Ingmar Heytze – Voor de liefste onbekende

Een voedzame maaltijd voor een hongerige lezer

door Johan Reijmerink

Een dichter kan zijn verzen obscuur maken door zich te verliezen in een taal die voornamelijk naar zichzelf verwijst. Dat zou de honger van de lezer moeten stimuleren, terwijl hij zoekt maar niet vindt. Heldere passages met verwijzingen naar de werkelijkheid van alledag daarentegen zouden hem verzadigen en loom en traag maken. Niets wat er door de lezer uit obscure poëzie kan worden opgediept, ontstijgt echter de kennis die in de meest heldere teksten kan worden teruggelezen. Daarom concludeert René Huigen in zijn essay Dageraad der duisterlingen terecht dat we poëzie zo dienen te begrijpen dat ze onze honger stimuleert, en ons ook iets te eten geeft. Dit laatste gaat in beider opzicht volkomen op voor de poëzie van de dichter Ingmar Heytze in zijn nieuwe verzamelbundel Voor de liefste onbekende (2016).
Als ik zijn poëzie lees, hoor ik zijn fysieke stem erin opklinken. Op de avond van de presentatie in De Kleine Komedie werd opnieuw mijn indruk bevestigd dat deze dichter op en top een entertainer in de goede zin van het woord is. Of je nu zijn verzen leest of dat je ze hoort uitgesproken worden door hemzelf, hij weet zichzelf en zijn publiek te enthousiasmeren. Hij is zeer in staat aan zijn poëzie ritme en welluidendheid mee te geven. Hij weet dicht bij de adem van de spreektaal te blijven. Dat draagt er mede toe bij dat je je sterk betrokken voelt bij wat hij te vertellen heeft. Zijn vorm, metaforiek en inhoud zijn helder. In zijn lichtvoetigheid en directheid van zeggen heeft hij me opnieuw in de ban van zijn vakmanschap weten te brengen.
Laat ik zijn helderheid, zijn metaforiek, zijn achteloosheid en trefzekerheid illustreren aan de hand van enkele gedichten uit zijn verzamelbundel. Deze poëzie kan, zoals de dichter zelf zegt op de achterflap, op verloren momenten worden gelezen op vliegvelden en stations en kan worden meegenomen in handtas of rugzak.

Zoals hij in de bundel Sta op en wankel (1999) zijn wankelmoedigheid op het pad der liefde in het openingsgedicht ‘Hart voor steen’ verwoordt, hult het in zijn uitbeelding niets in duisternis. Hij werkt hier de situatie zeer bewegelijk en in emotionele kleurschakeringen uit, zoals die ‘jonge goden met te veel talent’ en ‘de plundering van hunkering / in onverwachte meisjesogen’:

Vliegende kameleons en vlinders
die van kleur verschieten,
jonge goden met te veel talent
voor de verkeerde dingen,
– wanhoop, twijfel, duizelingen –
dat is het probleem met ons.

De plundering van hunkering
in onverwachte meisjesogen
valt voortdurend zwaarder
dan verwacht – één nacht
van scherp genot is goed
voor weken zelfverwijt.

Het zelfverwijt en het zelfinzicht van het lyrisch subject strijden hier om de voorrang: ‘lachen door je tranen heen/ en drinken tot je niets meer voelt -/ steen voor hart en hart voor steen.//’.
Dit ‘dichtertje’ kijkt in het gedicht ‘Noach’ uit dezelfde bundel angstig om zich heen, trekt zich bij tijd en wijle uit de wereld terug: ‘Je maakt gelukkig weinig mee,/ je steelt het leven bij elkaar uit boeken/ mijmert rustig voor je uit/ en vouwt wat bootjes van papier.//’ Hoe poëzie tot stand komt, heeft hem zijn hele dichterschap telkens weer gefascineerd. In de bundel Aan de bruid (2000) staat het gedicht ‘Hang- en sluitwerk’. Daarin gaat Heytze daarop in door heel doordacht verzen te construeren of ze ogenschijnlijk achteloos uit de pen te laten vloeien:

Hoeveel manieren van dichten
kent de wereld, of hoe weinig maar:
superieur ingenieurswerk met woorden,
de kosmisch bewogen gevoelige snaar,
de inktvraat van het onttoverd citaat
of schaarse woorden in een wit ravijn.

Men kan ook, met minder omhaal,
van de taal een werkplaats maken,
verzen hup in haken hangen,
kloppen aan ritme en vijlen aan klank,
iets fluiten tegen verzwegen pijn,
zo nu en dan gelukkig zijn.

Heytze draagt beide werkwijzen in zich. In het proza-achtige gedicht ‘Parfum of palfium’ uit dezelfde bundel zegt hij het nog eens op een andere manier:

Luister naar de dichter, want ik sta met je te praten & ik zeg
je jij doet dingen die je ook had kunnen laten ik woon niet
in een getto & ik leef niet als een schurk met een strot vol
grote woorden & de diepgang van een kurk ik hou niet van
die dieventaal waar jij je van bedient

Heytze wil zo’n dichter zijn, die dicht bij zijn hoorders en lezers staat. Niet de duisternis maar de helderheid van woorden moeten het resultaat zijn van zijn slaan op het aambeeld van de taal.
Op ludieke maar doeltreffende manier weet Heytze zijn worsteling met het scheppen en uitzeggen van poëzie speels, verrassend en beeldrijk neer te zetten. Het gedicht ‘Poëtisch spreekuur’ is daarvan eveneens een mooi voorbeeld:

Meneer ik heb zo’n last van een enjambement
bij mijn knie en zeg ik A dan volgt vanzelf
het hele alfabet dwangmatig brakend ook
vermoed ik een elisie bij mijn huig wanneer
ik hier druk rijmt het daar want aandrang
rijmdwang hoort u wel daar ging ik waar weer
alliteratie word ik haast Homerisch van

Alsof hij een gewone lezer aanspreekt – zo komt hij dikwijls zijn gedicht binnen – blijkt in het gedicht ‘In deze tuin’ uit de bundel Ademhalen onder de maan (2012) het geval te zijn:

Ik heb de wereld lang vertrouwd, mevrouw.
Dat komt, ik had de wereld in mijn hoofd
en alles was wel vreemd maar toch bekend
genoeg en als ik iets vergeten was, wist ik het
vaak een half uur later weer en anders deed
het er niet toe. Er waren nog de grote vragen
waarop niemand ooit een antwoord krijgt,
Die keek ik aan van dag tot dag.

Hoewel in de tweede strofe van het gedicht de mevrouw uit de eerste strofe te verstaan wordt gegeven dat het geen zin meer heeft foto’s te maken van de wereld, karakteriseert de ik in de bovenstaande eerste strofe een situatie die overeenstemt met de dichter en de hem omringende werkelijkheid. Hij staat met een been in de wereld maar schept zich ook een wereld in zijn hoofd. Die laatste positie kan ertoe bijdragen dat hij een ander zicht op de wereld kan bieden dan de meeste lezers ervan hebben. Daarin ligt een belangrijke rechtvaardiging om poëzie te schrijven, én te lezen.
Iets van dat arrangement van de werkelijkheid lees ik ook in het gedicht ‘Schaduwen’ uit dezelfde bundel. De vergankelijkheid en het verdriet dat daaruit voortvloeit, krijgen daarin een aards maar transcenderend slotakkoord:

Wat moet er van ons overblijven – wat van onze dagen,
nachten, alle malen dat we samen ademhalen en de plannen

die we maken. Wie kijkt er later om naar de papieren
die we nauwgezet bewaren om bestaan, bezit en plaatsen

op de eerste rij mee te bewijzen. Bij jou vergeet ik bijna
dat we samen maar één leven krijgen, dat we evengoed

op weg zijn naar ons onbestaan, voorgoed verloren
in de donkere archiefkast van de aarde. Dit is het bericht

dat ik achterlaat in een huizenhoge kluis, brandvrij,
een boodschap, die verder komt dan wij – deze datum,

onze namen in de kerfstok van de tijd. Wie dit leest
moet weten dat wij samen en gelukkig waren.

In dit gedicht wordt het naderend einde teruggebracht naar het besef van het aanwezige geluk in heden en verleden. De troost van de poëzie betekent hier niet een vlucht naar voren, naar hoger sferen, naar zweven zonder houvast, maar naar wat nog voelbaar is op het moment dat de gedachte aan het ‘onbestaan’ en de zekerheid van de vergankelijkheid zich onomkeerbaar aan een mens manifesteert. Heytze stimuleert in deze verzamelbundel onze honger, geeft ons voldoende te eten, omdat hij helder denkt en diep voelt.

***

Ingmar Heytze (1970) publiceerde vijftien bundels, drie dagboeken en een bundel met miniaturen. In 2009 werd hij aangesteld als eerste officiële stadsdichter van Utrecht. Ademhalen onder maan (2012) werd bekroond met de Hugues C.Pernathprijs.

Geplaatst in Recensies.