Gedichten

JANUARI 2017

Er is iets met deze ochtend, het nat en kil
maar helder en de merels fluiten, schril
als pijnscheuten, de vogels lijken oude
barden met pijpen van mensenbeen,

het lokt me en het laat me door de muur
heen gaan, de straat op gaan.

Ik zie een fiets op een balkon. 
Bordjes met Te Koop.
Een uitklaprek waarop ze slingers drogen.

Ik moet uitkijken
niet te struikelen over de ingewanden
van een uiteengespatte duizendklapper. De straat
is ermee bezaaid. Al die nagelaten
pogingen

het afgelopen jaar op te blazen, ze noemden het een feest
maar ik bonk er nog steeds van na. Er waren zoveel
mensen dat ze hoofpijn gaven. De klanken regen
zich aaneen tot een tuuttoon. Iedereen die langs mij liep

werd een ambulance met sirene, opzij, opzij, opzij, opzij, opzij opzij opzij

ik heb iemand in me  die zwaar gewond is

en moet worden geholpen!

Er werd vannacht

wat afgeholpen, het ging erin als water.

Maar nu is het nat en kil
en helder. En heb ik weer benen.

Ik ga langs enkele gemiddelde Nederlanders, eentje wil
met mij oplopen, vertellen over een broer die niet in chemo geloofde
maar hij slaat af richting de glasbak.

Ik probeer nieuwe voornemens
in te lopen, misschien moet ik aan de religie, die welvaartsziekte,
die jaarlijks zoveel – nee, denk aan liefde,

aan tekeningen in de grotten. Voorouders die leem bliezen
over hun hand, zodat het silhouet bewaard bleef op de wand.
Ze konden zich niet verroeren tot het leem was ingedroogd,
ook al verschoven de keien rond de vuurkorf,
lichtten in de struikjes maangele ogen op,
was er kroost dat ernaartoe werd gelokt,
doodstil bleven ze

zitten tot de herinnering bestond.

Van hen erfden we onze vingers.
En de ziektes die erin sluimeren.

Een zwaan staat rechtop in het plantsoen,
ze is zo wit dat ze een systeemfout lijkt

maar ik moet door.

Langzaam trekt de ochtend op. Ik ga
langs de onbekende soldaat en vraag
het me af, of het de moeite was.
Het inchecken, het uitchecken,    
kaartje kopen,
kaartje sturen,
kaartje kwijtraken,
verdwalen.

Eens was er een handafdruk op een rotswand
die zei:                  Ik ben er geweest.
Het was verachtelijk en fantastisch.

(Het licht achter ruiten.
Hoe dat van huizen lantarens maakt.
De woningen lijken ontstoken.)

Er waren dekens die ik weggooide
ook al waren ze nog niet versleten.
Er waren geliefden die ik aflegde. 
Kraamkamers, leegstaande kantoorpanden,
ik trok erdoor
liet ze weer achter.

Enkele gemiddelde Nederlanders halen me in.
Tonen hun handen, leem aan de randen.

Ik moet naar de kleine steegjes, daar zitten de broers.
Ze zullen gebaren en hun honden laten oplossen in de muur.
Ze zullen op hun gordel wijzen, zodat ik dapper kan doen,
zeggen dat ik hun hemel niet vrees.

Zij:“Wij zijn juist doodsbang voor de hemel,
dat ze valt en niet op ons valt.”

Ik wil hun harten niet. Ik wil alleen maar dat er bouwlampen in worden ontstoken. Door, ik moet door,

langs het bed waarin ik werd verwekt,
tot het bed waaruit ik werd geschopt.
Langs de wachtkamers, bushalte’s, terrassen.

Er zijn nog altijd kinderen. Ze komen langzaam
uit hun huizen. Ze proberen met restjes brood vogels te lokken.
Voor hen zijn ze gevuld met pluche in plaats van bloed en botjes.
Hun moeder zegt dat Yahweh zich over ons buigt als een klein meisje
in de hoop dat we niet opvliegen.

De kleintjes lachen, hebben geen idee. Je krijgt de vrede niet zo makkelijk
uit een kind, maar hun gepraat

wordt alweer gemompel. Ik nader de horizon.

De stad kruipt in mijn horloge,
de secondewijzer wist haar uit.

Het is een nieuw jaar, en in iedereen zit nog steeds een sirene.
Het is een nieuw jaar, en de hemel is nog steeds niet gevallen.
Het is een nieuw jaar en mijn handen zijn schoon.

Ik zal nooit opgeven ze te laten beven.

OVER HUIDEN

Het heeft iets sinisters, de cremes
die in haar zinken. Het zonlicht

dat er sproeten op batikt
en de rimpels laat uitbreken. Hoe

ze luchtjes bewaart die ik liever vergat,
zijn geur af en toe nog sluimert

tussen mijn spleten. Soms herinner ik me
de eerste keer, de handen

op mijn blote rug, hoe de vingertoppen
wel inductieplaten leken. Van elke porie

een mondje maakten, happend naar meer,
tot we verweerden. Ik trok weg van het bed,

van alle beloftes, de uren vergeefs.
Slechts gekleed in mijn huid wandelde ik

richting de tuin. Ik hoorde hem huilen
naar mij. Het vel zette de zon al om

in vitaminen. Maakte met iedere stap de botten
sterker, de tanden harder.

OVER SCHEDELS

Ik ben tien en heb geen idee
waar vrouwen worden gekweekt. Hoe ik moet
uitharden als tantes die langs de velden hollen,
aansteker in de ene hand, tampon in de andere.

Ik val vaak en zing als ik omhoog kom:
Onder mijn haar draag ik mijn schedel.
Onder mijn schedel draag ik mijn geloof.

Telkens worden ze vernieuwd, mijn knieën,
hoe hard ik zo ook schaaf. Ik bedenk me
dat vers vlees alleen het gevolg kan zijn van een flinke
smak.

Mijn nichten nemen toe in omvang. We hopen het
meer te zijn dan een magere combinatie
van skelet en schaamte.

Onder mijn geraamte draag ik een baarmoeder,
tjokvol rijpe stokken, om meisjes te telen.

Ze zeggen dat vrouwen geen mannen zijn.
Dat mannen meisjes zijn die wachten
op hun eerste menstruatie.

Ik schud mijn losse lokken.
Daaronder draag ik een schedel.
 
Ze vragen waarom heb je nog geen hoofddoek
terwijl je allang bloedt. Ik antwoord dat onder
mijn haar, een schedel zit, onder die schedel
zit mijn hoofddoek,

het gaat niet over hoe hard ik ook zing.

Geplaatst in Gedichten.