Johanna Geels – Vuurmakers

De hunkering naar overstemmende gevoelens

door Levity Peters

Na lezing van de dichtbundel Vuurmakers van Johanna Geels is er iets wat ik mij regelmatig afvraag, iets wat niets te maken heeft met het literaire gehalte van de bundel: hoe komt iemand tot SM? Dat is mijzelf namelijk compleet vreemd. Dat er zeer velen zijn die die tendens wel kennen en volgen, blijkt uit het wereldwijde succes van ’50 tinten grijs’. Een vriendin van mij bezwoer mij dat het iets heel moois is, dat je als partners compleet vertrouwen moet hebben in elkaar, en dat het liefdesspel enorm wordt geïntensiveerd door de rollen die worden gespeeld.
Spel? Ik denk dat je het beter ‘ritueel’ kunt noemen, dat het feitelijk een herhaling is van een oergebeuren dat zich in de vroege kindertijd heeft afgespeeld, en dat het de ervaringen die als  klein kind zijn ondergaan poogt te integreren in het bestaan. Een herhalingsdrang dus, wellicht herhalingsdwang.
Voor mij blijft het vreemd, dat pijn, die normaliter wordt vermeden, omdat ze signaal is van gevaar, omdat er een schending plaatsvindt van de lichamelijke integriteit, en omdat die gevoelens van angst en vernedering met zich meebrengt, wordt gezocht om lust te beleven. Niet alleen de rol van horige is mij vreemd, ook die van meester. Toen mij daar ooit om werd gevraagd, bezorgde het mij, terwijl ik mij de rol probeerde in te leven, lachstuipen. Ik voelde mij volslagen debiel. Tot grote ergernis van mijn beoogde slachtoffer.
Dan hebben we het nog niet over bondage gehad. Vanuit welke behoefte voed je jezelf met onmacht?

Natuurlijk mogen al die vormen van seksualiteitsbeleving bestaan. Ieder zijn vrijheid om naar eigen behoeften te leven. Maar wanneer we het over literatuur hebben, dan is er niet alleen sprake van een tekst, maar ook van een ervaringswereld waar die tekst op betrokken is. Dan komen ook persoonlijke smaak en opvattingen aan de orde. Ik geef dus respons vanuit mijn persoonlijk gevoels- en ervaringswereld. Zo zijn we dan weer terug bij Johanna Geels.

1

We werden wakker
nadat de dood was ingehaald
jij, met je gelijmde kop
fluisterde in mijn oor
wat je allemaal met mij ging doen
ik hoorde mijn mignonmondje terugflemen
terwijl je mijn haren strak bijeenbond
in je hand

je siste dat ik van jou was
en ja ik ben van jou ik was van jou, lief
ik ben nooit niet van jou geweest

doop je penseel
in naar amber ruikende inkt
klem het strak tussen mijn tanden
want er rest niets dan zwijgen
wanneer jouw hand
de opgestapelde winterkou
dwingendzacht
uit mijn borsten jaagt

Ik krijg de indruk dat de dichteres zo dicht mogelijk bij een reële ervaring wilde blijven. Dat het gedicht in een roes geschreven is. Hoe bestaat het anders dat de derde regel van de derde strofe:
‘(..) klem het strak tussen mijn tanden/’, niet aansluit op wat daar direct aan vooraf gaat, maar wel op de strak bijeengebonden haren uit de eerste strofe?
Het gedicht is beslist unheimisch: ‘nadat de dood was ingehaald/ jij, met je gelijmde kop/’ – was de ‘hij’ door haar opengekrabd? Of was het een masker?
Dit is nog een opvallend feit: we worden op de hoogte gesteld van de handelingen van de minnaar, maar over haar acties en gevoelens lezen we niets. Haar mignonmondje mag flemen, (mignon is Frans voor ‘lief’) maar we lezen niet wat. Van zijn gevoelens kennen we alleen zijn behoefte aan macht… Wat mij opnieuw tot de overtuiging brengt dat dit gedicht in een roes geschreven moet zijn, en daarna niet goed meer herlezen. Het riep alleen die ervaring weer voor haar op. Want alleen zijzelf kan het haar tussen haar tanden klemmen, waarop alleen maar had kunnen volgen: want ik moet zwijgen. Wat beter past in de context.

Het is de dynamiek van haar gedichten, die je zo gemakkelijk meeneemt, dat je snel vergeet wat en waarover en hoe zij werkelijk schrijft:

XX

Natuurlijk gaat iedereen dood
die en die en die
terwijl jij mij zorgvuldig inbakert
met lasso’s en boeien
voor de nacht
waarin de kelnervogels, de sjacheraars
hijgerig vanuit het koperwerk toekijken
met hun bladen vol wit poeder en dollarbriefjes

hoor je me kreunen, zo netjes gedempt achter je hand
die zojuist nog ziltig geil tussen mijn benen
en hoe je door me heen stort
voluit
door huid harses bloed spieren botten harses huid
zo hou ik van je
om dat grenzeloze reizen
niet van dat plichtmatige vertrekken
dat zouteloze arriveren
nee, reizen
dwars door alle waarschuwingsborden, helverlichte gangen
zompige zuigwanden en elektrisch geladen wolkenmuien heen

De eerste twee regels hebben ogenschijnlijk niets te maken met de rest van het gedicht, waarin, blijkbaar in een nachtclub, publiekelijk, met haar een bondage-act wordt opgevoerd.
Wat mij in de negatie van haar gevoelsleven het meeste opvalt is het verlangen om helemaal niets te zijn: ‘(..) en hoe je door mij heen stort/(..)’, schrijft Johanna Geels. Dit gaat verder dan de gewone dood, dit is de wens onkwetsbaar en onsterfelijk te zijn. Weg van alles wat je juist menselijk maakt, emotioneel, sensitief, kwetsbaar.
Ik bedoel hiermee niet dat Johanna Geels dat niet allemaal zou zijn. Integendeel. Zonder die ingrediënten geen poëzie. Ik zie alleen haar hunkering om weg te komen uit de beperktheid en lauwheid van het menselijk bestaan. Zij wil juist meer voelen, of juist anders voelen dan in een alledaags menselijk leven. Zij wil geïntensiveerde machteloosheid, een via onderwerping verhevigd bestaan. Zelfs de seks, (toch de drug bij uitstek) die wordt gezien als: ‘/dat plichtmatige vertrekken/ dat zouteloze arriveren/’, moet grenzeloos reizen worden. Haar grenzen dienen overschreden te worden. Zij wil grenzeloos zijn. Waarbij zij gemakshalve vergeet dat ook de SM die zij ondergaat aan rituele handelingen gebonden is: de mogelijkheden van een lichaam en wat er met een lichaam mogelijk is te doen, zijn beperkt. Vanuit je verlangen wensen om gedood te worden is wel erg radicaal…
Maar het is dat verlangen naar onvernietigbare kracht, die zij ervaart bij alles wat er met haar wordt uitgehaald, dat het leven voor haar aanvaardbaar en draaglijk maakt.
In het laatste gedicht van de bundel krijgt de onderwerping een plaats in een alledaagse setting. Ook hier weer leemtes in de tekst die het bijna onmogelijk maken om je voor te stellen wat zij precies beschrijft:

XXII

Niemand slaat alarm vandaag
niemand die jouw hand tussen mijn benen voelt gaan
de vinger die zacht bij me naar binnen glijdt
hier op het hard verbrande veld
waar we bijna niet kunnen bestaan
gedachten als dwingende kleuters door elkaar heen gillen
tot jij je met een luie grijns omdraait
je warmzoute hand om mijn hals legt
mij je vingers laat aflikken
mijn rok recht trekt
opstaat
zegt, dat we verder gaan

Zit hij voor haar op de grond, met zijn hand onder haar rok? Waarom schrijft zij dan dat hij zich omdraait? Bedoelt zij dat hij kenbaar wordt, zich blootgeeft met zijn lauwe grijns?
‘Niemand slaat alarm vandaag/’ schrijft Johanna, ‘niemand die jouw hand tussen mijn benen voelt gaan/ de vinger die zacht bij me naar binnen glijdt/ hier op het hard verbrande veld/ waar we bijna niet kunnen bestaan/(..)’.
Johanna zelf is blijkbaar al afwezig. Als van buitenaf neemt zij waar wat er met haar gebeurt. Ze is het blijkbaar gewoon dat er door niemand (die zij zelf is!) alarm wordt geslagen, waar blijkbaar wel reden voor is.
Het heeft iets droomachtigs, zoals haar schrijven iets wegheeft van het automatische schrift van de surrealisten.
De logica van dit schrijven is een meer innerlijke, wat door het vaak dwingende ritme van haar gedichten wordt geaccentueerd. Maar de sfeer van de gedichten is echt, die maakt de noodzaak voor haar van het schrijven van de gedichten invoelbaar. Of dat sterke literatuur oplevert is iets anders. Dat zij schrijven, goed schrijven kan is duidelijk, maar ook dat zij teveel door haar existentiële nood wordt gedicteerd. Door meer van een afstand naar haar teksten te kijken, niet slechts of het grammaticaal klopt, maar ook beeldend; niet afgeleid door haar verlangens en erotische behoeften, en niet in verwarring gebracht door de strijd tussen wens en werkelijkheid, zou Johanna Geels haar poëzie op een hoger niveau kunnen brengen.

***

Johanna Geels publiceerde vier dichtbundels: Tuig (2008), Detox (2010) Wildberichten (2014) . In mei 2015 verscheen Ongearticuleerd gorgelen, een verzameling literaire columns waarvan een deel eerder werd gepubliceerd bij HP/DeTijd. Haar debuut Tuig werd genomineerd voor de C.Buddingh’-prijs.

Geplaatst in Recensies.