Guillaume van der Graft – Er loopt een gedicht voor mij uit

Een overbodige ode

door Mart Stel

Ja, op zich wel mooi, zo’n ode aan een dode dichter.

Ingmar Heytze wijdt hem aan Guillaume van der Graft, of Willem Barnard, zoals hij werkelijk heette. Bijna een eeuw geleefd, van 1920 tot 2010, en daarvan twee derde gedicht. Ergens eind jaren negentig herontdekt als ‘oudste jonge dichter van Nederland’ volgens de achterflap van de verzamelbundel die Heytze samenstelde.
Dat omdat hij hem tegenkwam op zijn rentree tijdens een Nacht van de Poëzie in Vredenburg. En omdat hij sindsdien bevriend raakte met de man en twaalf jaar mooie ontmoetingen met hem deelde.

Wringrijm

Ja op zich mooi, zo’n ode.

Maar misschien heeft de verzamelaar toch te zeer een roze bril van adoratie op gehad bij zijn selectie.
Want ik vind het teveel.
Of beter gezegd: teveel aan poëzie die mijn toets van kritiek niet kan doorstaan.

Nu kun je twisten over elk gedicht, ik weet het. Voor elk beschreven blad is altijd een waarderend lezer te vinden. En misschien moet je zo’n uitgebreide bloemlezing van een dode dichter (ruim honderd gedichten) plaatsen in zijn tijd, maar toch is er een aantal ‘eeuwige’ criteria waaraan een beetje appetijtelijke poëzie moet blijven voldoen.

Zo is een besliste no-go-area toch wel het ‘wringrijm’ in bijvoorbeeld het gedicht ‘Monogamie’.
Na de eerste vier regels in keurig abab volgen de volgende vier:

te komen in een onbetreden hof,
een tuin die altijd maagdelijk zal blijven

omdat ik daar als enige vertoef
en daar de hemel vind gespiegeld in een vijver

Afgezien van de uit dit gedicht opstijgende spruitjeslucht, rijm je goed als dat dan moet, en als je dat niet ziet, dan rijm je niet.
Was het een grap, dan had ie gekund. Maar die ontgaat me dan hier en ook op de andere plekken waar het rijmen vergelijkbaar tenen kromt.

Mummie van woorden

Een ander oerzonde voor elk niet-Sinterklaas-gedicht is toch dat, als je dan vindt dat je moet rijmen, dit nooit tot wrakke zinnen dwingen mag.

De laatste strofe uit het gedicht met de toepasselijke titel ‘December’ geeft meteen nog een ander probleem met de bundel aan: veel gedichten zijn qua taal verouderd. Als je dan een erebundel voor de ‘oudste jonge dichter’ maakt, dan moet je volgens mij anders selecteren:

( … )
komt het mij weer als vroeger voor, of onder
een einder die zich naar mij overboog
de ophaalbrug tussen mij en het wonder
aflaat van zijn wanhoopsgebaar omhoog

Verder in de bloemlezing veel gedichten met of over God – Barnard was een theoloog en dat mogen we weten – maar ook veel zonder enige mystiek. Al beweert Van der Graft dan soms in niet mis te verstane woorden het tegendeel. Of is dit gedicht zelfspot soms?

Een mummie van woorden

Geen god vertoonde
ooit zijn gezicht

en geen gedicht
spreekt onomwonden,

verzegeld verzegeld,
egyptisch graf,

zo wacht ik af
in al deze regels

of ik zal worden
gevonden, verstaan,

een mummie van woorden
onder het puin vandaan.

Nee en Ja

Andere nog gelezen doodzondes voor gedichten, zelfs van dode dichters:

–  Nikserigheid: gedichten waar geen enkele toevoegende gedachte of emotie in te ontdekken valt
–  Te simpele versjes als gedicht gebracht
–  Teveel gedichten over dichten, wel zo’n tien. Een blijk van gebrek aan inspiratie
–  Teveel gebruik van abstracte begrippen; killers van een goed gedicht.

Was er dan geen enkel gedicht dat me beviel?

Ja dat was er wel.
Ik kwam tot zo’n tien bladzijden waar het oor inbleef. (Maar tien uit ruim honderd. Is dat genoeg?).
Deze is daarvan mijn favoriet:

Ja en Nee

Op iedere boom schrijf ik ja
maar nee op de bladeren

in iedere steen schrijf ik nee
maar ja over de stad

ik schrijf ja over jaren
nee schrijf ik overdag

neemiddaglicht het vale
ik schreef nee op haar haren

maar ja in de palm van haar hand

Respect voor de dode dichter

Ja, op zich wel mooi, zo’n ode aan een dode dichter.

Maar deze had tot een kwart van de huidige dikte beperkt moeten worden. En dan is sterk de vraag wat er dan meer te zeggen is dan de dichter zelf nog bij leven deed in Praten tegen langzaam water (2007) en waarvan Willem Barnard zelf zei: ‘Ik heb ze allemaal herlezen, de vele, vele gedichten die ik in meer dan zestig jaar op de mensheid heb losgelaten, roedels poëzie die keften tegen de maan en buitelden in de zon.
Met deze kan ik het beste overweg’.

Ingmar Heytze en uitgever Atlas Contact hadden het wellicht beter bij een heruitgave van die bundel kunnen laten. Van der Graft draait zich denk ik om.

***

Van der Graft is de dichtersnaam van dichter, essayist en theoloog Willem Barnard (1920-2010). Barnard publiceerde talloze gedichtenbundels en beschouwingen over de Bijbel. Bekende publicaties zijn onder meer Lijfeigen. Liefdespoëzie 1942-2002 en de dagboeken Anno Domini en Een dubbeltje op zijn kant.
Met Praten tegen langzaam water (De Prom, 2007) maakte Van der Graft de balans op van zijn gehele oeuvre, uit de periode 1942-2006. Uit het werk selecteerde Van der Graft wat hij wilde overleveren.

Geplaatst in Recensies.