Gedichten

Langzaam terugkruipen. Op rupsbanden.
Langzaam je broek laten zakken en de wereld
een stok geven om mee te slaan.

Genietende ogen niet te vroeg sluiten. Krom je
vingers er maar omheen. Draai hoofd, draai been.
De meesten willen te vroeg los. Span je wil je.

In de bandensporen rust een lichaam
door dieren bepikt. Wil je soms niet groot worden,
wil je de kleine lijven het alleenrecht geven,

wil je de kabels niet knappen horen. Nu
de wereld doodstil ligt te wachten, zien we
de tank over het kleine wiegende lijf gaan, keer op keer.

we zijn besloten in glas
barentsz heft zijn handen
ogen vol smook
en een verandering in de lucht

de horizon verdraagt ons
al maanden zonder licht
vuursteen dooft en valt

we staan in rekken met aquaria opgesteld
rijen van twee
paradijsvissen drukken hun snuiten tegen de wand
onze ogen lopen vol

hier dondert een glaswand in elkaar

daar stroomt water de gretige kelen in

wij weten wat er speelde
omdat we geluisterd hebben

onze moeders voedden het vuur  
met hun verhalen over het eiland
waar alles van kunststof is
waar rondsnorrende bedienden het slavenwerk doen

ze hebben de laatste vruchten bereid
met hun verhalen over steden waarin ze dagenlang
waadden in de tomaten
over tobbes waarin ze rondstampten
het sap opgespat tot vlak onder de rand
de druivenvelletjes tussen de tenen

ze hebben getoond hoe hun handen
de zachte pluizen van de katoen misten

we keken met wijdopen ogen
de zwartplastic binnenkant van de tent kapot

Geplaatst in Gedichten.