Gedichten

De vreemde eend
 
Ik ruik de appels aan draadjes.
Er is wiegend blad.
Dat is buiten.
 
Het open raam speelt,
met zijn scharnieren.
De hond onder de tafel zucht.
 
En dat alles merk ik.
 
Het is vroeg.
De zon dampt in de mist.
In mijn schijnbaar goed leven.
 
Want zegt men;
het is lang niet slecht.
Maar het is ook niet mooi, zeg ik.
 
Ik ben niet men. Ik ben niet men.

Drie conclusies naar aanleiding van het journaal

1 op een steenworp afstand van een steen staat meestal een werper
2 het uiterlijk van de steen verraadt niets van de werper zijn emotie
3 zijn emotie verplaatst wel de steen in de hem gegeven ruimte

Ik kijk Journaal en dwaal af naar de samenstelling van Palestijns zweet
hoe dat in flauw zonlicht de steen binnenbreekt.

Litoraal

in de wasteil schonk moeder leven
verderop werd de zee ingehaald

drie emmers zout water, vader
waarin ik nog altijd uw kolk bewaar

ik riep doorgaans van de kant
zie mij dan, hoor mij dan, laat mij doen

va-der
moe-der

uit zand bouw ik nu uw contouren
in de meeuwen echoot uw ziel.

Geplaatst in Gedichten.