Klassieker 224: P.C. Hooft – Sonnet ‘Mijn lief, mijn lief, mijn lief’

door René Leverink

Meander Klassieker 224

Het sonnet ‘Mijn lief, mijn lief, mijn lief’ is één van de bekendste gedichten van Pieter Corneliszoon Hooft (1581-1647). Al is het maar, omdat de letterkundigen elkaar hierom meermalen in de grijze haren vlogen. René Leverink blaast het stof van de letters, en treft een kunstig en klankrijk gedicht aan, waarmee P.C. Hooft (jawel, van de latere dure winkels) zijn jonge geliefde of in ieder geval zichzelf het hoofd behoorlijk op hol bracht.

Sonnet

‘Mijn lief, mijn lief, mijn lief.’ Zo sprak mijn lief mij toe,
dewijl mijn lippen op haar lieve lipjes weidden.
De woordjes alle drie, wel klaar en wel bescheiden,
vloeiden mijn oren in, en roerden (‘k weet niet hoe)
——–al mijn gedachten om, staag malend, nemmer moe;
die ’t oor mistrouwden en de woordjes wederleiden.
Dies ik mijn vrouwe bad mij klaarder te verbreiden
haar onverwachte reên; en zij verhaald’ het doe.
——–O rijkdom van mijn hart, dat overliep van vreugden!
Bedoven viel mijn ziel in haar vol hart van deugden.
Maar toen de morgenstar nam voor den dag haar wijk
——–is, met de klare zon, de waarheid droef verrezen.
Hemelse goôn, hoe komt de schijn zo na aan ’t wezen,
het leven droom, en droom het leven zo gelijk?

P.C. Hooft (1581-1647)

Uit: De gedichten. (2012) Verzorgd en uitgegeven door Johan Koppenol en Ton van Strien.
Uitgever: Athenaeum-Polak & Van Gennep

Pieter Corneliszoon Hooft (1581-1647) was achtentwintig toen hij dit sonnet in januari 1610 schreef. Het jaar ervoor was hij benoemd tot baljuw van Gooiland en had hij zijn intrek genomen in het Muiderslot. Daar wijdde hij zich, naast zijn bestuurlijke taak, onder meer aan de poëzie. ‘Mijn lief’ is hoogstwaarschijnlijk geschreven voor Christina van Erp, met wie hij later dat jaar in het huwelijk zou treden. Het sonnet is op het eerste gezicht niet bijzonder lastig te interpreteren. Johan Koppenol en Ton van Strien maken er in hun schitterend uitgegeven bundel ook niet overdreven veel woorden aan vuil: “De minnaar droomt dat zijn vrouwe voor hem staat en lieve woordjes tegen hem zegt. De liefdesdroom is een bekend thema in de petrarkistische poëzie, maar de inzet in medias res (het gedicht begint zomaar middenin de droom/rl) is ongebruikelijk. Anders ook dan in de ‘gewone’ petrarkistische liefdesdroom, die sterk erotisch getint is, ligt hier de nadruk op de woorden van de geliefde: de minnaar is enthousiast dat zij hem ‘mijn lief’ noemt.” Toch valt er nog wel meer te zeggen over dit beroemde sonnet.

De vorm van het gedicht (sonnet dus) wordt nu als zeer traditioneel beschouwd, maar was dat natuurlijk minder toen het geschreven werd. Het sonnet werd in de zestiende eeuw in de Nederlandse literatuur geïntroduceerd, maar kwam pas tot bloei door dichters als Roemer Visser, Bredero en Hooft. Enigszins bijzonder is wel dat de omslag in het gedicht niet, zoals gebruikelijk, na het tweede kwatrijn plaatsvindt, maar twee regels later. De door middel van inspringen aangegeven indeling waar Koppenol en Van Strien voor gekozen hebben, is derhalve betwistbaar. Er is veel voor te zeggen om de laatste vier verzen als een kwatrijn te beschouwen en de verzen 9 en 10 als een apart staand distichon. Ook het rijmschema wijst in die richting: ABBA ABBA CC DEED. We zullen straks zien dat deze indeling ook door de inhoud ondersteund wordt. Andere klankaspecten zijn een aantal alliteraties (vijf keer ‘m’ in regel 1; lippen-lieve-lipjes in 2; woordjes-wel-wel in 3; mijn-malend-moe in 5; woordjes-wederleiden in 6; mijn-mij in 7; van-vreugden in 9; bedoven-viel-vol-van in 10; hemelse-hoe in 13) en assonanties (dewijl-mijn-weidden in 2; vloeiden-roerden-hoe in 4; staag-malend in 5; oor-woordjes in 6; klaarder-haar-verhaald’ in 7-8; morgenstar-nam-dag in 11; klare-waarheid in 12; verrezen-hemelse-wezen-leven-leven in 12-14).

Qua stijlmiddelen komen we in de eerste versregel uiteraard de in het oog springende repetitio van ‘mijn lief’ tegen (die in de literatuurwetenschap nog tot groot tumult zou leiden, ook daarover straks meer). In 2 valt de bijna-herhaling lippen-lipjes op, die ik overigens niet echt fraai vind. Een volgende repetitio zien we in 3: wel klaar en wel bescheiden. Klaar en bescheiden vormen hier een tautologie, aangezien bescheiden hier ‘duidelijk te verstaan’ betekent. Het omroeren van ‘mijn gedachten’ door de woorden van ‘mijn lief’ zou je een personificatie kunnen noemen, zeker in combinatie met ‘staag malend’ en ‘nemmer moe’. Personificaties zien we ook in 10 (‘bedoven viel mijn ziel’), in 11 (‘de morgenstar nam voor den dag haar wijk’) en – in zekere zin – in 12, het verrijzen van de waarheid, samen met de zon. Een merkwaardige constructie is ‘vol hart van deugden’. Misschien kan een latinist hier helderheid verschaffen. Een fraai dubbel chiasme zien we in 13-14: schijn-wezen, vervolgens leven-droom en dan weer terug naar droom-leven. Zo trekken meer combinaties door hun dualiteit de aandacht: in 1 de eerste drie keer ‘mijn lief’ tegenover de vierde; in 2 mijn lippen / haar lipjes; mistrouwden (wantrouwden) / wederleiden (tegenspraken) in 6; mijn hart-vreugden / haar hart vol deugden in 9-10; mijn ziel / haar hart in 10; morgenstar / zon in 11-12; klare / droef in 12; schijn / wezen in 13; zon / schijn in 12-13; leven / droom in 14. Al deze combinaties vertonen een zeker verband.

Tijd om naar de inhoud te kijken. De eerste versregel hoort tot de beroemdste in onze literatuurgeschiedenis. In 1966 publiceerde J.J. Oversteegen in Merlyn het essay ‘Hooftse wendingen’, waarin hij het sonnet onder meer analyseerde volgens de principes van het toen (althans in Merlyn-kringen) in zwang zijnde close reading. Dit hield in dat je enkel en alleen naar de tekst (beter nog naar de afzonderlijke woorden) keek, en verder alle context buiten beschouwing liet. Oversteegen noemt dat de ‘lineaire beschouwing’. Je leest dus in eerste instantie alleen ‘mijn lief’ en veronderstelt dan dat er gewoon een zin volgt als ‘mijn lief rookt weer’. Maar dan komt er nog een ‘mijn lief’ en verwacht je bijvoorbeeld ‘mijn lief, mijn lief, wat stom dat je weer rookt’. Wéér fout – er volgt een derde ‘mijn lief’, met daarachter ‘Zo sprak’. Ah, het is een citaat; en geen geïrriteerde verzuchting, maar een intieme liefdesuiting, en wel van de vierde ‘mijn lief’ – ‘mijn vrouw’ dus. In dezelfde jaargang van Merlyn reageert F.L Zwaan op Oversteegen. In zijn ‘Onhooftse kronkelingen’ laat hij niets heel van diens interpretatie: “Ik heb in geen tijden zulke kolder gezien.” Volgens Zwaan houdt lineair lezen in dat je een papier in de hand neemt, ‘Mijn lief’ leest en ‘bliksemsnel’ het papier over de volgende woorden legt. En zo gaan we, aldus Zwaan, ‘regelrecht het gekkenhuis in’. We hebben hier en nu helaas geen tijd en plaats om uitgebreid op de vermakelijke controverse in te gaan. Oversteegen komt met nog veel meer gewaagde interpretaties, die stuk voor stuk door Zwaan neergesabeld worden, waarna Oversteegen weer met een antwoord aan Zwaan komt, en zo verder. Het sonnet blijft de letterkundige gemoederen bezighouden. Zelfs nog in de jaren tachtig krijgt Oversteegen er opnieuw van langs in een artikel van L. Strengholt in Spektator.

Intussen is wel duidelijk dat versregel 1 gewoon niets anders betekent dan dat wat er staat, dat het liefje van de ik-figuur drie keer ‘mijn lief’ tegen hem fluistert, en dat terwijl hij haar kleine kusjes geeft. ‘De woordjes alle drie’ (ook daarover veel discussie – het zijn er toch zes? Klopt, maar ‘een woordje’ heeft wel vaker betrekking op meerdere woorden, denk maar aan constructies als ‘een dankwoordje’) dringen via de oren de hersens van de dichter binnen en maken hem tureluurs: hij gelooft zijn eigen oren niet, dat kan toch niet waar zijn, dat ze zo maar ineens ‘mijn lief’ tegen me zegt – en zelfs drie keer (er kraait nog net geen haan…)? Hoor ik het goed, vraagt hij in vers 7, kun je die onverwachte woorden nog een keer zeggen, en dan duidelijker graag? En ja hoor, nog drie keer ‘mijn lief’ (verhaalde betekent hier herhaalde). Hij had het goed verstaan. Eindelijk! Zijn avances hebben succes gehad. De dichter kan zijn geluk niet op. Zijn hart loopt over van plezier. En in háár hart, dat weliswaar al vol zit met deugden, is er kennelijk nog plek voor zijn ziel.

Dan volgt de deceptie. Op het moment dat de morgenster (de planeet Venus) verbleekt in de stralen van de opgaande zon, komt ook de trieste werkelijkheid aan het licht. ‘Hemelse goden’ (het is renaissance!), verzucht de dichter, hoe kan het toch dat schijn en wezen zo veel op elkaar lijken, dat er geen verschil lijkt te zijn tussen droom en leven? Mijn lief, mijn lief, mijn lief, waarom heb je mij in mijn droom zo voor de gek gehouden?

Rest nog de constatering dat in vers 14 ‘droom’ niet alleen op het leven lijkt, maar andersom het leven ook ‘droom’. En dat is best gek, want dat zou betekenen dat de dichter in het echte leven dingen meemaakt die ‘om van te dromen’ zijn. En dat past totaal niet in de gedachtegang van het gedicht. Ik houd het er maar op dat Hooft zich heeft laten meeslepen in een poëtisch, kunstig woordenspel.

René Leverink

____

Het gedicht is in de oorspronkelijke spelling te lezen in het Sonnettenproject van Marc van Oostendorp.

Meander Klassiekers

In deze rubriek bespreken we elke maand een bijzonder gedicht, dat de tand des tijds heeft doorstaan. Of zal doorstaan. Sinds 2000 zijn in deze reeks ruim 200 analyses verschenen. Klik hier voor recente klassiekers, en hier voor een overzicht van alle klassiekers t/m maart 2018.

Reageren op deze bespreking?

Neem contact op met de redactie: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)

Zelf een bijdrage leveren?

Voor de komende maanden staan al besprekingen ingepland, maar we houden ons altijd aanbevolen voor nieuwe inbreng. Mocht u zelf ideeën hebben voor een bespreking, neem svp tijdig contact met ons op: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)

Eric van Loo, redacteur Meander Klassiekers

Geplaatst in Klassiekers.