Eric van Loo – De regels van het spel

Heldere duurzame poëzie als zoektocht naar het woord

door Hans Franse

Het debuut van Eric van Loo (Rotterdam, 1957) bevat ‘de oogst van tien jaar dichterschap’. Toen ik de gedichten voor de eerste maal las, viel mij de helderheid en de betrekkelijke eenvoud op van de poëzie. Maar dat bleek bij herlezing maar schijn. Het is als bij Nijhoff: ‘lees maar: er staat niet wat er staat’. De poëzie van Eric van Loo doet mij trouwens in meerdere opzichten aan die van Nijhoff denken: eenvoudige taal, een grote helderheid, de zoektocht naar het woord, aandacht voor de traditie maar vooral een grote preciesheid van vorm.
Wat mij betreft geeft het gedicht op pagina 33 ‘Duurzaam dichten’ de positie aan van de dichter. In het voorstadium is het gedicht er nog amper: ‘Neergekrabbeld in de kantlijn,/op de achterkant van een bierviltje,/zachtjes tussen neus en lippen gepreveld-’. De dichter ziet de oogst, de eerste contouren van de verstoffelijking van zijn gedachten , maar vraagt zich iets af: ‘is elk gedicht niet duurzaam?’. Hij werkt die duurzaamheid, die het proces van dichten bepaalt verder uit: ‘Het schrappen van lettergrepen,/de zuinigheid van het gewogen woord,/de zuivere grondstof van de taal/die verdere toevoeging overbodig maakt’. Het is de zoektocht naar het woord, het enige juiste woord dat niet anders kan staan dan op die ene plek waardoor de taal geen verdere toevoegingen of emoties nodig heeft. Hij plaatst het gedicht in de traditie: ‘Ik leende een woord van Kopland,/een beeldspraak van Bloem,/van Kouwenaar een gedachtestreepje-’. En wat levert dit alles op? Een bijna onthutsende conclusie: ‘schrijven blijft stelen van dieven’. Zelden heb ik zo de macht en onmacht van het dichterlijke woord geformuleerd gezien: de kracht van de traditie, de onmacht van het ‘stenen kindje’, het feit dat originaliteit voorbehouden is aan weinigen. Ik werd associatief herinnerd aan een lezing van Dr. A. J. J. de Witte in 1966 waarin hij, als linguïst, de mens schetste ‘In zijn taal gevangen’ ; voor de dichter zit het woord gevangen in een ‘gouden kooi’. Van Loo komt tot een zelfde soort conclusie: ‘De eerste niet-duurzame dichter/is nog lang niet geboren./Wat is dichten anders/dan hergebruik van woorden’. Ook het gedicht ‘Identiteit’ op pagina 24 geeft de strijd om het ‘Woord’ op vermakelijke wijze weer. Het kankeren op het weer geeft de taal vleugels: ‘Zolang het weer verandert/ zitten wij nooit om woorden verlegen’.

De bundel is opgedeeld in vier afdelingen .’Het moment’ bevat elf gedichten waarin momenten van herkenning of bezinning worden geuit. Van Loo gebruikt als motto een citaat van John Lennon: ‘Life is what happens to you while you are busy making other plans’. De strijd om het vinden van het juiste woord klinkt ook in deze afdeling door. Bijvoorbeeld als de dichter ‘een lang verbeide excursie naar het kerkhof van verdwenen woorden’ maakt (‘Uit de tijd’, pagina15). Op pagina 11 leest men het meest Nijhoffiaanse gedicht van de hele bundel: ‘De regels van het spel’, een perfect sonnet, volmaakt van vorm en inhoud.

DE REGELS VAN HET SPEL

Mijn buurmeisje wist het altijd beter
bij het hinkelen of gewoon in het spel.
”Hier moet je wachten, en daarna draaien”,
als ik langer meedeed begreep ik het wel.

Maar voor ik het wist was zij weer verder,
”Dan ben jij de koning en ik de prinses.”
En terwijl ik langzaam, statig rondschreed
bleek ik een bediende en zij een danseres.

Sindsdien ging ik beter luisteren
op de sportclub, op het koor
zocht ik naarstig naar de code.

Toch blijf ik steeds weer uit de mode,
hoor haar tussen de regels fluisteren:
“Heb je het nu nog niet door?”

De tweede afdeling, ‘Wereldwijd’, begint met een regel van Jean Pierre Rawie: ‘Want wij zijn blinden in een wereld waar het blijvende niet geldt, alleen het gaande’. Interessant zijn hier de twee niet rijmende sonnetten, die wel prachtig ritmisch zijn geschreven en naast elkaar een inhoudelijk contrapunt vormen: ‘Hand over hand I en II’ op pagina 22 en 23.

Afdeling 3, ‘Veelvormig’, gaat in feite over ‘duurzaam dichten’ en heeft als motto het beroemde citaat van Goethe over de ‘Beschränkung’ en ‘der Meister’, een pleidooi voor de vorm. Ook Jacques Perk liet zich bij zijn sonnetten inspireren door dezelfde gedachte. Eerder wees ik er al op dat de literaire traditie belangrijk is voor Eric van Loo.

Tenslotte is er de afdeling ‘Het behouden huys’, waarin veel te genieten valt voor aandachtige lezers die de hierboven opgesomde ‘diefstallen’(maar hoe mooi gebruikt) van ‘een woord van Kopland,/een beeldspraak van Bloem’ hier kunnen terugvinden. Het motto van Ellen Warmond over de liefde en ‘het besef van liefde ertussen’ geeft dit ‘behouden huys’ waarin de bestaande taal van dichters geaccepteerd en gebruikt wordt, zin. De dichter komt thuis in zijn woorden.

Het is een prachtige, warme en heldere bundel. De zoektocht naar het duurzame woord drijft de dichter, maar het blijft een zoektocht naar de essentie (pagina 9): ‘Ook mijn woorden zal ik snoeien/tot één zin zal overblijven: /een lege tafel om aan te schrijven’.

Ik zou deze zin graag ooit eens gebruiken als motto en ideaal voor mijn eigen werk.

***

Eric van Loo werd in 1957 in Rotterdam geboren en studeerde psychologie in Utrecht. In Denkbeeld schreef hij over de laatste dagboeken van Frederik van Eeden en Voorlopig, de laatste bundel van A. Roland Holst. Hij verzamelde op zijn website gedichten over de ouderdom en oude dichters. Hij verzorgt voor Meander als redacteur de reeks ‘Klassiekers’.

 

Geplaatst in Recensies.