Alsof brood ergens ‘groeit’

Ofran Badakhshani (1982) kwam als 13-jarige vluchteling in z’n eentje uit Afghanistan naar Nederland. Hij studeerde hier politicologie en filosofie, doet momenteel promotieonderzoek en drijft een wijnzaak in Den Haag. Badakhshani publiceerde diverse dichtbundels in het Perzisch, voordat hij eind 2015 ‘debuteerde’ met het Nederlandstalige De banneling (Uitgeverij Kontrast). Sander de Vaan spr@k met hem over lange winternachten, ontwakende dichters, tarwe, bakkers met de handen onder het deeg, Nietzsche en nog veel meer.

Wat zijn je meest dierbare herinneringen aan je jeugd in Afghanistan?
De provincie, Badakhshan, waar ik vandaan kom, staat bekend als de wieg der literatuur en mystiek. Badakhshan heeft een eeuwenoude traditie van voorlezen, gedichten uit je hoofd leren en verhalen vertellen. Vooral in de lange winternachten verzamelt men zich rond vuren en beginnen jong en oud om de beurt te lezen en te vertellen. Daar schuilen mijn mooiste herinneringen: de strijd tussen mijn slaap en de zoetheid van de Perzische heldenverhalen, de kinderlijke nieuwsgierigheid en de begeerte om meer te weten te komen en te horen…
Als kind heb ik voor een redelijk grote familie moeten zorgen. Ook aan de arbeid heb ik mooie herinneringen. In arbeid zit waardigheid, zeiden de ouderen in het dorp. Als kind heb ik amper kunnen spelen. Daar was het leven te serieus voor. Maar ook dat harde werken heb ik lief gehad en ik kijk nu lachend terug op die zware dagen. Aan de gesprekken met mijn moeder, die zelf ongeletterd is maar veel gedichten en verhalen uit haar hoofd kent, heb ik eveneens mooie herinneringen.
Mijn reizen met mijn vader naar andere delen van Badakhshan, zijn lessen over hoe ik moest ploegen en zaaien, hoe en wanneer je het beste kunt enten – ook dat is mij allemaal dierbaar. Hij was een militair, maar hij heeft mij nooit leren schieten. Van hem heb ik geleerd het leven te respecteren.

Wilde je ook toen al dichter worden?
Als de ouderen in het dorp bijvoorbeeld over de Sjahnama (Het boek der Koningen) van Ferdausi, of over Rumi, Hafez, Sa’adi, Attar of andere Perzische grootheden spraken, zeiden ze: ‘Zij zijn ontwaakt’. Hoewel ik er als kind totaal geen idee van had wat dat inhield, wilde ik graag zoals zij ontwaken om voor de eeuwigheid aan de dood te ontsnappen. Dat werd namelijk over hen gezegd…
Dan las ik de verhalen uit de Masnavi van Rumi, of uit de De samenspraak van de vogels van Attar en probeerde zoveel mogelijk te begrijpen. Soms gingen we in groepen naar de ouderen om uitleg te vragen over bepaalde verhalen. Om een lang verhaal kort te houden: ik hoopte altijd wel een goede dichter te worden, maar dat durfde ik nooit hardop te zeggen. Want een goede dichter was en is ook bescheiden…

Kun je misschien een paar verzen citeren van bijvoorbeeld Rumi of een andere dichter die je bijzonder aanspreken?
Ik ken grote delen van hun werken uit mijn hoofd, in het Perzisch uiteraard. Het vertalen daarvan wordt een beetje lastig. Ook ken ik complete verhalen uit de Sjahnama, de ruggengraat van de Perzische taal en literatuur. Wat mij altijd is bijgebleven is het verhaal van de Samenspraak der Vogels. In dat verhaal komt een groot aantal vogels bijeen en één vogel probeert de rest ervan te overtuigen dat zij een Koning moeten hebben en dat zij op zoek moeten gaan naar hun Koning, Simorgh. Simorgh is een legendarische vogel in de Perzische literatuur en cultuur. Simorgh speelt ook in de Sjahnama een centrale rol en de naam betekent Si = dertig en Morgh = vogels.
Op zoek naar hun koning vliegen zij over de zeven valleien. Dat wil zeggen de zeven mystieke stadia, namelijk de vallei der zoektocht, de vallei der liefde, de vallei van de kennis/het inzicht, de vallei der absolute onaandoenlijkheid, de vallei der eenheid, de vallei der verbijstering en de vallei der armoede. Aan het einde van hun reis blijven er maar dertig vogels over. Ze vliegen over de zee en zien zichzelf in het water en komen zo tot de ontdekking dat zij zélf de Simorgh zijn… En er zijn nog veel meer mooie verhalen, zoals ‘Het verhaal van Rabia’, ‘Het verhaal van Rostam en Sohrab’…

Wat betekent poëzie voor jou?
Dit blijft een lastige vraag. Poëzie is voor mij het enige rijk waarin ik in alle vrijheid en onbegrensd mezelf kan zijn en blijven. Het is het enige rijk waarin ik aan de structuren kan ontsnappen, waarin ik niet hoef te buigen voor de regels van de taal, waarin ik de taal kan uitdagen. Het is het rijk waarin ik kan scheppen. En de vrijheid die dat met zich meebrengt is onbeschrijfelijk. Poëzie helpt mij om mezelf keer op keer te veroveren en te boven te gaan. Poëzie is een goede vriend, zowel in de zoektocht naar (en toch ook in) mezelf. Poëzie, kunst in het algemeen wellicht, is het bewijs dat het menselijke creatieve vermogen om schoonheid te scheppen onbegrensd en oneindig is.

En wat is volgens jou het verschil tussen een goed gedicht en een prachtig gedicht?
Voor mij is een prachtig gedicht één waarin de vrijheid niet aan de lezer ontnomen is. Een gedicht, denk ik soms, wordt pas volmaakt in de geest van de lezer. Ik geef enkel de middelen, in dit geval een aantal woorden, soms in een willekeurige volgorde en soms niet. Mijn gedichten zijn daarom nooit af, wanneer ik ze opschrijf. Om niet af te dwalen: gedichten worden in vrijheid geboren, terwijl de dichter onvrij kan zijn. Gedichten kiezen hun eigen weg en vorm.

In je nieuwste bundel, De Banneling , schrijf je dat je graag met Nietzsche koffie had willen drinken. Waarom juist met hem?
In mijn intellectuele opvoeding is Nietzsche ontzettend belangrijk geweest. Ik kwam zo rond mijn twintigste (vrij laat dus) in aanraking met zijn werken. Ik word graag aangetrokken door totale waanzin en een bepaald soort radicaliteit in het denken. Zijn belangrijkste ontdekking bijvoorbeeld is de dood van God, met als gevolg dat wij de zee leeg hebben gedronken en de horizon hebben weggeveegd. En de vragen die hij daarbij stelt: “Wat hebben wij gedaan toen wij deze aarde van haar zon los koppelden? In welke richting beweegt zij zich nu? In welke richting bewegen wij ons? (…), dolen wij niet als door een oneindig niets? Is het niet kouder geworden? Is niet voortdurend de nacht en steeds meer nacht in aantocht? (…) God is dood! God blijft dood! En wij hebben hem gedood…,”.

Na de dood van God, probeert hij met zijn veel bediscussieerde notie van de Übermensch een beeld te schetsen van de mens die in staat is zichzelf te overwinnen. Deze toekomstsmens zal van de dood van God geen last hebben. De Übermensch omarmt de zinloosheid van het leven zonder eraan te lijden. In Also sprach Zarathustra, zien we hoe deze toekomstsmens steeds in staat wordt gesteld zichzelf te overwinnen. Daar leren we hem kennen. Zarathustra is de mens waar Nietzsche naar streeft.

Precies honderd jaar voor mijn geboorte werd het boek Die fröhliche Wissenschaft gepubliceerd, waarin God dood wordt verklaard. Vandaag, 133 jaar na de doodverklaring van God, blijkt de Übermensch er nog steeds niet te zijn. Het menselijke onvermogen vrij te zijn en het menselijke onvermogen te veranderen blijken de overhand te houden.

Onder het genot van een kop koffie, zou ik dit allemaal met hem kunnen bespreken. Misschien zou ik hem ook een beetje kunnen opvrolijken. Misschien zou ik hem ervan kunnen overtuigen hoe geweldig het Nederlandse kroegenleven is. Wie weet, misschien was hij bereid geweest om toch nog een biertje met mij te drinken.

Wat verderop schrijf je in een gedicht dat honger de moedertaal van kinderen in Afrika en Azië is:

Moeders van de wereld
huilen in een taal
maar het lachen
wordt nergens vertaald

Wij lijken zoveel op elkaar

De zorg over het dagelijks brood
in Afghanistan
Somalië
Sierra Leone
berooft vaders
op dezelfde wijze van slaap

Honger
de moedertaal van kinderen
in Afrika
en Azië
Wij lijken zoveel op elkaar

Jij woont inmiddels al twintig jaar in Nederland. Denk je dat wij Westerlingen ons eigenlijk wel voldoende bewust van onze rijkdom zijn?
Er zijn gelukkig nog steeds mensen die ook hier in Europa oorlog en armoede mee hebben gemaakt. Maar voor velen onder ons is alles zo vanzelfsprekend geworden dat wij amper stil staan bij ons doen en laten. Het is niet alleen oorlog en armoede, wij zijn zover van alles verwijderd. Wanneer hebben we, bijvoorbeeld, voor het laatst een bakker gezien met zijn handen onder het deeg? Wanneer hebben wij voor het laatst een graanveld gezien? Wij zijn vervreemd. Tarwe zien we amper. Het is soms alsof brood ergens groeit. We treffen het enkel voorgesneden en netjes verpakt aan in de supermarkt. Het was niet alleen de armoede die brood zo bijzonder maakte voor mij. Het was ook mijn betrokkenheid bij het ploegen, kweken, maaien, oogsten en malen dat dat brood tot zo’n mooi verhaal maakte. Trouwens wel een verhaal waar ik nooit genoeg van kreeg.

Hoe heb jij trouwens je komst naar ons koude kikkerlandje ervaren?
Ik schrok echt van de Hollandse gastvrijheid en dat er met ‘wil je een koekje’ ook echt één koekje wordt bedoeld. Verder moest ik wennen aan de directheid van de toen nog Nederlanders (nu landgenoten). Maar dat er zoveel boeken waren, dat ik onbeperkt naar de bibliotheek kon en dat ik boeken kon lenen, dat er altijd wat te leren viel, die leergierigheid en nieuwsgierigheid – wat ook erg Perzisch is – vond ik toch wel zalig!

Hielp de Hollandse regen en wind je te ‘ontwaken’ als dichter, of was je sowieso wel gedichten gaan schrijven?
Gedichten schreef ik al voor mijn komst naar Nederland. Ik ben hier blijven schrijven, maar in het Perzisch. Mijn mooiste gesprekken met Amsterdam heb ik in het Perzisch gevoerd. Amsterdam spreekt vloeiend Perzisch. Daar kent Amsterdam mij van. Ik ben haar Perzische herinnering.

Ofran Badakhshani: De banneling.
ISBN 978-94-90834-93-7
Uitgeverij Kontrast
€ 15,00

Geplaatst in Interviews.