Paul van Ostaijen – Music-Hall

Zot Polleken

door Paul Roelofsen

Een jubileumuitgave. Honderd jaar geleden, in 1916, beleefde Vlaanderen een literaire aardschok gevolgd door een van storm van verontwaardiging. Antwerpen was het epicentrum.
Wat gebeurde er? Een dichter van nauwelijks twintig jaar debuteerde met de bundel Music-Hall waarin niet de gebruikelijke onderwerpen als het landleven, de liefde en de dood werden bezongen, maar het ging over de ‘elektrieke’ bel, de tingeltangel (hoerenkast), danseresjes, een oude snoeper, schetterende praal, ‘n zee van onzekerheid, een baken van blijheid’. Kortom, over het uitgaansleven in Antwerpen tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Dat was de eerste schrik maar daar hield het niet mee op; deze dwaalgeest, ene Paul van Ostaijen, bestond het ook nog eens met de traditionele versvormen te spotten. Nu eens waren ritme, metrum en rijm zoals het betaamde, dan weer klopte er niets van. Zó onhandig, het leek wel kindertaal.
En tenslotte ook nog de ‘onnoemelijke vuiligheid’ die de bundel ontsierde. Lees zelf maar:

Bij Pol is het zó
Als ’n diabolo,
Bij Grete is het zó
Als een brasero,
Allo! Allo!
Het is een tablo;
Ze staan op nivo,
Tegen de lavabo,
Achter den rido.

Maar tussen Pol en haar
Is er geen metselaar
Die plots een muur begint te bouwen…

(Uit Plakkage, nr 33)

Matthijs de Ridder heeft een uitgebreid en helder nawoord aan de gedichten in deze jubileumuitgave toegevoegd, waarin een beeld wordt geschetst van de scholier en adolescent Paul van Ostaijen; hoe hij als tiener op het atheneum reeds rebelleerde tegen poëtische tradities, maar toch ook nog sterk door deze overleveringen werd beïnvloed, met name door de gedichten van Guido Gezelle.
Ook in politiek opzicht liet hij zich vroeg gelden, waarbij hij zich eerst nog voorzichtig maar later vurig engageerde met de Vlaamse Zaak, de zelfbeschikking van Vlaanderen en de Vlamingen, wat hem door het Franstalige establishment niet in dank werd afgenomen. (En hem na de oorlog een veroordeling van enkele maanden gevangenisstraf opleverde, die hij, door te vluchten, nooit uitzat).
De Ridder beperkt zich in zijn nawoord tot de tijd dat de dichter het atheneum bezocht tot aan de verschijning van Music-Hall, waardoor men zou kunnen denken dat Paul van Ostaijens opstandigheid paste binnen zijn puberteit. Dat zou niet juist zijn; als jochie was de dichter in spe al een onaangepast en eigenzinnig ventje, dat van (school)regelementen niets moest hebben, dat van het jezuïtencollege werd getrapt, het atheneum zonder diploma verliet, en wiens bijnaam was: ‘Zot Polleken’.

Zoals dat gaat bij omstreden kunst zijn er naast de tegenstanders gelukkig ook voorstanders, in dit geval bijvoorbeeld de letterkundige De Smedt die genuanceerd over hem schreef. In een recensie meende hij dat Van Ostaijen op de goede weg was. Al droeg zijn stijl nog opvallenderwijs het stempel van een oudere richting, het impressionisme, er was een stuwen merkbaar naar het expressionisme. Een groot talent.
Deze bundel was in feite de opstap naar de latere, zo herkenbare poëzie van Paul van Ostaijen, die in de roerige twintiger jaren ontstond, toen overal in de wereld taboes werden doorbroken en het leven gedurfd en uitbundig werd gevierd. (Dada, de Charleston).
In Music-Hall is nog geen sprake van zijn visuele poëzie met haar ritmisch-typografische vormgeving. En de speelsheid als in ‘Singers Naaimachien is de beste’, de verfijning in ‘Melopee’ en de geestigheid in ‘Alpenjagerslied’ manifesteerden zich pas jaren later.
Het zijn dus niet zijn meest befaamde gedichten die in dit boek staan, maar te genieten valt er ruimschoots. Van dit vers bijvoorbeeld dat hij schrijft na een niet te lijmen breuk met zijn geliefde Grete:

Wederzien

Nu je, onverwacht, gekomen bent,
Voel ik me weer ’n zwak man,
En hoe ik m’ook overtuigen wil dat je liegt,
Ik kan
Het niet, en weer is het mijn hart dat me bedriegt.

Je hebt ’n zakdoek, die naar Eau de cologne russe ruikt,
Nu ben ik niet meer overtuigd,
Ik wankel weer en kan geen woorden vinden;
Ik ben zo’n arme boeteling
En laat me graag de handen binden
Door je heerlike, oneerlike lach.

Het boek wordt verlucht met facsimile’s van enkele gedichten, een portretfoto van de dichter en twaalf tekeningen van zijn vriend Jos. Léonard die ik passend en illustratief vind bij vooral het titelgedicht, maar waar de dichter volgens de overlevering ‘niet ’t akkoord’ mee was om ze in de oorspronkelijke bundel op te nemen.
Dit boek sluit af met vijf niet eerder gepubliceerde gedichten uit de periode dat Van Ostaijen aan Music-Hall werkte, maar die daarin niet werden opgenomen. Mijn inziens terecht.
Zij werden eind 1918 gevonden door een collega-klerk in de la van zijn bureau op het Antwerpse stadhuis, net nadat de dichter was gevlucht naar Berlijn.

Een opmerkelijk weetje tot slot. De eerste oplage van Music-Hall telde 200 exemplaren waarvan er de eerste drie maanden 64 werden verkocht, 20 bij boekhandelaren bleven liggen en 26 naar kranten en tijdschriften gingen.
Er bleven dus 90 bundels over die door Van Ostaijen in de loop der jaren mondjesmaat werden verkocht.

Het is te hopen dat deze rijke jubileumuitgave een beter lot is beschoren.

Geplaatst in Recensies.