Met iets heel kleins een gedicht op z’n kop zetten

Maarten Buser (1991) geboren in Doetinchem en getogen in Wehl, is dichter, essayist en recensent. Hij studeerde Nederlandse letterkunde, Nederlandse taal en cultuur. Hij schrijft voor verschillende media over poëzie, popmuziek en kunst. Gedichten van hem verschenen in onder meer Het Liegend Konijn, De Revisor en Liter. Zijn debuutbundel Club Brancuzzi verscheen in januari 2016.

Hoe is het met je gegaan na de lancering van je bundel Club Brancuzzi?
Ik ben geneigd om te zeggen: niet heel anders dan ervoor. Ik ben nog steeds dezelfde Maarten, alleen nu met een gedichtenbundel die af en toe in de media is. Er zijn zo’n vijf recensies verschenen, in onder andere Meander en de Poëziekrant. Ik weet niet of het relatief veel is of weinig in vergelijking met anderen, maar ik ben sowieso blij met de aandacht.

In het artikel in de Poëziekrant wordt gesuggereerd dat de opbouw van je bundel in vijf delen gebaseerd is op het klassieke drama. Is dat zo?
Ja, dat klopt. Ik wilde een bundel met een verhaal en ik ben geen verhalenschrijver; ik schrijf gedichten. Als steuntje heb ik de vijf bedrijven aangehouden.
De recensent heeft ook dingen gevonden die ik absoluut niet zo had bedoeld. Hij had het over het koor in de proloog, volgens hem een zogeheten ‘parados’. Dat was een ‘per ongelukje’, ik kende die hele term niet. Hij zei dat het geen toeval kon zijn, maar dat was het dus wel.

Het personage van de kunstenaar Claude in de bundel schijnt losjes geïnspireerd op Claude Monet. Wat heb je met Monet?
Zijn werk is interessant. Monet is steeds abstracter gaan werken, terwijl je nog wel een duidelijke voorstelling ziet. Het is heel mooi om te zien hoe hij met een paar stippen verf iets neer kan zetten wat er van veraf realistisch uit ziet en van dichtbij duidelijk verf is.
Tijdens mijn studie volgde ik ook een aantal kunstgeschiedenisvakken. Op een dag kreeg ik college over Monet, hoe hij bijvoorbeeld heel vaak dezelfde kathedraal schilderde, zodat je ziet hoe hetzelfde eruit ziet in ander licht. Toen kwam ik op de figuur van Claude, die een serie maakt. Geen kathedralen maar portretten. In de pauze van dat college maakte ik de eerste versie van een gedicht over Claude.

In hoeverre ben je geïnspireerd door de vrouwelijke schoonheid, die toch ook een rol lijkt te spelen in je bundel?
Ik wilde een mysterieuze vrouw in de gedichten hebben. Iemand van wie je niet veel weet en waar je dingen over gaat bedenken. Leonard Cohen voert ook zulke vrouwelijke personages op in zijn liedjes. Eigenlijk ben ik onder zijn invloed gedichten gaan schrijven.

Favorieten van je zijn onder andere Martinus Nijhoff, Gerard Reve, Charles Bukowski,
Charles Simic, Arthur Rimbaud en Charles Baudelaire. Wat spreekt je aan in deze auteurs?
Simic en Bukowski zijn bijvoorbeeld belangrijk voor mij om mijn anekdotische vorm te vinden. Raymond Carver, bekend van zijn korte verhalen, heeft ook fantastische gedichten geschreven. Hij is absoluut een held van me. Het is poëzie over het zware arbeidsbestaan, alcoholisme. Het ziet er prozaïsch uit, alsof iedereen het kan doen, maar er zit een enorme technische precisie achter.

Welke hedendaagse Nederlandse dichters inspireren je?
Ik heb veel geleerd van de recent overleden Wim Brands. Hij was erg geïnspireerd door Amerikaanse dichters, en ik weer door Brands. Brands had een geweldig oog voor beeld dat bijblijft. Hij geeft de ruimte aan zo’n krachtig beeld; het gaat niet van het ene naar het andere beeld. Er zit een enorme beheersing in. Een gedicht over een Russische visser eindigt met ‘alleen palingen eten we niet, / palingen eten Russen.’ Zoiets blijf je toch onthouden.

Hoe ziet je schrijfbureau eruit?
Ik vind het fijn om gedichtenbundels op mijn schrijftafel te hebben. Als ik ergens niet uitkom ga ik gewoon afkijken. Als ik bijvoorbeeld ergens een goed centraal beeld bij zoek, dan ga ik echt kijken wat bijvoorbeeld Brands doet. Als ik een goede vergelijking zoek, pak ik een bundel erbij waarvan ik weet dat er goede vergelijkingen in zitten.

Je bundel is verhalend geschreven en beschrijft een driehoeksverhouding. Heb je zelf wel eens een driehoeksverhouding gehad?
Voor zover ik zelf weet niet, maar je weet nooit. Straks is er iemand die een driehoeksverhouding ervaart, terwijl ik dat zelf niet doorhad.
Ik had een ik-figuur, een Claude en een Sybille. Ik wilde een ‘ik’ die zich op de achtergrond houdt en die zich afvraagt wat er om hem heen gebeurt terwijl hij er niet actief bij betrokken is. Daar is een driehoeksverhouding handig voor. Dan zit er iemand bij die wel dingen durft, die de ‘ik’ niet durft.

Een kruisbeeld speelt een rol in de bundel. Wat heb je met het katholieke geloof? Het verwijderen van een splinter bijvoorbeeld beschrijf je als ter communie gaan, wat een mooi beeld is.
Ik ben katholiek opgevoed. Volgens mij geloofde ik al op de basisschool niet meer. Maar er bleef iets interessants, een soort mysterie. Alleen al de architectuur van een kerk is fantastisch. Het hoeft niet eens een heel mooie kerk te zijn. De architectuur, de beelden, de schilderijen, de diensten, de rituelen. Je kunt het katholieke geloof als een soort totaalkunstwerk zien.
In het tweede gedicht van de bundel willen Claude en de ‘ik’ bidden in een soort verlangen om te geloven.

In de recensie van Hans Puper in Meander werd gesuggereerd, dat de titel Club Brancuzzi is geïnspireerd door de Roemeense beeldhouwer Brâncuși.
Ja, dat is ook zo. Ik weet niet hoe ik erbij kwam om er club voor te zetten. Maar die club was er redelijk snel, in een van de eerste gedichten die later in de bundel is gekomen. Ik heb het nog gegoogeld of die club bestond. Maar die bestond niet en dat vond ik eigenlijk wel zo fijn.

Soms krijg ik het idee dat je personages in een psychiatrische kliniek rondlopen, er wordt bijvoorbeeld gesproken over witte jassen. Is dat zo? Of belandt alleen Claude in een gekkenhuis? Ook de opmerking dat de ik iemand (Claude) moet bellen om te vragen of die de gordijnen wel opendoet, doet denken aan iemand in psychische nood.
Ik vind het een opvallende opmerking van je. Het gaat inderdaad de verkeerde kant op met Claude op het eind. Hij komt in ieder geval ergens terecht waar hij in de gaten wordt gehouden door witte jassen. Dat zou je een psychiatrische kliniek kunnen noemen, maar ik wil de bundel ook genoeg ruimte geven voor lezers om zelf ideeën te krijgen over wat zich afspeelt. Ik houd niet van voorkauwen. Toen ik met de bundel bezig was, zag ik allerlei verbanden, ook die ik niet bewust had gelegd. Dat vond ik ook wel een goed teken, dat de bundel mij ook bleef verrassen.

Waar ben je op afgestudeerd bij je studie Nederlands? In hoeverre speelt wat je geleerd hebt tijdens je studie een rol binnen je gedichten?
In 2014 studeerde ik af op het dichterschap van Mustafa Stitou in relatie tot zijn Oosterse en Marokkaanse afkomst. Wat mij bijvoorbeeld erg boeit is zijn oog voor detail en een bepaalde beknoptheid. Je ziet bij Stitou dat je niet met een keer lezen klaar bent. Nijhoff vond ik ook goed, maar over hem was al zo veel geschreven; in de bieb ongeveer anderhalve meter. Bij Stitou was nog zeker niet het hele terrein verkend. Daardoor kon ik een balans vinden tussen secundaire literatuur verwerken en zelf veel leeswerk verzetten. Van hem heb ik geleerd om met iets heel kleins een gedicht op z’n kop zetten.

In een eerder interview in Meander vond je je productie te laag. Vind je dat nog steeds?
Het valt wel mee nu. Ik heb nog niet zoveel geschreven sinds de bundel uit is. Dat schijnt normaal te zijn. Eerst kijken hoe die ontvangen wordt en wat er beter zou kunnen. Ik wil eerst tijd en ruimte hebben om na te denken over wat ik hierna ga doen voordat ik aan een nieuw project begin.

Je schrijft ook hiphoprecensies. In welke mate is muziek een liefde of inspiratiebron voor je?
Er zitten sowieso veel popmuziekverwijzingen in de bundel. Ook veel assonantie en klankovereenkomsten. Ik luister veel hiphop en daardoor heb ik meer oog voor klank en klankovereenkomst. Het is talige muziek met goede taalvondsten.
Voor Gonzo (circus) schrijf ik muziekrecensies. Dat is een tijdschrift voor kunst en muziek. Ik heb daar stage gelopen en ik verzorg er langere interviews met kunstenaars, maar ook besprekingen van kunstboeken cd-recensies.

Ben je al aan een nieuwe bundel aan het werken? Gaat die ook weer over dezelfde personages?
Zeg nooit nooit, maar ik denk niet dat ik nog een bundel over dezelfde personages ga schrijven. Ik vind het wel fijn om in reeksen te werken maar eerlijk gezegd weet ik nog niet hoe een tweede bundel eruit gaat zien.
Als ik nu schrijf, is het om aan de slag te blijven.

 

 

Geplaatst in Interviews.