Lévi Weemoedt – Pessimisme kun je leren!

De lachspiegel van Weemoedt

door Inge Boulonois

Tot grote blijdschap van vele lezers verscheen recent weer een verzamelbundel van schrijver en dichter Lévi Weemoedt (1948). Pessimisme kun je leren!, een heerlijk absurde titel, is in oktober jongstleden uitgekomen, ruim veertig jaar na zijn debuut Geduldig lijden (1977). In korte tijd heeft de bundel een flink aantal herdrukken beleefd. Die van mij is in november als zevende druk van de persen gerold. Sinds de bundel werd gepresenteerd in De Wereld Draait Door bij Matthijs van Nieuwkerk vliegen de exemplaren als warme broodjes over de toonbank. Terwijl ik dit schrijf staat de bundel zelfs op nummer 1 van de Bestseller 60!

Pessimisme kun je leren! bevat zeventig verzen en kwam, als verjaarscadeau, op de zeventigste verjaardag van Weemoedt uit. Een groot fan van hem, schrijver en columnist Özcan Akyol (bekend als Eus), maakte de selectie. Eus’ favorieten komen uit twee bundels, Met enige vertraging (2014) respectievelijk Vanaf de dag dat ik mensen zag (2007), een eerdere verzamelbundel.

De uitgever, Nijgh & Van Ditmar, maakte er een zowel aantrekkelijke als toepasselijke hardcover van. Het fond heeft een kleurig bloemen- dan wel cirkelpatroon waarin onverzadigde, herfstbruine tinten niet te negeren zijn. Er lijkt een elegisch bruine zweem over te liggen, wat niet alleen mooi aansluit bij de tragi-komische toonzetting van de inhoud, maar ook bij de auteursnaam, pseudoniem van Isaäck Jacobus van Wijk. In de wereld van de letteren was Weemoedt indertijd een grote naam. Samen met Hans Dorrestijn introduceerde hij ‘De Nieuwe Treurigheid’, een stroming waarin weemoed en pessimisme met een liefst forse dosis humor worden opgevrolijkt.

De nieuwe bundel bevat verzen in allerlei vormen; ook sonnetten ontbreken niet. Weemoedts thema is Weltschmerz. Het ervaren menselijk tekort verpakt hij in eigenzinnige humor, ironie en niet te stuiten zelfspot. Zijn gedichten komen eenvoudig over, maar dat is schijn. Weemoedt bezit naast een grote vindingrijkheid een kernachtige dichtstijl. De verzen zijn metrisch, meestal jambisch, en hebben eindrijm. Of het nu om vrouwen gaat, om sport of werk: de grote constante is de haast bodemloze triestheid – al dan niet geveinsd of zwaar gechargeerd. Met het kwatrijn ‘Levensmoe’ wil de dichter ons doen geloven dat de droeve afdronk van zijn leven zich al in de eerste levensjaren manifesteerde:

Ik hief mijn hoofdje uit de kinderwagen
en zag voor ’t eerst de mensen om mij heen.
Ik stelde nog een paar gerichte vragen
en wist genoeg. En was gelukkig weer alleen.

Met zo’n blik op de wereld kan het niet anders dan dat het later met de liefde verkeerd afloopt, wat ook uit ‘Valentijn’ blijkt, een vers dat in puntige parallellie is gegoten:

Ik zag m’n ex vandaag
en stom:

ze had haar ontrouwring
nog om.

Dat ook Weemoedts spiegelbeeld geen soelaas brengt, wordt kort en krachtig onthuld in ‘Spiegeltje, spiegeltje…’ : ‘Hoe ik mijn haar ook kam, bij kaars- of neonlicht: / wat er ontstaat is nooit een eigentijds gezicht’. Meer dan twee regels maakt hij daar niet aan vuil. Het spotten met zijn negatieve zelfbeeld – stuntelig en volkomen ongeschikt voor het leven – is doortimmerd en overdadig uitgewerkt in het volgende gedicht, een kloppend zesvoetig Tennyson-Turner’s sonnet.

Lullopertje

‘k Was ied’re wedstrijd weer de droefste van het veld
en liep neerslachtig wat van achteren naar voren.
Er was geen grasspriet of ik had hem al geteld,
En ‘k wist bij god niet of we wonnen of verloren.

Alleen bij toeval raakte ‘k in het spel betrokken:
Soms kreeg een tegenstander plots de slappe lach
Als hij mijn broek zag, tot de schouders opgetrokken;
Ik liep intussen snikkend naar de cornervlag.

Daar gaf ‘k wanhopig zó een trieste draaibal voor
(die met een laatste zucht in ’t struikgewas bleef hangen)
dat ied’reen weghinkte, zich kermend liet vervangen.
Ook van de tegenstander bleek ineens geen spoor.

Dan blies de scheidsrechter met zó veel doodsverlangen
de wedstrijd af. Alleen mijn tranen speelden door.

Humor wordt door Weemoedt bewerkstelligd door de stijlfiguur van de hyperbool, de overdrijving. In dit sonnet neemt de hyperbool wel heel karikaturale proporties aan. Weemoedts versjes doen denken aan de negentiende-eeuwse Snikken en grimlachjes van Piet Paaltjens, maar bij eerstgenoemde ligt het er veel dikker op.

De ondertitel van de bundel luidt: de mooiste versjes. Commentaar op Eus’ keuze is dan natuurlijk makkelijk. Ik vind het jammer dat Eus zich beperkt heeft tot werk uit maar twee bundels. Daardoor ontbreekt bijvoorbeeld ‘Vlaardings roem’ (Van harte beterschap, 1982) wat Komrij wel opnam in zijn tweedelige bijbel. Van mij hadden ‘Liefdessprookje ‘ (p. 23) en ‘De Drenten’ (p. 25) er niet in gehoeven, dat zijn wel zeer bekende, oubollige grappen. Ik mis ook ‘Weemoedt’s Herfstcantate’ (uit Zand erover (1981), een sonnet dat ik u hier niet wil onthouden: https://jkleest.nl/2017/10/weemoedts-herfstcantate-levi-weemoedt/ .

Pessimisme kun je leren! bevat uitsluitend gedichten die eerder in bundels zijn verschenen. Gelukkig is Weemoedt inmiddels aan een nieuwe bundel begonnen die, naar eigen zeggen, zijn laatste zal zijn en in het najaar van 2019 moet verschijnen.

Ik ben zeer benieuwd hoe Weemoedt als zeventigjarige dicht en of de lachspiegel nog dezelfde soort vervormingen reflecteert.

____

Lévi Weemoedt (2018). Pessimisme kun je leren. De mooiste versjes uitgekozen door Özcan Akyol. 7e druk. Nijgh & Van Ditmar, 88 blz. € 15,- . ISBN 9789038806310

Geplaatst in Recensies.