Inge Nicole

Inge Nicole (1968) debuteerde in 2004 bij uitgeverij In de Knipscheer met de roman Zon in het haar, bij de Haarlemse uitgeverij verschenen drie romans en twee novellen. Voor de novelle De tranen van de zeegans ontving ze in 2012 de Rabobank Cultuurprijs in de categorie Letteren. In samenwerking met beeldend kunstenaar Pieter Bijwaard ontstond in 2015 de bibliofiele uitgave Als morgen een mens; een kort verhaal met gedichten bij inkttekeningen van Bijwaard. Inge werkt vaker met beeld. Zo exposeerde ze in 2018 bij de Kunstuitleen van Alkmaar met werk van haar romanpersoon uit De blauwdruk van Capgras. In 2019 wordt haar dichtbundel Maanbrief aan het getij – de belofte van het komen en gaan bij Knipscheer verwacht.

foto Maurice Hof

 

 

 

Landen
– bij foto Return to Earth –

Een wolkje melk in een blauw geaderde kroes. Kwal
in het luchtruim; onder strak gespannen tentakels
een pendule die het voor gezien houdt. Op afstand.

Landverlaters die wederkeren. Holronde maanmigranten.
Hoe er gewicht aan wordt gegeven. Geld en plat voedsel.
Geen vaste grond onder de voeten. Wie heeft de ruimte?

Ontheemd in het heelal. Ademen uit een rugzak. Reizen
met de snelheid van het licht en zwart zien. Op een tablet
berekent men waar je landen mag. Dat heb je te slikken.

Klein, de groenblauwe knikker die naar de afgrond rolt.
Gevangen in een kommetje van mensenhanden. Knip het
touw niet door. Wortel diep. Vergroei met wat je aantreft.

 

 

Buiten kennis
– Hypoglycaemisch coma-

Ik besta uit hooguit twee benen.
Veel meer is het niet.

Als mijn lichaam een stoel overlapt. Een
wezen van stof is. Het raam van ijs. Koffie uit
de kraan komt. De vaas een doorn in het oog.

Er een lamp springt. De vloer onder mijn voeten
vandaan valt. Ik verworden ben tot verlamd dier.
De ziel een klapperende mot in gesloten kelderkast.

Dan laat geen enkele stembuiging van zich horen.
Windstil de adem. Balancerend op een richel in de
Engelenbak. En dan net de goede kant op vallen.

 

 

Ontbinding

Ik weet niet beter dan dat er derden zijn.
Doorgewinterd in alle jaargetijden
vuren tropenjaren een ijstijd aan.

Akkerpest en varkensgras in voren van sneeuw.
Vrieskou kweekt een dikke huid. Jouw warme
adem trekt draden uit een lichaam van suiker.

Onder mijn schedeldak huizen luistervinken.
Nagelaten vogelpoten op zojuist geverfd kozijn.
Buitenshuis en onderhuids; alles laat zijn sporen.

Tussen zelf gepote krieltjes zet je aan tot graven. Diep
naar het waarom. Alleen – op de driezitsbank gezeten –
onwetend over waar jij uithangt. Hoe hoog het plafond.

Geplaatst in Gedichten.