Gedichten

Willem Tjebbe Oostenbrink (Grijpskerk, 1963) dicht in het Westerkwartiers (West-Gronings) en in het Nederlands. Hij debuteerde in 2013 met de Groningstalige bundel Opdreugde troanen (Opgedroogde tranen) en ontving de Duitse Borslaprijs (2014) en de Freudenthal Aanmoedigingsprijs (2010). Zijn poëzie ademt warmte, humor, liefde voor de taal en cultuur. Zij lijkt op het eerste oog verbonden met zijn geboortegrond, het Groninger Westerkwartier, maar bij nadere beschouwing breder, universeler. Dichten is voor hem de werkelijkheid vangen, doorgeven en weer loslaten. Hij heeft gepubliceerd in tijdschriften als het Groninger Krödde, het Friese Ensafh, het Drentse Roet, Noach’s Kat. Gedichten verschijnen in beleidsrapporten en bloemlezingen en op monumenten in het landschap.
Oostenbrink draagt voor in het Gronings. In 2016 trad hij voor het eerst op met Nederlandstalige gedichten op het Penrose-festival te Amsterdam.
Hij werkt als projectleider gebiedsontwikkeling; heeft voorheen gewerkt aan samenwerkingsprogramma’s in Midden- en Oost-Europa. Hij organiseert workshops over creativiteit en conceptueel denken.
Zijn lijfspreuk is “Life is not about the path you follow, but the trail you leave behind”.
Volgend jaar verschijnt zijn nieuwe bundel met gedichten, waaruit hieronder het tweede gedicht. Het andere gedicht komt uit de eerste bundel.

 

Teken an e waand

Rogge en riepeltocht hemmen e ruumte opgeven,
minsen hemmen heur haanden òftrokken
van dit laand niet meer van melk en hunneg,
van koeien toal noch teken vernommen.

Ien dizze onder de duum holden palternaksie
gijt hier n doar n peerd deur verruugde velden
met pitrussen as teken an de waand
mor zunder grond veur paniek.

n Mins viendt ien zien streven tekens
speult bij t leven met symbolen,

n kiend tekent met kriet op e stroatklinkers,
schrift woord veur woord zien toal, en zoekt

et hogerop as t kin veur t achterloaten
van zien kras ien e muur van t leven.

*

Teken aan de wand

Koren en kleefkruid zijn verdwenen,
mensen hebben hun handen afgetrokken
van dit land, niet meer van melk en honing,
van koeien taal noch teken vernomen.

In deze onder de duim gehouden wildernis
lopen paarden verloren door ruige velden
met pitrussen als teken aan de wand
maar zonder grond voor paniek.

Een mens vindt in zijn streven tekens,
speelt bij het leven met symbolen;

een kind tekent met krijt op de straatklinkers
schrijft woord voor woord zijn taal en zoekt het

hogerop als het kan voor ´t achterlaten
van zijn kras in de muur van het leven.

Golven nemmen gien òfscheid

Golven nemmen gien òfscheid
gliek de Titanic t gevoel veur wotter verloor
tegen de golven gien dag zee.

t Roepen en reren overstemde de störm
as of minsen levendeg begroaven werden.
Drenkelengen klampen heur vast an n stuk
holt of reddengssloep. n Aanderkaant raand
klumen minsen bijeen, vol ellende en verwarreng.
n Vraauw wordt uut t wotter vist.

Der mos met ruumte schipperd worden,
n man stond op
voaren van eigen koers, geft zien noam
met veur zien vraauw, en volgt zien ankers
van leefregels en staand.

Ien e oceoan schut elk taauw tekört.

Doaden drieven niet
principes kommen altied boven

schuum op e golven.

*

Golven nemen geen afscheid

Golven nemen geen afscheid
zoals de Titanic het gevoel voor water verloor,
tegen de golven geen dag zei.

Het huilen en roepen overstemt de storm
alsof mensen levend begraven worden.
Drenkelingen klampen zich vast aan een stuk
hout of reddingssloep. Aan de andere kant
kleumen mensen bijeen, vol ellende en verwarring.
Een vrouw wordt uit het water gevist.

Er moest met ruimte geschipperd worden.
Een man stond op
het varen van eigen koers, geeft zijn naam mee
voor zijn vrouw en volgt zijn ankers
van leefregels en stand.

In de oceaan schiet elk touw tekort.
Daden drijven niet,
principes komen altijd boven

schuim op de golven.

Geplaatst in Gedichten.