Gottfried Benn – Morgue en andere gedichten

Goedemorgen. Poëzie die wakker schudt

door Paul Roelofsen

Dat hij zich met het instampen van naamvallen, geslachten en vervoegingen niet geliefd zou maken, moet mijn leraar Duits hebben geweten, en de Duitse taal, toch al niet populair in de vijftiger jaren van de vorige eeuw, zou hij er geen dienst mee bewijzen.
Waarschijnlijk besteedde hij daarom meer aandacht aan de Duitse cultuur, met name aan de literatuur en de liedkunst. Hij declameerde Goethe  en Heine en draaide Schubert. Op een ochtend, eerste lesuur, droeg hij, om de dag te openen het volgende gedicht voor van ene Gottfried Benn:

Mooie jeugd

De mond van het meisje dat lang in het riet gelegen had
zag er zo aangeknaagd uit.
Toen men haar borst openbrak, zat de slokdarm zo vol gaten.
In een prieel onder het middenrif ten slotte
vond men een nest jonge ratten.
Een klein zusje lag er dood.
De andere leefden van lever en nieren,
dronken het koude bloed en hadden
hier een mooie jeugd doorgebracht.
En mooi en gauw kwam ook hun dood:
Men gooide het hele stel in het water.
Ach, wat piepten die kleine snuiten!

Wij, zijn leerlingen, de slaap nog niet uit de ogen gewreven,  waren op slag wakker.

Wie was deze Gottfried Benn? Geboren in 1886, zoon van een dominee, studeerde na aandringen van pa theologie, wat hem niet beviel. Hij schakelde over op geneeskunde en chirurgie, een vakgebied dat hem inspireerde tot zijn overlijden in 1956 en tot zijn debuutbundel ‘Morgue en andere gedichten’ in 1912.
Het gedicht dat ons adolescenten zo trof was er een van de zesdelige cyclus ‘Morgue’, wat lijkenhuis betekent.
Ook de andere gedichten in deze reeks gaan niet zozeer over de dood in de zin van de teloorgang van de ziel maar om het aangezicht van wat er tastbaar overblijft na het overlijden, het lijk.
Dat was men in dichterskringen  niet gewend, ‘Tod und Liebe’ dat was waar het om ging, niet om het stof waaruit wij komen en wederkeren;  ‘Morgue’ werd dan ook zeer kritisch ontvangen, men vond het pervers en cynisch en dat laatste kan niet worden ontkend in onder meer het gedicht ‘Kringloop’: ‘De eenzame kies van een snol / die naamloos gestorven was / had een gouden vulling. / De rest was als bij stille afspraak / uitgevallen. / De lijkbezorger tikte die ene eruit, / verpatste hem en ging ervan uit dansen. / Want, zei hij, / alleen aarde moet tot aarde worden’.

Behalve degenen die negatieve kritiek hadden, waren er gelukkig ook recensenten die Benn een interessant ‘geval’ vonden, voer voor psychiaters. Men vond het moedig om openhartig over dingen te schrijven als rottende kadavers en walgelijke autopsies.
De meesten onder hen meenden echter tevens dat zijn werk weinig artistieke waarde had omdat er weliswaar menselijkheid in zijn gedichten te bespeuren viel maar dat deze niet bepaald poëtisch was.
Wat de vorm van veel werk van Benn betreft ben ik het met die laatste mening eens. In feite zijn vele gedichten eerder proza: losse met een hoofdletter beginnende en met een punt eindigende zinnen, hier en daar willekeurig afgebroken om het op een gedicht te doen lijken.
Toch maakt het een onuitwisbare indruk, of het nu proza is of poëzie.

Merkwaardig is dat niet deze vorm werd aangevallen maar de inhoud.
En ook merkwaardig dat  de uitgever van dit debuut, Alfred Meyer, niet de gedichten opnam die Gottfried Benn zelf beter achtte en liever in de bundel had gezien.
Het ging de boekenmaker kennelijk om de sensatie, niet om de kwaliteit, iets wat in de huidige tijd een bijna geaccepteerd verschijnsel is. Maar goed, het opende voor Gottfried Benn wel de mogelijkheid om verder te publiceren en ofschoon hij daarvan gretig gebruik maakte, wat een indrukwekkend oeuvre opleverde en hem in 1951, vijf jaar voor zijn dood, de Georg-Büchner-Preis opleverde, wordt zijn werk behalve Morgue en andere gedichten nauwelijks meer gelezen.
Over de ‘andere gedichten’ gesproken, daar staan wel strofen in met een hoog dichterlijk gehalte, bijvoorbeeld in:

Man en vrouw lopen door de kankerbarak

De man:

Hier, dit is een rij aangevreten schoot
en dit is een rij vervallen borst.
Bed stinkt naast bed. De zusters verschonen elk uur.

Kom, til gerust deze deken op.
Kijk, deze homp vet en rotte sappen
Dat was ooit de trots van een of andere man
Dat heette ook roes en vaderland –

(…)

En ook treft men  wel erg gezochte formuleringen aan in sommige verzen:

Nachtcafé
(…)
Groene tanden, pukkel in het gezicht
wenkt een ooglidontsteking.
(…)

Was de eigenzinnige Benn een van de voorlopers van het Duitse expressionisme dat putte uit het onderbewuste en zich afzette tegen de passieve zienswijze van  het impressionisme?
Dat vraagt om nuancering; hij was bezeten van de geneeskunde en de snijkamer  en vanuit die passie beschreef hij de werkelijkheid zonder illusies te koesteren. Hij vervormde de realiteit nauwelijks. En dat laatste was wel wat het expressionisme karakteriseerde.
Je zou kunnen zeggen dat hij voor de Eerste Wereldoorlog  wakker schudde,  wat zich na die oorlog ontwikkelde tot het expressionisme.

De jonge uitgeverij Koppernik stelt zich geen ander doel dan uit te geven wat zij mooi en van belang acht en niet om de commercie te behagen; het gaat haar om niveau met een voorkeur voor gedurfde en uitdagende teksten en zij heeft zich met deze integrale heruitgave bewonderenswaardig aan dit streven gehouden.

Geplaatst in Recensies.