Antoon Van den Braembussche – Alles komt terug

In kringen van clichés

door Ivan Sacharov

Alles komt terug is de titel van een nieuwe bundel van Antoon Van den Braembussche (eerder kwamen van zijn hand o.a. al Kant-tekeningen en Het uur van de wolf uit). Een titel die op het eerste gezicht iets provocerends heeft. Want komt alles wel terug? Goed, er is ‘niets nieuws onder de zon’, zoals iemand ooit beweerde, maar met even groot gemak is een bundel denkbaar die ‘niets komt terug’ heet (zoveel scheelt het niet eens: ‘alles is niets’, beweerde Boeddha al). Nou ja, voor deze ene keer: Alles komt terug:

Met een lach
danst de blinde denker
op het strand.

Hij die steeds opnieuw
in de branding omarmt:
het gelijke.

Terwijl in elke zandkorrel
elke zoutkristal glinstert:
de cirkel van onze levensdrift.

Blinde dichter
dans maar door naar
het einde der tijden.

Want alles,
alles komt terug.

De dichter meent het serieus met zijn circulaire opvatting, blijkens de laatste strofe. Al vind ik het beeld van een blinde denker die danst op het strand een beetje lachwekkend. Overigens: ik ken maar weinig denkers die lachen. Wie kennis vermeerdert, vermeerdert smart. Maar het kan allemaal. Interessanter dan al dat gedans en gelach is dat er een dissonant in dit gedicht zit: ‘het einde der tijden’. Want als alles terugkomt, hoe kan er dan een einde der tijden zijn? Een cliché als paradox. Een gedicht kan niet zonder, moet de dichter hebben gedacht. Nog een voorbeeld:

Ga naar de dag

Ga naar de dag
zoals de dag op je afkomt:

met een open einde,
voor altijd halfweg
in het licht van het onbekende,
het onvoorziene, de verwondering
die het begin is

van alle filosofie,
alle geluk, alle zijn.

Een gedicht kan niet zonder… clichés? Dat is toch niet wat ik dacht dat hij dacht. De laatste vier regels zijn een anticlimax. De eerste strofe is wel aardig: hij raadt ons iets aan en doet het zo voorkomen dat we een keus hebben.

Van den Braembussche schrijft een beetje luie poëzie, vind ik. Hij laat de taal (te) weinig werken. Dat is vooral bij slotregels een doodzonde. Dat weten we pas achteraf natuurlijk, maar moet er niet een reden zijn om dóór te lezen, net zoals er ook altijd een reden moet zijn om door te leven?
Clichés zijn op te vatten als woorden met pensioen: uitgewerkte, ‘werkloze’ taal. En nu ik de vervoeging ‘loos’ gebruik, bedenk ik me dat er ook wel erg veel ‘loos’ is in deze gedichten. Letterlijk. Woorden als ‘eindeloos’, ‘tijdeloos’, ‘grenzeloos’, ‘sprakeloos’, ‘roerloos’, ‘feilloos’, etc. komen relatief veel voor. Hetzelfde geldt voor woorden met een ontkennend karakter: ‘onbekende’, ‘onvoorziene’, ‘oneindig’, ‘onwezenlijk’, ‘onstoffelijk’, etc. De dichter wil iets zeggen, maar vindt vooral veel woorden voor wat het niet is. Wie wat vindt heeft slecht gezocht, zei Kopland. Is de dichter zelf soms ook een beetje lui? (Het probleem met luie schrijvers: als ze te hard moeten werken om een woord te vinden nemen ze gewoon het tegenovergestelde van wat het niet is.) Welnee, hij heeft het druk genoeg:

Ouroboros

Zo heb ik het schreeuwen verleerd.
In dagdonkere wanhoop.
In woorden die bevroren in mijn mond.

Als ijskristallen. Ongeboren.

Zo heb ik de taal uitgevonden
van het vergeten en het naamloze,
het onpeilbare verdriet.

En tegelijk ontdekte ik de
achterzijde van elke taal.

Het onuitsprekelijke besef
dat alles uiteindelijk zichzelf
als een slang verslindt,
zijn eigen staart opeet.

De kringloop voltrekt.
Zichzelf opnieuw uitvindt.

Tot in het oneindige.

Het ‘onuitsprekelijke besef’ blijkt toch niet zo onuitsprekelijk te zijn dat het niet direct daarna kan worden uitgesproken. Maar goed, dat is slechts een stilistisch euveltje. Misschien is het leuker om eens in te gaan op de denkwereld van de dichter. Ik denk dat hij het ogenblik terug wil brengen tot zijn essentie: het eeuwige ervan wil zien. Door zowel het verleden als de toekomst ‘te vergeten’ blijft het heden over en wordt het lusje van onze beslommeringen steeds kleiner. Hoe minder tijd het kost dat lusje te doorlopen hoe meer de essentie van ons ‘zijn’ zich openbaart, althans, dat kunnen we zo denken.

Is het een lusje dat kleiner wordt naarmate we ouder worden? Onze herinnering functioneert dan minder goed. Het valt soms op hoezeer oude mensen in het heden leven (hoe blij ze zijn met alleen maar een kopje koffie dat op een bepaald moment geschonken wordt). Ze moeten wel. Idealen en plannen maken is iets voor de jeugd (die overigens óók blij kan zijn met een kopje koffie, maar mogelijk minder vaak alleen daarmee). Toekomst is er nauwelijks voor oude mensen, en door vergeetachtigheid kalft het verleden af. Dat kan erge vormen aannemen, zoals het gedicht Dementie illustreert:

Ik werp het anker van mijn herinnering uit
maar je beeltenis dwarrelt weg.
In oneindigheid.

De klemhaken van mijn geest
zijn één en al metaalmoeheid.
Geen verleden.
Geen toekomst.

Niet langer schipperend
tussen winst en verlies,
ben ik het broze ogenblik.
Poreus.

Met mijn lichaam sprokkel ik
de laatste restjes tederheid.

Eigenlijk toch wel een aandoenlijk gedicht, met die ‘laatste restjes tederheid’, die door het lichaam worden gesprokkeld. Uiteindelijk rest ons niets meer dan een doorgeefluik te zijn: een poreus stukje tijd! Dat doet een heel klein beetje denken aan wat de Spaanse dichter Sint-Jan van het Kruis in ‘Coplas hechas sobre un éxtasis de harta contemplación’ (Strofen, gedicht na een geestverrukking) schreef:

Al kreeg ik zicht op grote dingen
toch uit ik niet wat ik zag;
want ik bleef in een niet-weten,
alle weten overstijgend.

Zo bezien moeten we nog heel wat afleren om bij de waarheid te komen. Het leven als een sprong in het duister! Van den Braembussche lijkt erdoor gefascineerd. Is hij een waarheidszoeker? Of wordt hij (of iemand die hij kent) geteisterd door een ziekte, zoals dementie, en zoekt hij daarom zijn toevlucht tot het absolute, het eeuwige? Als een soort van veilige haven. Maar al het vluchtige dat ons overal omringt vergeten is voor de meesten onder ons niet benijdenswaardig.
Uit de bundel wordt me een en ander niet echt duidelijk. Wel duidelijk is dat Van den Braembussche het ogenblik in zijn puurheid nastreeft en het ‘voortdurend zijn’ ervan als een soort ideaal ziet. ‘Het intense, weergaloze zijn’, noemt hij het zelfs in de laatste regel van de bundel.
Om de lezer een idee te geven van wat hem bezighoudt schrijft hij poëzie die absoluut aandoet (wat iets anders is dan absolute poëzie). Hij beweert veel dingen stellig, wat de indruk wekt dat hij weet waarover hij praat. Ik weet niet of dat zo is, maar ik weet wel dat zulke poëzie momenteel niet zo heel populair is bij mainstream uitgevers en critici (die hebben m.i. meer het standpunt dat alles – behalve het systeem natuurlijk – relativeerbaar is).

En dat brengt me weer terug bij de stijl van de dichter. Ondanks alle filosofische en mystieke wendingen die er in deze regels zitten, is deze poëzie minder doordacht en meer sentimenteel dan ze misschien lijkt. Wat zich als een emotie wil voordoen blijkt (te) vaak een gemeenplaats, een cliché, en ontaardt dan in sentiment. Sentiment dat overigens best aangenaam kan zijn, en voor de dichter zelf belangrijk genoeg (enkele gedichten lijken te worden voortgestuwd door de liefde voor een vrouw). Als lezer vóel ik alleen die echte emotie te weinig door de taal heen. Op een paar plaatsen na. Zoals deze:

Regen, misschien wel sneeuw

Er is regen, misschien wel sneeuw op komst.
Zo zei je. Alsof je iets anders wilde zeggen.

Iets dat vanuit de diepte kwam.
Nergens meer thuishoorde.

Je wist hoezeer ik van je hield. En toch
keek je strak de andere kant uit.

De bomen zwegen aan de horizon.
Boven de maïsvelden hing ijl de mist.

Wat meer met beide benen op de grond is dit meteen ook meer poëzie. Niet zo New Age, niet zo zweverig. Uitzichtlozer, maar (daardoor) ook veel aangrijpender. Want alles komt tenslotte misschien wel terug, maar niet in je herinnering.
___

Antoon Van den Braembussche (2018). Alles komt terug. Uitgeverij P, 48 blz. € 16,50. ISBN 9789492339539

Geplaatst in Recensies.