Désanne van Brederode – Verzonnen grond

Een aarzelend, veelzeggend debuut

door Eric van Loo

Désanne van Brederode is filosoof en schrijfster. Naast een zevental goed ontvangen romans publiceerde zij ook essays en beschouwingen, en is zij een veelgevraagd spreekster op het gebied van zingeving. En nu, bijna 25 jaar na haar debuut (Ave verum corpus, 1994) verschijnt haar eerste dichtbundel. Tijdens het interview op de Taalstaat (Radio 2, 14 juli jl.) zag ik tot mijn verbazing een bescheiden vrouw, die uit onzekerheid haar poëzie lange tijd voor zichzelf gehouden had. Zij vertelt dat de poëzie haar met de paplepel ingegoten is: op de Vrije School die zij bezocht begonnen zelfs de wiskundelessen met een gedicht. Zij las steeds meer poëzie, maar wanneer zij zelf wel eens iets schreef merkte ze na een paar dagen dat het het niet haalde bij wat zij zelf mooi vond. Door studie, werk en schrijverschap raakte de poëzie op de achtergrond. De laatste jaren begon ze vaker gedichten te schrijven, die ze direct op Facebook plaatste. Toen de waardering van haar vrienden en literaire collega’s geleidelijk toenam, begon ze haar poëzie serieuzer te nemen. Met name de feedback van Menno Wigman, aan wie zij twee gedichten in haar debuut heeft gewijd, trok haar over de streep.

Tuintip

Soms moet je planten voordoen
hoe te bloeien. Gewoon met groen
beginnen en de ruggengraat
geleidelijk ontrollen
tot hart en hals rechtop gaan staan,
maar zwenk- en wuifbereid.

Wervels waartussen
dun koperwater kleine blaadjes vormt,
ribben die plots in samenhang
gaan zweven, generfd en geur-
doorlatend durven worden:
de keuze tussen lelie, lisdodde en dille
hoeft niet gemaakt, citroenen
en amandelen niet afgewacht.
Vooral: geen wenkend
zuiden denken aan de horizon.

Het zijn maar pogingen
tot een post-bloesemkunde en het mag
op ademhalen lijken of op breken,
op beide tegelijk. Het kan
aan ongestemde vingers toch
die hoge oermuziek ontlokken
die enkel opmaat blijft.
Een reiken al naar herfst,
het afschudden van winter:
glanzend interval
of wankel pauzenummer –
het liefste zonder wortels,
in verzonnen grond.

Bepaalde zinsneden in Verzonnen grond doen mij denken aan het werk van Marjoleine de Vos, in dit gedicht bijvoorbeeld ‘Vooral: geen wenkend / zuiden denken aan de horizon’. Het voorzichtige zoeken naar zin in het dagelijks leven en in de natuur, met mindful-achtige overwegingen die vaak in eenzelfde adem weer verworpen worden. Van Brederode is echter minder vormvast dan De Vos. Uit hetzelfde interview in de Taalstaat: ‘Ik dicht op klank, op ritme, wat mij betreft is poëzie een muzische kunst en niet iets met allemaal cerebrale leuke vondsten, al kan dat ook, maar zo begint het bij mij niet.’ Naast de natuur en de seizoenen is afscheid nemen en alleen de weg vervolgen een belangrijk thema in de bundel. In de eerste twaalf gedichten staat dit thema centraal, en ook verderop in de bundel komt het meermalen terug.

Dichten is gaan

Dichten is gaan. De wandeling herhalen.
Voor waar houden wat waargenomen werd.
Er licht aan toevoegen, de wind tot liggen dwingen.
Het is: nog beter zoeken, tot bekende wegen
steeds minder wennen – je je vreemder waant
dan toen. Nog vreemder. En tijdstip, dag
en het seizoen zich van betekenis ontdoen
voor je die geven kunt. De stomste dingen
zich weigeren te houden aan hun stilte
en nu pas munt slaan uit je open blik. Het is
zo ik-loos mogelijk verdwalen en verdwijnen
in wat je niet gezien hebt toen je eerder ging.
Je voetstappen weerklinken als de zijne,
tot lopen nauwelijks meer lijkt op herinnering
aan lopen. Daar, in dat wijde park, met hem.
Je houdt vrijwillig passen in, blijft hopen
dat je mag stilstaan in de trilling in zijn stem.

Dit gedicht lijkt in eerste instantie een poëticaal gedicht, waarbij de ontvankelijke houding tijdens het dichten grote gelijkenis vertoont met de ‘frisse blik’, één van de acht houdingskwaliteiten bij mindfulness. In de laatste vijf regels komt een ander onderwerp het gedicht binnen, of komt het gedicht na een lange inleiding tot de kern: de herinnering die het gemis in zich bergt. In dit gedicht zijn de uitgangspunten, zoals Van Brederode in het interview onder woorden bracht, goed te herkennen. Het is geschreven in een stromend parlando, met subtiele klankeffecten. De ‘stomste dingen’ dingen is mooi dubbelzinnig. In Verzonnen grond hanteert Van Brederode verder weinig meerduidigheid. We zouden natuurlijk ‘vrijwillig’ ook dubbelzinnig kunnen opvatten, al betwijfel ik of dit zo bedoeld is. Het gedicht maakt een spreektalige indruk, alsof het in één vloeiende lijn is opgeschreven. Opvallend zijn de zelfstandig geplaatste bijzinnen zonder persoonsvorm, zoals ‘De wandeling herhalen.’ en ‘Daar, in dat wijde park, met hem.’ Taaltechnisch was het logischer geweest, deze zinnen zonder hoofdletter en met een komma aan de vorige zin de verbinden. Het aardige van poëzie schrijven is echter dat je daarin je eigen regels kunt creëren, een vrijheid ten opzichte van proza schrijven die Van Brederode bijzonder aanspreekt.

Haar poëtica lijkt nog volop in ontwikkeling. Persoonlijk vind ik haar gedichten aan de lange kant, de twee hier opgenomen gedichten behoren tot de kortste uit de bundel. In een aantal gedichten worden nadrukkelijk bepaalde gedachten uitgewerkt, waarbij de dichter veel woorden lijkt te gebruiken uit angst anders niet goed begrepen te worden. Daarbij mis ik de compactheid, taaldichtheid die poëzie vaak eigen is. Een goed, of wat mij betreft slecht voorbeeld is het gedicht ‘Periferie’, dat als volgt begint: ‘Ze dichten de dingen een kern toe. / Een exact te bepalen midden.’ Nadat deze gedachte in veertien regels met diverse voorbeelden is uitgewerkt, volgt een theoretisch aandoende tweede strofe: ‘Waar alle lijnen, getrokken van een / willekeurig punt op de omtrek, / naar een ertegenover liggend  punt / elkaar snijden en kruisen, in twee of drie / dimensies: daar is het centrum, / de essentie.’ Ook hier heeft zij veel woorden nodig om tot de essentie te komen. De derde strofe voegt op zeer poëtische wijze beide gedachten samen: ‘Er kan een heilig midden in een liefde zijn, / waar het gesprek verstomt en een kus / de begeerte ontvlucht, waar blikken / elkaar niet kruisen of snijden, / maar een ruimte openvouwen.’ Aan de hand van de voorbeelden uit de eerste strofe wordt het mysterie van de werkelijke ontmoeting verder uitgewerkt, en in een vijf regels tellende vierde strofe nog eens samengevat.

Een vreemde eend in de bundel is ‘Opdat ik radicaliseer’, dat strijdbaar opent: ‘Nooit hoop ik het terloopse te beheersen. / Een gedicht moet mogen krijsen en lachen / als Brontës krankzinnige op zolder. Bijtgraag.’ Halverwege het gedicht krijgen we nieuwe regels aangereikt: ‘Schrap alles wat aandoenlijk alledaags / en van voorbijgaande aard schijnt: rot op / met subtiele ironische vondsten, verstilling, / een onaf stadstafereel te koop in binnenrijm’. Regels die doen denken aan het ‘Manifest voor een riskante literatuur’ van Erik Jan Harmens en Ilja Leonard Pfeijffer uit 2009. Het meest merkwaardige van dit provocerende gedicht vind ik echter, dat Van Brederode in het grootste deel van de opgenomen gedichten volledig tegen de uitgangspunten van dit gedicht ingaat. ‘Opdat ik radicaliseer’ is misschien een leuke vingeroefening, het lucht vast lekker op, maar het maakt binnen het bestek van deze bundel een nogal misplaatste indruk.

De bundel ziet er –aan de buitenkant– mooi verzorgd uit. Geen clichéteksten op de achterflap, maar een dichter die ons paginagroot aankijkt. De voorzijde in bruintinten ziet er op een afstand uit als een bergketen, met lichtere lucht, maar zou bij nader inzien ook een beslapen laken of gekreukt papier kunnen zijn. Misschien wel een artistieke interpretatie van ‘Bedankt’: ‘Er ligt een gloednieuw leven voor je klaar. / Het knispert onder pas gevallen blad, het zingt / verfijnd, als ochtendmist onder je lichte wielen / en het stuift op waar jij al niet meer bent: / fris goudstof, waterdun. Het platte vlak voor even / een berglandschap, van bovenaf gezien.’ Aan de binnenkant bevat de uitgave echter een aantal schoonheidsfoutjes die niet passen bij de statuur van de schrijfster c.q. de uitgever. Het openingsgedicht staat tegenover de tweede pagina van de inhoudsopgave, wat rommelig overkomt. Ook zijn er vrij veel gedichten die net niet op één pagina passen, waarbij twee regels naar de volgende pagina verbannen zijn, waarvoor we soms zelfs moeten omslaan. En omdat bij pagina-eindes de strofen niet altijd gerespecteerd worden is niet altijd duidelijk, wanneer de regels op een nieuwe pagina als zelfstandige strofe moeten worden opgevat. Details misschien, maar het is belangrijk dat dit soort keuzes door de dichter worden gemaakt en niet door de vormgever/drukker.

Verzonnen grond is een interessante bundel om je in te verdiepen. Het lijkt een spiegel van waar de dichter momenteel staat, met twijfels, overwegingen, meningen en intenties. Met een nog onbevangen manier van poëzie schrijven. Ze kijkt omhoog naar voorgangers naar wie zij soms letterlijk verwijst (Menno Wigman, Joost Zwagerman), zonder hun stijl te kopiëren. En als u de bundel dan toch openslaat, lees dan ook even op pagina 60 het ‘Te laat advies aan Rilke’, waarin zij nogal brutaal met de dichter in discussie gaat over diens beroemde gedicht ‘Herfst’. Lezen dus. In de herfst.

____

Désanne van Brederode (2018). Verzonnen grond. Uitgeverij Querido, 96 blz. € 17,99. ISBN 9789021412955

Geplaatst in Recensies.