Herlinda Vekemans – Kwartet voor het einde van de tijd

Vogels onttrokken zich al die tijd aan de afgrond

door Romain John van de Maele

Herlinda Vekemans (1961) heeft zich voor haar nieuwe bundel laten inpalmen door de muziek van Olivier Messiaen (1908-1992). De titel van de bundel is een vertaling van Quatuor pour la fin du temps, een van Messiaens meest uitgevoerde composities. Deze Franse componist, die meer dan een halve eeuw het orgel van de Trinitékerk in Parijs bespeelde, was gefascineerd door vogels en maakte overal ter wereld opnames van vogelgezang. Klinkt het geluid van de vogels door in de gedichten van Vekemans?
Ze publiceerde eerder de bundels Versneden (2005), Buiging (2006) waarvoor ze inspiratie zocht in de muziek van D.D. Sjostakovitsj, en Schrikdraad (2011). Ze werkte mee aan Vlaamse en Nederlandse tijdschriften, en bracht in november 2015 hulde aan Joop Leibbrand door een van zijn ‘Waterpasgedichten’ in haar blog op te nemen. Ook in dat gedicht komen vogels aan bod, maar dan wel als nestbouwers. En misschien is het precies die functie die componisten en dichters met vogels delen. Ook een bundel en een compositie zijn het resultaat van geduldig bouwen. Men zou een dichtbundel als een nest kunnen beschouwen, en gedichten als eieren die later door lezers worden uitgebroed. Dichters gedragen zich trouwens ook wel eens als een koekoeksjong: ze laten zich soms onbewust ‘voederen’ door andere dichters. In de literatuurwetenschap heet dit verschijnsel intertekstualiteit.

De nieuwe bundel is een verzorgde uitgave en is geïllustreerd met foto’s van het interieur en het orgel van de Trinitékerk en de stad. Voorts bevat de bundel een kort overzicht van Messiaens leven en een verantwoording van enkele gedichten zoals ‘Verblinding’, dat een collage is van ‘internetsnippers, o.a. van computervertalingen van reisadvieswebsites.’ (p. 56) Vekemans schrikt dus niet terug voor het gebruik van readymades en voor een experimentele aanpak. De bundel bestaat uit vier cycli en beantwoordt op die manier aan de titel en aan de compositie van Messiaen. Het formele aspect van de gedichten kan niet met één enkel begrip worden toegelicht. Soms maakt de dichteres gebruik van zeer verschillende strofen, maar er zijn ook gedichten die uit één lange, doorlopende reeks versregels bestaan. Opvallend is de bijna geheel afwezige interpunctie, zodat je als lezer zelf op zoek moet gaan naar het begin- en het eindwoord van een periode. Doordat de prosodie goed aansluit bij het dagelijkse (en alledaagse) taalgebruik valt het afgrenswerk wel mee, al zijn sommige opsommende versregels net iets te lang.

Vekemans opent de bundel met een zeer sterk gedicht dat ‘Kleine studie van onvaste verbindingen’ heet. Die titel wordt meer dan één keer gebruikt. (p. 20, p. 30, p. 40) De essentie baadt in de contingentie. Water is noodzakelijk – essentieel – voor het leven, maar de mist die o.a. uit water bestaat is een onvaste verbinding. Dat is een ware maar niet noodzakelijke ervaring. De mens kan het zonder mist stellen, of anders gezegd: niet elke ware ervaring is noodzakelijk. Toch kan de mist ‘bepalend’ zijn voor het beeld van een dag of een moment, bepalend voor de ervaring van het essentiële:

 Verbinding van licht en mist

De combinatie van water is er een van licht en mist
schimmen van ganzen in wat nog restte van de nacht
niet meegerekend was dat alles wat bestond

de lichtmist met een diameter ter grootte van de vijver hier en nu
en er onaards boven de dichtwitte bol van de ochtend
als de meeuw die zijn wit
uit het wit weg beweegt en het dofblinde
moeizame licht van de mist langzaam inlost

het trage licht verdaagt
– als een opgeschorte straf –
het schrille van de dag (p. 8)

‘Alles wat bestond’ hoort ‘bij hier en nu’ en de verbinding onttrekt de essentie aan het gezicht. De dichteres maakt de vergankelijkheid, de tijdelijkheid van de ervaring duidelijk. Achter de mist strekken de wereld en het zijn zich uit als verborgen essentie.

In de verwoorde wereld van Vekemans zijn zoals verwacht vogels vrij opvallend aanwezig. In ‘Olivier Messiaen’ luidt de eerste versregel: ‘Zijn eerste vogel was een duif.’ (9) Het is echter niet zomaar een duif, het is een duif die als ‘een heilige geest’ de slaap van de componist binnen wiekt. Messiaen was een overtuigd gelovige die het scheppingsverhaal en de daarbij horende symbolen kende. In het vierde gedicht wordt het ‘purgatorium’ vermeld. (11) Ik weet niet of het vagevuur – of een gelijkaardig stadium – ook in andere religies voorkomt.
Het derde gedicht plaatste Vekemans onder de titel ‘Vogels in bogen’. In dat gedicht duiken een paar nieuwe woorden op: ‘knitsbikwikkerende zwaluwen in vliegelingenvlucht.’ (10) Ook kolibries hebben een plaats gekregen in de opwiekende gedichten: ‘Vleugels, uit alle verten vliegen kolibries aan…’ (p. 35) Zelfs ‘halsbandparkieten uit de Himalaya nemen hun intrek in parken.’ (p. 36) Wie geduldig leest, kan ook kennis maken met ‘roodsnavelossepikkers’ en ‘geelsnaveligen’, en vogels die in Europa al langer vliegrecht hebben: mussen, merels, nachtegalen en leeuweriken. In ‘Sprookje van de grote vogelpiano’ (p. 33) worden ze niet in de meervoudsvorm vermeld, ze zijn aanwezig als soort die met een specifieke melodie worden geassocieerd.

De volgende tekst, ‘Verblinding’, is een combinatie van bestaande teksten en bestaat uit fragmenten die de dichteres uit Engelse en Franse publicaties heeft geplukt. Of de Nederlandstalige ‘versregels’ van Vekemans’ hand zijn, of wellicht uit een mij onbekend nest werden ‘geroofd’, is niet duidelijk. Wat wel opvalt is de brede oriëntatie van Vekemans die naar cultuurhistorische figuren zoals Gandhi verwijst en tegelijkertijd gretig gebruik maakt van natuurbeelden en een duidelijk leidmotief: ‘Kleine studie van onvaste verbindingen’. Elke cyclus wordt ingeleid met de kleine studie, en om het contingente te benadrukken, heeft Vekemans het over ‘Verbinding van verlies’ (p. 20), ‘Verbinding van vlakken’ (p. 30) en ‘Verbinding van stilte’ (p. 40). Alleen het ‘Naschrift’, geschreven na de dood van de vader, die een hammondorgelspeler was, laat de contingente verbindingen onaangeroerd. Bij het overlijden van een geliefd persoon is er als het ware geen ruimte voor toevalligheid. De dood is onomkeerbaar en absoluut: ‘… je blik is plaats noch tijd geworden / misschien was het aflossing.’ (p. 55) De schrijfster slaagt er niet in de essentie van de overtocht in woorden te vatten, want het was ‘niet dat er nog woorden over waren.’ (p. 55)

Het lijkt erop dat de dichteres zich samen met de veelvuldig aanwezige vogels los heeft gezongen uit de toevalligheid der dagen om zo beter door te kunnen dringen tot wat essentieel is in en voor het leven. Kwartet voor het einde van de tijd is een sterke en harmonische bundel, al gebruikt Vekemans wel eens een beeld dat niet helemaal past in de opvallend sobere – soms sacrale – verwoording. Dat de stoffelijke resten van God – met hoofdletter – ‘als stukjes Berlijnse muur / over de hele wereld verspreid’ raakten (p. 49) vind ik te gezocht. Ook het gebruik van het begrip ‘nationale weg’ (p.20) had vermeden kunnen worden, er bestaat immers een Nederlands equivalent: rijksweg. Het zijn kleinigheden die mijn oprechte waardering voor de bundel niet kunnen temperen. Immers ‘vogels onttrokken zich al de tijd [dat Vekemans schreef en ik las] aan de afgrond.’ (p. 21)

Geplaatst in Recensies.