraag.  Een keuze uit die twee gezichtspunten is niet nodig, integendeel.

De belangrijkste herinneringen worden als minder belangrijk voorgesteld, omdat ze tussen haakjes staan – een voorbeeld van de schijnbare terloopsheid die me doet denken aan Springer. Je kunt met deze regels ook verschillende kanten op. ‘Het meisje dat je had moeten zoenen’: het lijkt op een gemiste kans die de dichter ook nu nog betreurt. Zou je deze zinsnede ook kunnen lezen als: ik kon het niet nalaten om dat meisje te zoenen? Dat ligt iets minder voor de hand, maar uitsluiten kun je het niet. Dan zou er een mogelijk verband zijn met de volgende zin: ‘ De jongen die je ooit schandelijk verried’. Deze kun je ook op twee manieren lezen: werd de dichter verraden of verried hij die jongen? En wat is het verband van deze zinsnede met ‘die oude honger’?
Juist door dit soort vragen krijgt de reünie meer diepgang.

Een voorgoed onbereikbaar verleden confronteert je met het verstrijken van de tijd. Over de betekenis van zijn poëzie schrijft Veenbaas: ‘ik schrijf gedichten / ijle illusies van het blijvende.’ Het levert fascinerende, beeldende poëzie op. Sommige regels krijgen de kracht van een aforisme: ‘het wordt pas je huis wanneer je voor het eerst / droomt dat je er rondloopt / maar woon jij dan in het huis / of woont het huis in jou?’

Mijn vader bad is een bijzondere bundel. Ik beveel hem van harte aan.

Geplaatst in Recensies.