Willem Jan Otten – Genadeklap

De genadeklap van de poëzie

door Johan Reijmerink

Willem Jan Otten is de dichter van het ‘beyond’, van het boven, onder langs en voorbij gaan aan wat wij in de regel werkelijkheid noemen. Daardoor onderkent hij momenten waarin hij boven de eigen ervaringen en gewaarwordingen uitreikt. Bovenal tast hij naar het vervreemdende in wat ons vanzelfsprekend voorkomt. Zo gaat Otten in zijn laatste bundel Genadeklap (2018) op expeditie en neemt hij ons mee op zijn droomtochten over het water op weg naar een overzijde. Droom, water, reisgenoot, expeditie, overzijde en oorsprong zijn woorden die veelvuldig in deze bundel opduiken.

De bundel bestaat uit vijf afdelingen die deels zijn opgebouwd uit op zichzelf staande gedichten in een onderlinge thematische samenhang én reeksen van langere gedichten die een anekdotisch-wentelende en tegelijk sterk reflecterende inslag hebben. De Griekse mythologie dient Otten ook nu weer tot referentiekader. Zijn taalgebruik heeft een licht archaïsche inslag door woorden als ‘verbeidende’ en  voorgeplaatste bepalingen als ‘Even onbegrepen als der dingen aanvang’, maar daarnaast gebruikt hij neologismen als ‘elkaarverlaters’  en gewone spreektaal als ‘belabberd’. De variëteit in zijn taalgebruik onderstreept zijn voortdurend heen en weer bewegen tussen de wereld van droom en werkelijkheid. In veel van zijn gedichten valt een religieuze grondtoon waar te nemen, zonder dat de mistige en grondeloze werkelijkheid van alledag uit het oog wordt verloren. Hij blijft als een mysticus zoekend en tastend de werkelijkheid bevragen op haar meerduidigheid en grondeloosheid.

Mijn aandacht wordt in de eerste afdeling vooral getrokken door de langere, titelloze gedichten als ‘na sluitingstijd’ en ‘de veerman luidt de bel’, omdat die karakteristiek zijn voor de poëzie en de werkwijze van Otten. In het gedicht ‘na sluitingstijd’ laat hij de lezer meelopen langs een beroemd schilderij van Hans Holbein De Jonge (1497/98-1543). Het gaat om Der Leichnam Christi im Grabe. Otten weet de fabuleuze schildertechniek van Holbein te combineren met de indrukken van passerende museumbezoekers. Hun ‘defilé van blikken / glijdend langs / zijn aanstootgevend lijf’ roept vragen op als ‘wie is die meneer’. Het trekt mensen uit hun eigen leven weg, maar tegelijkertijd roept de afgebeelde figuur bij hen herinneringen op, zoals die van een arts in spe ‘die met zijn rechterhand / zijn eerste snee herinnerde, / de bange scalpel van zijn eerste lijk’. Vlak voor sluitingstijd verschijnt er de jongen ‘die, / achter uit zijn capuchon / hem ziende, / overweldigd werd / door water kolkend / in een diepte onder hem’. Dan volgt er weer zo’n typische Ottens passage waarin je als lezer even kopje onder wordt gedrukt: ‘maar waar wanneer – / allen heeft hij opgenomen / in zijn doezelend besef.’ Door de jongen met capuchon worden alle bezoekers meegetrokken naar een dimensie waarover onze denken geen controle meer heeft. De herrezen figuur verlaat in de verbeelding midden in de nacht het Kunstmuseum te Bazel en gaat via de binnenplaats waar De burgers van Calais van Rodin staan opgesteld, de straat op. Rakelings scheert de herrezen figuur hier aan de realiteit voorbij. Niemand herkent hem. Hij bereikt de nabijgelegen brug en ziet nu wie hij heeft gevolgd: ‘In hem klinken alle stemmen van de dag, / alle vingertoppen voelt hij, ondanks de suppoost.’ Vanaf de brug in de Rijn overweegt hij een sprong op het moment dat hij ‘pal naast de jongen met de capuchon’ staat. Hij staart naar het kolkende water ‘dat nooit voorbij zijn kolken komt.’ Bij het zien daarvan weet de hij zich opnieuw verbonden met het leven. Op het snijvlak van droom en werkelijkheid weet Otten ons de ogen te openen voor wat groter is dan wijzelf zijn.

De denkbeeldige veerman uit het gedicht ‘De veerman luidt de bel’ brengt ons naar de denkbeeldige overzijde. Hij herinnert aan Sebastiaan uit Het Veer van Martinus Nijhoff. Zijn gezicht blijft verborgen in de capuchon, zoals die door de heilige Franciscus wordt gedragen op de schilderijen van de Spaanse schilder Zurburan. Otten weet het mysterie rond de hij zo op te voeren dat de ik met de jongen met de capuchon een gevecht aangaat als Jakob met de engel. De doodslag die ten slotte volgt, vormt de genadeklap, omdat hij in de oogopslag van de ander de blik van zichzelf herkent met het verlangen naar de oneindigheid. De ik roeit vervolgens de veerman en zichzelf door de mist naar ‘de ongeformuleerde overzij’. Er is een spiegeling opgetreden tussen beide droomgestalten. De verwachting die er van de ik uitgaat naar de jongen met de capuchon, wentelt zich terug op de ik om hem in zijn verbeelde vrijheid zijn verantwoordelijkheid voor de eigen zingeving te laten opnemen.

De tweede afdeling ‘afloopverzwijgers’ analyseert Otten de precaire verhouding die huwelijk heet, tussen een zij en een hij. Hij brengt in beeld de wederzijdse afhankelijkheid naar lichaam en geest, maar ook de onoverkomelijke verlatenheid die telkens weer voelbaar wordt als de ander verdwijnt voor kortere of langere tijd. Door de jaren heen neemt die afhankelijkheid alleen maar toe. Telkens is voor de ik weer de conclusie: ‘genadeklap was zij voor hem, / hij haar evenknie in bang zijn voor verlatenheid.’ Zij zijn elkaars genadeklap. De wijze waarop Otten de complexiteit van de voortdurend in beweging zijnde gevoelens verwoordt, getuigt van een groot inlevingsvermogen en een fenomenaal taalvermogen: ’Zij spelen in één dal van tijd, / Zij leven op elkaars verdwenen zijn.’ Ook nu weer het schip dat vaart op weg naar het onherroepelijke vasteland, terwijl ondertussen de ander de een niet verleidt ‘tot weten wat nog zwijgt.’ Het naderend afscheid komt steeds dichterbij: de moeite van het loslaten. Dat is wat de afloopverzwijgers in deze huwelijkse verbintenis ondergaan! Wederom komen de metaforen van de veerman, het water, de droom er aan te pas om het ongerijmde van dit afscheid te verbeelden.

Als derde afdeling ‘Elf keer tot de Heer’ heeft Otten ‘Eleven Addresses to the Lord’ van de Amerikaanse dichter John Berryman (1914-1972) tot leidraad gekozen. Het zijn openhartige monologen tot de ‘Meester van schoonheid’. Het hiernamaals, leven na de dood, de verloren zielen, de boosheid over kleine en grote zaken, de transfiguratie, maar ook het management van de kerk door de eeuwen heen, niets blijft in deze verzen onaangeroerd. Uiteindelijk verzucht de ik: ‘Wie ben ik waardeloze dat U zich zo heeft gespijkerd / en mijn pijnen weer terugneemt wie weet? / Ik begrijp het niet, maar ik geloof.’ Alle twijfel lijkt voor even vergeten: ‘Laat mij uitgeput te neer liggen, daar tevreden mee.’ Deze bij onze tijd passende en zelfkritische getuigenis vol twijfels toont een mens die zoekend maar ‘bevreesd’ tuurt ‘langs het bergpad omhoog / waar eens Uw schaduw voorbijkwam, U die met wolken / hun fantastische vermoedens verlucht.’ Aan alles valt af te lezen dat het verlangen en de overgave sterker is dan het wantrouwen en de twijfel aan het bestaan van de Meester der schoonheid.

Naast enkele korte gedichten staan er in de vierde afdeling ‘De ene tel’ twee langere gedichten: ‘Expeditie’ en  het titelgedicht ‘De ene tel’. Het eerste gedicht beschrijft de wederwaardigheden in essentie van een Zweedse expeditie naar een ‘hemelhoge waterval’. Die waterval roept onbegrip en onenigheid op bij de expeditieleden. Ze krijgen het besef: ‘hier vangt het aan.’ De oorsprong der dingen! Het betreft hier niet iets wat in het verleden, het heden of de toekomst gebeurt, maar wat ‘gebeurende’ is. Het natuurfenomeen maakt hen sprakeloos. Het betreft iets wat door niets overtroffen kan worden: het is een nec plus ultra. Er lijkt een grens bereikt te zijn in wat zij kunnen bevatten. De priester-geograaf Josefson droomt er ’s nachts van. Aan hem verschijnt ‘iets zwarts (…) / iets vormeloos, / een stronk.’  De stronk gebaart: ‘het is een mens / en in dezelfde glimp / is hem volstrekt bekend / wie hij ontwaart, elke nacht een ander, / altijd iemand die hij kent’. Vlak voor dat de bekende verdwijnt, schiet hij wakker. Even vliegt op zulke momenten een ogenblik van vereeuwiging aan hem voorbij. In het titelgedicht ‘De ene tel’ verhaalt de ik over zijn vader die uit een coma bijkomt uit ‘waar hij dus niet meer was, / maar [evenmin] aangekomen was’. Daar heeft hij muziek gehoord die hij kent. Hij voelt ‘hoe die ene tel / mij  naderde’. Nu wacht hem gerust de dood.

De vijfde en laatste afdeling ‘Praesenium’ duidt op gebeurtenissen die aan de ouderdom voorafgaan. Bijzonder fraai geeft het aanvangsgedicht ‘Perfectum’ inzicht in Ottens poëzieopvatting waarin de dichter met de veerboot van het eiland vertrekt. De ‘Gedichten’ zijn ‘ingeklaard’, de ‘jongens Cassiopeia’ staan aan de hemel. De dichter heeft ‘Gedachten die altijd bestonden alsnog ingedacht’. In deze afdeling staan meer gedichten waarin de vergetelheid huishoudt, zoals het dooien in het hoofd van een ‘Hersendode’. Otten grijpt opnieuw terug op de mythologie om daaraan zijn levensvisie te scherpen. Met de literatuurwetenschapper en Leopoldkenner Dick van Halsema houdt Otten zich staande.

Onvoltooid leven

Voor Dick van Halsema

Zelfonderbreker, altijd bezig aan één zin,
bijzin binnen bijzin binnen bijzin,
alles zet hij tussen Leopolds komma’s,
niet te volgen woorden struikelaar,
peuter die tuimelend leert lopen,
toch de tocht door de bezaaide kamer
maakt, omsingeld door voltooide weters,
hij houdt zich staande met de moed
der poëzie, staande houdt hij steeds
dat schoonheid onverklaarbaar zij,
eerst als ik haar onvoltooibaar
heb verklaard, zegt hij, ben ik hier klaar.

Net als de religie reikt de poëzie naar wat onbegrepen en onverklaarbaar is.

In deze dichtbundel lijkt Otten op expeditie te zijn naar de oorsprong der dingen in het besef dat hij er nog meer van zou kunnen zeggen dan hij kan, of ervaren dat hij er meer van kan zeggen dan hij dacht te kunnen. Het is dan ook niet vreemd dat hij in zijn gedichten dikwijls reikt naar de wereld van de dromen, maar ook zoals de ik zich in het laatste gedicht ‘Odysseus laatkomer’ van de vijfde afdeling vereenzelvigt met Odysseus door vast te stellen dat hij niet ontkomt aan ‘zijn eigen blik’. Otten wankelt hier zijn bundel uit, maar wel zodanig dat hij licht werpt op eeuwigheidsmomenten die voorbij gaan aan de werkelijkheid. Daarin deelt hij ons de genadeklap van zijn poëzie uit.

____

Willem Jan Otten (2018). Genadeklap. Uitgeverij Van Oorschot, 90 blz. € 17,99 ISBN 9789028270336.

Geplaatst in Recensies.