Charles Ducal – Bewoond door iets groters

Het authentieke spreken van een maatschappelijk betrokken dichter

door Romain John van de Maele

In 2014 werd Charles Ducal de eerste Belgische Dichter des Vaderlands sinds de Franstalige Vlaming Emile Verhaeren (1855-1916). In een land waar met heel veel overdrijving surrealistische waarheden worden verkondigd en messenslijperij nooit veraf is, is het eens wat anders dan bekladde naamborden waarop de naam van een stad of dorp in meer dan één landstaal is vermeld. In dit land met drie landstalen was de aanstelling van Charles Ducal een merkwaardig moment van verlichting. Op 29 januari 2014 aanvaardde de dichter de opdracht, en hij relativeerde meteen zelf te grote verwachtingen: ‘Ontzettend veel mensen schrijven poëzie, ontzettend weinig mensen lezen ze.’ (p. 9) De secretaris van een willekeurig literair tijdschrift zal die stelling zonder aarzelen bevestigen. Ducal vroeg zich af of poëzie niet op sterven na dood is. De paradox dat er veel gedichten worden geschreven die niet worden gelezen, zou er volgens de dichter kunnen op wijzen dat ‘poëzie verre van dood of uit de tijd is.’ (p. 10)

De gedichten die tegelijkertijd in de kranten De Morgen, L’Avenir en Grenz-Echo zijn verschenen, de lezing van 29 januari 2014 en een terugblik werden gebundeld onder de titel Bewoond door iets groters, gevolgd door de titel in het Frans en het Duits. Samen met de bundel krijgt de geïnteresseerde lezer een cd (gedichten op muziek en een aantal in de drie talen voorgelezen gedichten) en een dvd (een film over Charles Ducal). De dichter benadrukte zelf dat hij ‘in een klimaat waarin bekrompen nationalisme het ene landsdeel tegen het andere uitspeelt’ zijn ‘functie in het teken [wil] stellen van de solidariteit’ tussen alle inwoners van België. (p. 10)

Het loont de moeite om de inleiding en de terugblik te lezen vóór de gedichten. Het audiovisueel materiaal bewaart men best tot na de lezing. Samen met de gedichten tonen de cd en de dvd de zinloosheid aan van een doorgedreven staatshervorming die de kunstmatige sociaal-culturele tegenstellingen bevestigt en bestendigt.

Maar laat ons samen de gedichten onder de loep nemen.

Het eerste gedicht, ‘Woord tegen woord’, volgt onmiddellijk na de inleidende beschouwing, en het vat goed de marginale positie samen die gedichten in onze hypercommunicatieve samenleving innemen. Het sprekende spreken van dichters is, in vergelijking met het herhalende spreken van opiniemakers, heel kwetsbaar: ‘Van alle woorden zijn de onze de zwakste,’ schrijft Charles Ducal, en: ‘Niemand verhoort ze, niemand verkracht ze.’ (p. 11) Het stille, bijna onopgemerkte spreken, staat tegenover de schreeuwerige woorden in kranten en weekbladen: ‘Andere woorden bewegen armen en benen, / vullen schedels, ontsteken de keel.’ Dichters spreken tot individuele lezers die ze uit hun stilzwijgen willen wekken door gebruik te maken van esthetische technieken.

In het eerste kwatrijn, waarvan ik alleen de eerste twee versregels heb geciteerd, vallen het eindrijm en de assonantie op. Dat zijn middelen die aan het sprekende spreken een andere dimensie geven en die de lezer uit zijn vastgeroest leespatroon verdrijven. Een gedicht moet gelezen en innerlijk beluisterd worden, het moet de oordeelskracht vergroten en het zelfstandige spreken ondersteunen. Het verschilt fundamenteel van de onophoudelijke woordenstroom die ons denken verdooft. Ook de massamedia zijn drugs, maar wie maalt daar om? ‘Het andere woord rijmt niet, het bewijst zonder meer / dat de werkelijkheid strookt met uw krant. / Het drukt op uw ogen, de startknop van uw tv, / en licht op. Het maakt ons duister en bang.’ (p. 11) Ook legale drugs maken uiteindelijk bang. Poëzie mag dan al een marginaal verschijnsel zijn, wie niet bang is om te lezen – en dat is niet gelijk aan woorden zwelgen – kan in gesprek treden met een dichter(es) en zo inzicht verwerven en nieuwe wegen ontdekken.

De verkrachting van het denken en het authentieke spreken, de hamerslag van de journalist… het komt allemaal aan de oppervlakte in het gedicht ‘Soldaat 1914’: ‘De hamer van de taal heeft zijn schedel gekraakt / en alle kamers ingenomen. Het is nog zijn hoofd, / maar [het] wordt nu bewoond door iets groters.’ (p. 24)

De titel van de bundel werd ontleend aan de derde versregel van het eerste terzet. Het grotere is nog te vaak een leugen, en niet eens om bestwil. Ik denk aan wat Louis Paul Boon ooit heeft geschreven. Zijn vaderland was zijn huis, samen met zijn vrouw en zijn kind, en wat steenkool om de kachel te vullen. Als er dan toch een vaderland moet zijn, is het dan niet beter voor dat vaderland te leven dan ervoor te sterven?

Charles Ducal heeft niet alleen in de taal geïnvesteerd, hij heeft ook zijn maatschappelijk huiswerk gemaakt. Ik citeer de eerste twee kwatrijnen van ‘Lied van de arbeid’. Het taalgebruik doet me denken aan Bijbelteksten en de vroege gedichten van Ben Cami (1920-2004), maar Ducal staat dichter bij de bevrijdingstheologie dan bij oude Bijbelteksten:

Nooit droeg de boom zo veel vruchten,
maar de tijden zijn hard, zegt de heer.
Hij neemt twee ladders weg, de plukkers
die blijven plukken meer.

Nooit vulden zich rijker zolders en kelders,
maar het deel van de plukkers neemt af.
Al plukken zij langer en sneller,
voor de heer is hun arbeid een last. (p. 18)

Ook hier valt weer de assonantie op. Voorts is er de bijzonder geslaagde vertaling van sociaaleconomische problemen in beelden die iedereen herkent. De plukkers zijn uiteraard een pars pro toto waarmee de dichter de arbeider van de eenentwintigste eeuw aanduidt. In die zin sluit het taalgebruik wel aan bij o.a. de Bijbelse wijngaard. En wat vooral voor de plukkers nog erger is dan het wegnemen van ladders, is de kapitaalsvlucht. Wanneer het plukken goedkoper is in verre, nieuwe boomgaarden, dan gaat de heer daar op zoek naar winst, en ‘zonder boom is een plukker een hand / in het ijle die niet meer beweegt.’ En toppunt van cynisme: wanneer in die hand in het ijle ‘dagelijks een aalmoes valt’ – lees werkloosheidsvergoeding – dan stoort ook dat de heer die zijn winst heeft opgedreven, want ‘een aalmoes maakt lui’. Het gedicht wordt afgerond met een sociaalfilosofische overweging: ‘Zo de arbeidsmarkt verdween / was er werk voor iedereen.’ Dat op de economische en maatschappelijke inzichten van Marx gebaseerde besluit slaat nagels met koppen. Arbeid is uit zijn menselijke context gerukt en koopwaar op een markt waar handen en heren met ongelijke middelen tegenover elkaar staan.

Ook in het gedicht ‘Koopkracht’ (p. 33), geschreven naar aanleiding van de ‘Werelddag tegen armoede’ (17 oktober 2014), wordt aan een Bijbels verhaal ( Exodus 32:1-35) gerefereerd. In het gedicht van Ducal is het God die ‘vloeibaar goud’ wordt, en ‘wie het kan wordt vloeibaar als God zelf / … / Wie het niet kan wordt onbestaand’. Ook ‘As in de mond’ herinnert aan Bijbelverhalen: ‘Ja, jij, Israël, // bent nu eenmaal beter. Het staat geschreven in Het Boek’. (p. 27) Ducal is geen negationist, maar een kritische observator die beide ogen gebruikt. Hij laat niet toe dat geleden onrecht vandaag nieuw onrecht aan de vragende blik wil onttrekken. Wat in bezette gebieden gebeurt, is qua gruwel en omvang niet te vergelijken met wat de namen Treblinka en Dachau oproepen, maar: ‘wie onder je bossen, je wegen, je steden / het oude dorp nog hoort schreeuwen, / krijgt as in de mond.’ (p. 27) Mag onrecht met onrecht worden vergolden? Is vergelding überhaupt aanvaardbaar?

Ook in gedichten als ‘Bevrijding 1945’ (p. 42), ‘Vluchtelingen’ (p. 45-46), ‘Oude vrouw’ (p. 54), ‘Rekruten 1914’ (p. 62) en ‘Papavers’ (p.70) ontmoet men een maatschappelijk betrokken dichter. Naast de betrokkenheid valt steeds weer de grote taalbeheersing van de dichter op, zoals blijkt uit het eerste kwatrijn van ‘Papavers’: ‘De generaal ploegt het land om / met granaten en zaait dan zijn soldaten uit, / die in de lente zullen bloeien als papavers / als de koningin verschijnt op het balkon.’ De bittere uitkomst, de gebaren van de koningin en de ontroering van de generaal – na de oorlog –, zijn niet eens een doekje voor het bloeden.

Bewoond door iets groters doet me, wat de betrokkenheid betreft, aan Lente in Vorst (1976) van Stefaan van den Bremt en aan gedichten van Ludo Abicht (in de jaren ’60-70’) denken, maar de bundel van Charles Ducal getuigt zelf van iets groters: de wil om te spreken over wat ondergesproken wordt of onbespreekbaar is. Zijn taalgevoel en zijn verwoording voorkomen dat zijn spreken in slagzinnen ontaardt.

Literatuursociologisch behoort de bundel tot de categorie ‘werken geschreven in opdracht’, maar bij het lezen van de gedichten valt dat niet op. De gedichten zijn inderdaad bewoond door iets groters, ze zijn het werk van een geboren waarnemer die bovendien zijn waarnemingen op een toegankelijke wijze kan verwoorden.

***

Charles Ducal (1952) is het pseudoniem van Frans Dumortier. Hij studeerde Germaanse filologie en was tijdens zijn studietijd betrokken bij de Marxistisch-Leninistische Beweging. Hij was gedurende 37 jaar leraar Nederlands in het Sint-Albertuscollege (Heverlee) en debuteerde in 1987 met de bundel Het huwelijk. Zoals in Bewoond door iets groters bevat ook de debuutbundel referenties aan Bijbelse teksten. Ducal werd meermaals onderscheiden, o.a. met de Prijs van de Vlaamse Provincies, de Guido Gezelleprijs, de Herman de Conickprijs en de Karel van de Woestijneprijs.

 

Geplaatst in Recensies.