Martijn Benders – Lippenspook

Een baldadig dichter in de overdrive

door Johan Reijmerink

De nieuwe bundel van Martijn Benders, Lippenspook, brengt je wat je als lezer van Benders kunt verwachten na een bundel als Sauseschritt uit 2015: een bonte verzameling van luttele pagina’s over liefde, dood en andersoortige tegenstrijdigheden en weerzinwekkendheden. Benders dient dat alles op in een atmosfeer van verlangen, tederheid, humor, ironie, sarcasme, cynisme, relativering en verslagenheid. Zo nu en dan is het om te grimlachen. Neem het korte gedicht ‘Postbode verzuipt op weg’ met de beginregels: ‘Zag jou in het haardvuur van mijn dromen! / In de herfst van het haardvuur van mijn dromen! //’. Terwijl het geluid van de bunker buster alles overstemt, ‘als ik je verkruimelde lippen kus’ en voorkomen moet worden dat de rivier ‘alsjeblieft niet [gaat] heupwiegen tegen het raam, / ik weet het, de jazz, de bevrijding, de bevrijding, de jazz. /’ besluit hij met de versregels: ‘Maar weet je wat het is, lieveling. / De halve wereld staat in brand. //’ Eenzelfde kritische, absurdistische maar humorvolle woordenacrobatiek lezen we in een gedicht als ‘Bank’: ‘Triester dan de halfwaardetijd van boerenkool, / heers jij op een gekrompen lederen wolk, / over een koninkrijk van stompjes en te langsgefietst volk. //’. Zoals Benders zijn blik laat neertuimelen op de baby, ‘dat zieltogend monster’ in het gelijknamige gedicht is hij ten voeten uit in beeld als de spottend toekijkend en relativerend vader of oom of vriend die zijn gedachten niet voor zich weet te houden. Vaders hebben geen navelstreng. In dat gedicht waart het ‘lippenspook’ drastisch rond, dat het liefst ongevraagd de woorden aan de jij of de ik ontrukt.
Benders weet met zijn associatieve werkwijze, zijn eigentijdse taalgebruik, zijn neologismen en beelden de tijdgeest van het directe, het ongepolijste en het ongeciviliseerde in de omgang tussen mensen in zijn poëzie aan ons voor te zetten. Woorden als maan, nacht, lippen, kus, dood en sterren vormen terugkerende decorstukken in deze bundel. Zijn kracht zit hem niet in zijn vormvaste verzen, metrum of klankrijkdom, maar wel in de onverwachte opeenvolging van beelden en gedachten. Hij heeft een scherp oog voor alles wat er in de huiselijke kring en daarbuiten tussen mensen doodloopt. Met zijn opzichtige manier van verwoorden plaatst hij zichzelf volop in het schijnwerperlicht van zijn neonletterachtige poëzie vol glitter en geschetter. Je voelt een sterke onderstroom van haast, van ergernis over hoe de dingen zijn, en zo gelopen zijn. Ik proef daarin zijn oprecht en driftig engagement.
Er staan enkele gedichten in de bundel waarin Benders de actualiteit met kritische zin een plaats geeft, zoals in het gedicht ‘Hand in hand tegen de vernietiging’:

Jij droomt, schatje, dat je tegen ISIS vecht.
Strenge mannen met baarden
die nog nooit een liedje van Leonard Cohen hoorden.

Landen hebben geen religies, landen dromen niets.
Liggen landerig te liggen in het grenzeloze niets,
net als jij en ik, ooit, hand in hand tegen de vernietiging.
Geluidloos tegen alle dood. Maar ik overdrijf, dat weet je.

Die laatste versregel geeft een voorname karakteristiek van het lyrisch subject die wel erg sterk terugslaat op het dichterschap van Benders zelf.
Binnen zijn geconstrueerde wereld heerst een sfeer van sensuele hardhandigheid en sentimentele klunzigheid. Hij deinst er niet voor terug zijn gevoeligheid te tonen. Je merkt op diverse plaatsen in zijn bundel dat hij tegelijkertijd een diep verlangen koestert naar genegenheid en intimiteit, maar hij ziet daarvan ook direct de relativiteit in: ‘Als je slaapt, liefje, / zacht als aardappelpuree, / ruik ik wel eens aan je portemonnee. // Alleen een dode zou zoiets opbiechten. //’. Telkens betrapt hij zich erop dat hij zich koest moet houden, want het lippenspook dreigt telkenmale de sfeer te verzieken.
De hele bundel door wekt Benders bij mij de indruk dat het lyrisch subject zich merendeels unheimisch voelt in deze verburgerlijkte samenleving met zijn ‘ellenlange verjaardagsfeestjes en flatteuze begrafenissen’. Hij ervaart deze wereld van aantrekken en afstoten, als een wereld van onvoorziene trouw en afzichtelijke ontrouw. Bovenal verfoeit Benders de dood als de grote spelbreker van zijn levensdrift die met zijn onberekenbare bewegingen, zelfs als geliefden zijn overleden, ons blijft manipuleren. Er is ‘Niets pretentieuzer dan wat dood is’, en dat betreft de mensen van statuur die reeds overleden zijn.
Benders is niet te beroerd om de dichter met hoge pretenties ervan langs te geven. Alle hypocrisie zou hij de wereld willen uitbannen, ware het niet dat het hem ook de kans biedt om bijtende poëzie te schrijven, zoals in ‘Vreselijke dichter met rietje’: ‘Daar zit ie. Een verschrikkelijke vent. / Een kruk. Een pak. Dat bekakte rietje. // En die dauwdruppel. / En dat tempo.//’. Over roem is hij ook al helemaal niet te spreken. Wat doet het er toe om ‘Het themaliedje van de necrofiel in de lift [te] horen.//’. Niet alleen de dichter krijgt een sneer, maar ook de lezer krijgt ervan langs. In ‘Aan de lezer’ zegt hij: ‘Ik hoop dat je sterft als je dit leest. / […] Dag ondier. //’. Zijn poëzie is ‘streetwise’ en heeft iets hoekigs, iets scherps, iets scherpzinnigs en iets dwingends. Ik zou zijn werk als tegendraadse én aanstekelijke poëzie willen karakteriseren. Aanstekelijk in de zin dat ze in haar metaforiek wendbaar en verrassend is, zoals ‘irritant ritselen van boomkruinen’ of ‘Kathedralen staan zo dicht op elkaar / dat het lijkt of ze willen copuleren. //’; tegendraads en ‘streetwise’ in de zin van een doorslaande alledaagsheid en onaangepastheid in taal en beeld. Het is waar dat veel mensen in het dagelijks leven met elkaar spreken en met elkaar omgaan als in het ‘Dode Dichterscorvee’, maar in dat geval komt deze poëzie bij mij als weinig poëtisch over:

ZombieBloem achtervolgt me overal
omdat ie goede liedjes van me wil bietsen.

Bij slager, supermarkt of Gal & Gal
met die vervallen kop,
die opgeviste fietswrakblik.

Leen mij eens wat te zingen, Benders.
Sterven is ook schrappen, Benders.

Benders bekritiseert zichzelf, maar roept zichzelf in het laatste voorbeeld tevens tot de orde, en terecht, want op meerdere plaatsen in de bundel is hij tot verrassend pakkende versregels en beelden in staat die gelaagdheid in zich dragen, zoals in het gedicht ‘Euforische witte mollen, gazerige mollenmaan’ : ‘Sterren – de interpunctie van God – /’ of zoals in het gedicht ‘Kapotgemaakt’: ‘Altijd schilders van stilleventjes die zich van kant maken. / Fruit kan knap deprimerend zijn. / Behalve meloen. / Met zijn grijns, / in zijn opgeblazen clownspak. // Als de dood zijn stilleventje maakt / is er niets op te herkennen behalve bloemen. //’. Die grijnzende meloen in dat kleurrijk clownspak is een pakkende personificatie. In deze nature morte ontneemt de dood in dubbele zin aan de schilder het leven. De bloemen op zijn graf en het schilderij zijn er de bewijzen van. Deze vervlechting van waarneembare realiteit en verbeelde voorstelling laat zien dat Benders over een sterke creatieve imaginatie beschikt.
Benders heeft nogal eens de neiging in de overdrive te gaan in zijn wijze van uitdrukken en in zijn beeldkeuze, zoals in ‘Een gehersenspoelde walnoot die boomweigert’ of in ‘De oneetbare, onbeleefde en kleurenblinde vlieg / wrijft met lichtsnelheid in de pootjes / zodat de klok in brand vliegt.//’. Hij weet zijn conflicten goed neer te zetten, maar niet op te lossen, zoals in het gelijknamige gedicht waarin de rooktherapeute zozeer gesteld was op het werk van Lucian Freud vanwege de individuele vrijheid die het behelst, terwijl de ik haar uit het misverstand wil helpen door erop te wijzen dat Lucian Freud een beeldend kunstenaar is, en geen psycholoog; ‘Ze zei / dat maakt niet uit. // Ik zei / waarom maakt dat niet uit. //’
Benders eindigt zijn bundel met het gedicht ‘Een stad met fijne straten’. Hij biedt ons daarin een uitzicht op ‘Sierlijke, fijnvertakte, aangename straten / met eenvoudige mensen zonder toekomst. //’ Er spreekt een verlangen uit naar het gewone, het afgewogene, het overzichtelijke, maar eronder ligt tevens de zweem van cynisme, van perspectiefloosheid, van zinloosheid in dit verlangen. Dat fijne is niet zo fijn als het er uitziet. Geweld, vluchtelingen, moord- en doodslag (Kennedy), ontrouw, onbereikbaarheid, de beklemming van sociale verbanden, de onvrijheid voluit jezelf te zijn, te zeggen wat je wilt zonder jezelf maatschappelijk schade te berokkenen blijft een verlangen dat hij koestert. Daarvoor gebruikt Benders schrille beelden, soms vuige taal, en laat hij Jezus Christus scheldend ten tonele verschijnen. Die ongeremdheid maakt zijn poëzie ook spannend, aantrekkelijk, maar soms ook afstotelijk en vervreemdend. Het kan niet ontkend worden dat we hier met een eigenzinnige dichter te doen hebben van wie we nog veel hebben te verwachten. Welke kant het uit zal gaan, blijft nog ongewis.

***
Martijn Benders (1971) heeft al een aantal prijzen in ontvangst mogen nemen voor zijn poëzie. In 1994 kreeg hij de Meervaart Literatuurprijs. In 2002 kwam zijn veelgeprezen gedicht Haydar gaat naar Istanbul om een pauw te kopen uit. Hij woonde een periode in Istanbul, maar keerde terug naar Nederland. In 2009 krijgt hij de C. Buddingh prijs voor de bundel Karavanserai. De prestigieuze Europese poëzieprijs krijgt hij toegekend in 2013. In 2015 verschijnt zijn bundel Sauseschritt. Benders is een talentvol en eigenzinnig dichter.

Geplaatst in Recensies.