H.C. ten Berge – Splendor

‘Supersplendere … een fonkelen dat alles overtreft’

door Hans Puper

‘Heb oog voor nuances en oor voor de klank. Oefen de tong voor de smaak van de woorden. De taal is jouw instrument: koester, verken en bespeel het. Volg je temperament.’ Dit is een van de adviezen die Ten Berge gaf aan ‘grafomanen van de toekomst’ in de nieuwsbrief van een Zutphense boekhandel. Ook hijzelf heeft zijn adviseurs en die hoeven natuurlijk niet van deze tijd te zijn. De filosoof Ockham (1288 – 1349) was een van hen: hij stelde dat de eenvoudigste verklaring voor een verschijnsel de meest aannemelijke is (waarmee hij nadrukkelijk niet de simpelste verklaring bedoelde). Deze stelling is bekend geworden als het ‘scheermes van Ockham’: snijd alle overbodigheden weg, totdat je overhoudt wat je per se nodig hebt. Ziehier een belangrijk kenmerk van Ten Berges poëzie. De eenvoudigste weg is bij hem bovendien de mooiste weg: die maakt zijn poëzie geladen, glashelder, ieder woord heeft een maximale werking in klank, ritme en betekenis.

Scherend over onland en woesting, de zandzee van de ziel
die onbenoemd en onbekend in al zijn naaktheid
op het vuur van de verlossing & verleiding wacht,
overstraalt de magere taal der mystiek
mijn schraal bekleed gebeente.

Wüstenunge. Leegte. Afgrond.

Niets.

De donkere nacht brengt vremedunge
ook al is de Minne al.
Wie uit de godheid valt is onherroepelijk vervreemd.

Het braakland van de ziel vlamt met een vonkje aan.
Het goddelijk licht stroomt uit
In Magdeburg, Sint-Truiden, Ieper, Engelthal.
( … )

Dit zijn de eerste regels van het gedicht ‘Ik vlieg door de dertiende eeuw’, dat in zijn geheel de eerste afdeling van deze bundel vormt. De allusie op Genesis kun je lezen als een dichterschap dat tot leven wordt gewekt door de Minne. Ten Berge beschrijft een aantal ‘vrouwen van de vrije geest’ die in de dertiende eeuw leefden, op een na: Adelheid Langmann. Zij leefde in de veertiende. De vrouwen hebben ‘De Man van Smarten’ niet alleen geestelijk lief, maar ook lichamelijk, soms op een bizarre, ondraaglijk kwellende wijze. Zo wil Christina von Hane uit Rijnland niet aan haar wellust toegeven. ‘Ze gaat ‘die gore lust’ te lijf, verminkt haar vurig geslacht / met kalk, azijn en de gloed van een brandende tak. / Ten einde raad snijdt zij haar klit en lippen af –‘. Desondanks: ‘Een perfecte ziel, zei men, die vaak met God verkeerde, / met hem versmolt en haar leven heimelijk / in blinde hartstocht met hem deelde.’ Frits van Oostrom beschrijft in Stemmen op schrift (de geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300) verschillende van deze vrouwen – soms waren zij schrijfsters, soms werden hun getuigenissen opgetekend. Hij doet dat op bewonderenswaardige wijze, maar Ten Berge is degene die hen met de kracht van zijn verbeelding tot leven wekt.
Waarom beschrijft de ‘ik’ juist deze gekwelde vrouwen? Wie is hij? Hij valt voor de eerder genoemde Adelheid Langmann. Is de uit de godheid gevallene – zie de beginregels van het gedicht – de mens geworden Christus? Maar wat moeten we dan met het citaat onder de titel van de afdeling? ‘Abyssus Abyssum Invocat (Johannes Tauler)’. Hel roept hel, figuurlijk: uit de ene misstap vloeit de andere voort. Mechthild von Magdeburg weet het antwoord. Ze is ervaringsdeskundige: indien hij ‘een hemels beest’ is, is hij ‘een verrukking’. Maar de lezer krijgt van haar het antwoord niet cadeau: ‘Wie mijn woorden wil begrijpen / moet Het vloeiende licht der Godheid negen keer lezen.’ (Ten Berge mag graag een beetje pesten, maar hier vindt u enige informatie over dat werk).
Hoe dan ook, de dertiende eeuw ‘is een tijd van verbeten ascese en huiverend genot. / Men zoekt de liefde, het licht en hongert zich uit, / passie is ‘de maalstroom van het hart.” Deze regels zouden de weergave van de poëtica kunnen zijn die Ten Berge in deze bundel in praktijk brengt. Het licht speelt een belangrijke rol; de bundel heet niet voor niets Splendor. Na de liefde van de ‘vrouwen met een vrije geest’ beschrijft de dichter in de vierde afdeling, die ook Splendor als titel heeft, met instemming dertiende-eeuwse denkers die ingingen op de metafysica van het licht. Verbazingwekkend is dat niet: licht is al vanaf het begin een constante in zijn werk en dan met name het winterlicht in een sneeuwlandschap: beelden voor verstilling, rust, eeuwigheid, geluk. ‘Vanuit het donker in november naar de schoonheid van het licht’ luidt de eerste regel van deze afdeling. In het zesde gedicht laat hij zien wat het licht voor hem en zijn poëzie betekent:

Lux is de grondslag. Is licht dat kracht uitstraalt.
Lumen heet het licht dat zich in lucht en ruimte verspreidt.
Splendor is de schittering in diafane dingen
of een lichaam dat doorschenen wordt.
Supersplendere … een fonkelen dat alles overtreft,
een hemels vergezicht.

Ik ben de nominalist
die alles met woorden bekleedt en benoemt.
Ik zeg de naam en eigen mij de dingen toe.
De woorden & de dingen: gist voor de geest,
een zingen om het zingen, splendor –
feest van licht, een gloed door de gebrande ramen.

Kwam Foucoult niet eeuwen te laat?
Ockham is mijn meester, Abélard mijn maat.

Het dichterschap als thema is een constante in de poëzie van Ten Berge. Het kan een middel zijn zich terug te trekken in een voor anderen onbereikbare wereld van de verbeelding, een beweging die des te sterker wordt nu de aarde door menselijk toedoen onleefbaar dreigt te worden. Een vlucht is het echter niet, daarvoor is zijn engagement te sterk. In het gedicht ‘O de aarde’ in de gelijknamige tweede afdeling beschrijft hij vele regels lang hoe ‘duizelingwekkend divers’ de aarde is. En dan: ‘De aarde als boek, / de wereld als vloek. / De natuur tussenbeide, uitbundig geprezen / door wie haar, gedreven door gouddorst, berooft en verbruikt.’

Het dichterschap is ook vakmanschap, plezier, genot. In de afdeling ‘Specht’ schrijft hij bijvoorbeeld: ‘Mijn tongtip krult zich om een buit van ongetemde / woorden die naar binnen waaien. / Ik hap ze op als vliegen, keer ze om, gooi ze omhoog, / ik ben de cascadeur die zeven schotels in de lucht laat draaien. / De woorden kleven op mijn tong, ik dresseer ze / tot een lied en zing het doodleuk uit.’

De laatste afdeling heet ‘Het uurglas en andere gedichten’. Een uurglas is een zandloper. Een strofe uit ‘Het vege lijf’ over onze voorouders uit de steentijd:

Vrouwen werkten in het veld, maakten vuur
en vonden woorden voor gedachten.
De lichamen waarin zij woonden
zijn verschenen en verdwenen, zoals ook wij
zullen verdwijnen in de tijd.

Er is geen wezen niet ten dode opgeschreven –

Maar wat geeft het als je in het hier en nu de eeuwigheid hebt ervaren, hoe je ‘gonzend van geluk / de dag begon en uit het zolderraam / de eeuwen en de witbestoven akkers / naast de landweg overzag, / en er niets was dat die vervoering brak -‘

Dit zijn de laatste regels van Splendor. Laat de bundel niet ongelezen: hij fonkelt als een diamant.

***
H.C. ten Berge ( 1938) is met zijn gedichtenbundels, verhalen, romans, essays en vertalingen een van de belangrijkste schrijvers van ons taalgebied. Hij kreeg de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam (1964), Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs (1968), Prozaprijs van de gemeente Amsterdam (1971), Multatuliprijs (1987), Constantijn Huygensprijs (1996), A. Roland Holst-Penning (2003) en de P.C. Hooft-prijs (2006). Daarnaast ontving hij in 1972 nog een bijzondere prijs van de Jan Campert-stichting voor zijn werk aan het door hem in 1967 opgerichte tijdschrift Raster.
De voorlaatste bundel van Ten Berge, Kerven en kastijdingen, stamt uit 2013. Hij verscheen niet afzonderlijk, maar in het tweede deel van zijn verzamelde gedichten, Cantus Firmus (2014). Het eerste deel, Materia prima, verscheen in 1993.

____

H.C. ten Berge (2016). Splendor. Atlas Contact, 96 blz. € 22,99. ISBN 9789025449049

Geplaatst in Recensies.