Bart Stouten – Onder de avondklok van de liefde

De ijsregen van kritiek

door Ernst Jan Peters

‘Liefdes zijn als sterren / die fonkelen tussen de wolken / van mijn zorgen.’ Zo begint het gedicht ‘Bestemming gezocht’ van de bundel Mobieltje met kapitein Haddock van Bart Stouten. Aangezette emotie met versleten beeldspraak vind ik het. Soms lees je in een bundel een paar zinnen die zo goed zijn getroffen dat de rest van de woorden nauwelijks iets meer kunnen verpesten. Soms lees je in een bundel zinnen die je tegenstaan en dan moet je actief op zoek naar tegenwicht. Het kan ironie zijn, een stijlgrap of een vergissing die later ruimschoots wordt goed gemaakt. Ik ben serieus en intensief op zoek gegaan…

Bart Stouten is al heel wat jaar actief als dichter. Vanaf 2002 publiceert deze Vlaamse radioman bundels bij Uitgeverij P uit Leuven, slechts één bundel verscheen elders. Zijn tiende bundel, Mobieltje met kapitein Haddock is, wellicht bij wijze van jubileum, meteen opgenomen in een verzamelwerk, een bloemlezing uit eigen werk: Onder de avondklok van de liefde. Het is nummer 17 in de Parnassusreeks van Uitgeverij P, Nummer 16 (Krabbengang) bevat het werk van Stefaan van den Bremt en het is deze dichter die verantwoordelijk is voor de inleiding van Stoutens bloemlezing. En omdat de heren in meer dan één opzichte collega’s zijn, krijgen we ook een indruk van de mensch Stouten. We leren dat hij in zijn jeugd kampte met een zware vorm van astma en dat hij op 15-jarige leeftijd betrokken is bij een zeer ernstig auto-ongeval. Bart verliest daarbij zowel zijn beide ouders als zijn tweelingzus en blijft in een wekenlange coma. Of dat een relatie heeft met zijn dichtwerk, is altijd de vraag, maar Van den Bremt filosofeert verderop: ‘Poëzie combineert de muzikale en de visuele kracht van de taal: je kunt er tegelijkertijd in componeren en schilderen. Poëzie is er ook om hem te helpen wanneer het leven een puinhoop dreigt te worden; het lijkt haast of de betere verzen moeilijke omstandigheden nodig hebben om tot stand te kunnen komen.’

Wie is de ‘hem’ in deze passage: de dichter in het algemeen of specifiek dichter Stouten? De vraag is relevant want het lijkt inderdaad soms dat de gedichten meer een uiting zijn van het verwerken van persoonlijk verdriet dan een poging om een talig kunstwerk te maken. Stouten durft ‘grote woorden’ te gebruiken: Hoop, Genade, Dood, Eenzaam, Ondergang, Onschuld, Toekomst en vooral Liefde. Woorden die zo verschrikkelijk veel betekenen dat ze niets meer écht betekenen. Van een dichter wordt verwacht deze grote woorden weer te laden met het gevoel dat past bij de ervaring. Vooral de ‘Liefde’ komt heel veel voorbij. Tot in de titel van de bloemlezing en daar met een ernstige beperking: de avondklok, de start van de spertijd waarin je niet meer buiten mag komen. Liefde heeft zo’n goede reputatie, maar levert vooral teleurstellingen op.

Maar liefde en het ontbreken ervan is niet het enige probleem waar de ‘ik’ mee te maken krijgt. Er is ook sprake van diefstal. Niet stiekem: gewoon in alle openheid en met veel misbaar.

Het luide jatten

Dat er een striemende wind staat
is het ergste niet.

Je bibbert je problemen weg
en houd je overeind op de ijsregen
van kritiek,

onder het gejank van sirenes
die in de verte
met je verzen wegrijden.

Dat luide jatten moet je pareren
met sprekende stilte. Een wenkbrauw
zal het werk voor je doen. En zakken
wanneer de storm gaat liggen

of poëzie op kousenvoeten terugkeert
om het ongehoorde uit te spreken.

We zien drie vormen van beeldspraak: het weer (wind, regen, storm), het verkeer met luide sirenes en de kousenvoeten. De ‘ik’ doet of het hem allemaal niets doet. Van zijn pokerface zet hij alleen zijn wenkbrauw in. Het ‘ongehoorde’ heeft twee betekenissen: onfatsoenlijk, maar ook datgene waar niet naar wordt geluisterd. Stouten zet deze term vaker in, in 2013 verscheen zijn bundel Ongehoorde vragen waarin ieder gedicht antwoord probeert te geven op de vraag die tevens titel is.

Drie vormen van beeldspraak maar ze versterken elkaar niet. Ze opereren parallel langs elkaar en dragen niet bij aan de kracht van het gedicht. Moeten wij kennis hebben van het persoonlijk leven van de dichter om te weten over welke diefstal het gaat? En die ijsregen van kritiek is die er altijd of hangt die samen met de rumoerige roof?

Warmer kan ik de regen niet maken. Bij het gedicht ‘Recepties vroeger en nu’ gaat de rijmdwang er met het gedicht vandoor in strofen als ‘Zie ons in kostuum/ van toastje naar toastje meanderen,/ mensen kijken/ alsof we van planeet veranderen.’ En ‘Onze blik wordt atmosferisch/ verstoord bij ’t jengelen,/ in een hogedrukgebied, van flirtende engelen.’ Ironie zou je zeggen, maar daarvoor krijgen we verder geen aanwijzingen. En voor al het geconstateerde onrecht heeft de ‘ik’ opnieuw maar één oplossing: stil vallen…

(…)
maar ik zwijg. Ik zwijg
zoals de wereld daarbuiten,
die verder ploegt
terwijl de kinderen muiten.

Zwijgen, stil zijn aan de ene kant en schrijven/dichten aan de andere kant zijn de instrumenten om de onrechtvaardige wereld tegemoet te treden.

Er zijn zo

er zijn zo van die dagen
dat verlies zich niet benoemen laat
maar als een verdwaalde paus
door donkere straten waart

het is als een vulkaan
die niet in verzen wil uitbarsten
maar prozaïsch wat toeristen ontvangt
in de afgedreunde zinnen van een gids

je herkent geen bange hoop meer
dat er rode kaarten worden uitgedeeld
je verrader staat op het veld
en kwelt je met de score van je ongeluk

zink niet weg, hart van mij,
blijf jubelen in je verborgen agenda
en zoek de nieuwe woorden op

waarin niemand je toekomst herkent

Er zijn zo van die gedichten met zoveel beeldspraak dat het tegen gaat staan. We hebben hier een verdwaalde paus en een vulkaan die normaal verzen spuwt maar nu slechts dienst doet als toeristenmagneet. Dan hoppen we snel naar het stoere voetbalspel voor de beeldspraak van veld, score en rode kaarten. Dat gebeurt allemaal om de laatste regels voor te bereiden. Houd vol, verdrietige ‘ik’, lach alleen maar stiekem, en ga op zoek naar een taal waar je je in kunt verschuilen. Misschien is de taal in Stoutens verzen die taal al. Misschien is het helemaal niet de bedoeling dat de lezer, toch onderdeel van de boze buitenwereld, begrijpt wat er omgaat in de gedachtewereld van de luid zwijgende ‘ik’. In dat geval is de opzet geslaagd en kan ik niet anders dan deemoedig het hoofd buigen.

____

Bart Stouten (2018). Onder de avondklok van de liefde. Uitgeverij P, 190 blz. € 20. ISBN 9789492339560

Geplaatst in Recensies.