Astrid Arns – Mijn naam op de deur

Geen terugreis

door Maurice Broere

Op de site van Meander vond ik een interview van 20 maart 2018 met drie dichteressen. Ze zijn familie: Astrid en Jana, moeder en dochter, en Frouke, een nicht van de moeder. Jana en Frouke hadden al bundels gepubliceerd, maar Astrid nog niet. Dat er een op verschijnen stond, werd al aangekondigd en de bundel is inmiddels uit. Een mooi debuut, de familie waardig. We zien een evenwichtig opgebouwd boekje, dat verdeeld is in vier afdelingen: ‘Moeders en dochters’, ‘Afstand’, ‘Onderweg’ en ‘Vergeten’. De gedichten zijn niet langer dan een bladzijde en hebben alle een titel. Opvallende motieven zijn: huis, zee, transparant, ondoorzichtig, dichten, dementie, eenzaamheid, slijtage van relaties. Astrid Arns blijkt een goed waarneemster en weet heel mooi sfeer op te roepen.

De dichter

Je stelt je een vrouw voor.
Zij breekt het potlood om wat zich vastzet in haar hoofd.
Op jacht als een wolf die een eland uitkiest, zoekt zij naar woorden.

Ook thuis is zij op reis.
Tussen de scherven die zij bijeen wist te vegen,
blaast zij haar wangen vol lucht en schrijft.
Wat nu in haar blik kruipt, beklijft zij met inkt.

Jij bent de man waarmee zij morgen ontbijt.
In het raamlicht vouwt zij je klamme handen open,
en legt haar hoofd er in.

Jij verlaat het huis, aait in de schaduw je honden.
Daarna deelt zij het brood.

We moeten ons een vrouw voorstellen, die op zoek is naar het juiste woord, de juiste zin, de juiste gedachtegang. Een moeizaam proces dat ze vergelijkt met een jagende wolf. De tweede strofe begint met het woord ook en sluit dus aan op de eerste. Ze is thuis en op reis. Was ze dat in de eerste ook al? Dan volgt een metafoor van bijeengeveegde scherven, wat vermoedelijk slaat op de woorden die in haar brein zijn blijven hangen en die ze opschrijft. Een gedicht ontstaat. Dan moeten we ons een man voorstellen die de volgende dag met haar aan de ontbijttafel zit. Mogelijk is de man een metafoor voor de lezer. Als de man ‘s morgens leest in haar bundel, ontbijt ze als het ware met hem. Dat ze contact met hem zoekt is dan te interpreteren als verbinding met wat in haar omging, toen ze aan het schrijven was. Ze zoekt lijfelijk contact door haar hoofd in zijn handen te leggen. De man verlaat het huis. Ze houdt zich dan bezig met het delen van brood, een metafoor voor verder schrijven denk ik. Misschien een verwijzing naar Christus die bij het laatste avondmaal ook het brood verdeelde en zei: Neem, eet, want dit is mijn lichaam. Wil ze dat wij haar brood, haar woorden, tot ons nemen? Ze wil gelezen worden.

We worden duidelijk meegenomen in het dichtproces en krijgen als het ware een blik in de keuken. De worsteling om de juiste woorden te vinden en veel overbodige woorden weg te laten. De scherven? Het moede hoofd in de handen duidt misschien op het vermoeiende creatieve proces, dat waarschijnlijk in de nacht heeft plaatsgevonden.

Afstand

We herhalen onszelf met het brood op de tafel.
Het huis stelt geen vragen, er wordt weinig gesproken.
De stemmen zijn gedempt.
Onze afstand is langer dan de arm van een mens.

We hebben vleugels en geen bestemming.
Verdiepen ons in de plooien van het gordijn.
We doen met de ogen alsof iets ons spijt, schuld is onzichtbaar.
De stilte zo compact dat we langzamer ademen.

In het voorbijgaan geven we ons bloot.
Zwijgend kussen we de lucht naast elkaars wangen.

Dit gedicht spreekt voor zichzelf. Ik heb het toch opgenomen, omdat het zo mooi de leegheid uitdrukt van een relatie, die al jaren bestaat. Het herhalen van dagelijkse handelingen. De stilte, er is niets meer te zeggen, geen harde stemmen, geen emotie, veel afstand, geen doel. Af en toe schuiven ze langs elkaar als hoogste vorm van intimiteit en ze kussen eigenlijk alleen de lucht naast elkaars gezicht. Tragisch allemaal, maar mooi verwoord.

Caritas

Mijn naam op de deur van een kraaknette gang.
Men brengt mij een stoel aan een tafel. Geen spiegel.

Straks krijg ik papier en pen. Geen bestek.
Ik heb honger en dorst, zoek naar woorden.
Geen hand legt zich tegen mijn wang.

Geen mens kijkt mee naar een streep in de lucht.
Het wit is er nog en ook dat zal verdwijnen

tot het nergens meer is.

De afdeling ‘Vergeten’ heeft als thema dementie, een thema dat de laatste tijd bij veel dichters een bron van inspiratie is. De mooiste zin van de bundel kwam ik tegen in het gedicht Alzheimer: ‘Er is geen terugreis als de heenreis is vergeten.’ De afgelopen weken is het zinnetje vaak door mijn hoofd geschoten. Het zou zo op een tegeltje kunnen, maar misschien is het daar niet kitscherig genoeg voor. Voor mijn gevoel staat deze zin mooi naast die van Jan Eijkelboom: ‘Wat blijft komt nooit terug.’ Ook een die vaak door mijn hoofd schiet.
De eerste zin van Caritas leverde de titel van de bundel. Dat geeft dit gedicht wel extra lading. Het is een raadselachtig gedicht dat wat aanknopingspunten biedt, maar veel te raden overlaat. Eigenlijk ware poëzie, vaak proberen we alles te verklaren, maar de magie zit toch vaak in het onverklaarbare of nog niet grijpbare, dat na herlezing pas duidelijker wordt. Een poging tot duiding wil ik wel wagen.
Caritas, liefdadigheid, zou de naam van een instelling kunnen zijn, zoals ik wel eens Humanitas ben tegengekomen, op de gevel van een instelling voor de wat vergeetachtig wordende oudere medemens. Er volgt een beschrijving van het betrekken van een kamer in de instelling. De naam op de deur heeft iets vertrouwds en geeft de bewoner een vast punt. Verder doet het allemaal wat steriel aan. Anoniem meubilair wordt neergezet. Geen spiegel volgt dan veelbetekenend, blijkbaar is het niet nodig dat de nieuwe bewoner zichzelf kan bekijken.
Papier en pen komen nog. Geen bestek kan misschien letterlijk betekenen geen gereedschap om te eten, maar het zou ook kunnen duiden op het ontbreken van een bouwplan. Wel materiaal om mee te schrijven, maar het plan, de opzet ontbreekt. Honger en dorst is, denk ik, een metafoor voor het zoeken naar woorden. Dan ‘geen hand legt zich tegen mijn wang’. Wel verzorgd, maar het tactiele, de echte aandacht ontbreekt. Niemand kijkt mee naar de witte streep in de blauwe lucht. De ik-persoon kijkt in haar eentje naar buiten totdat de streep oplost. Zoals dat wit oplost, zal ook zij verdwijnen.

Een debuut dat naar meer smaakt, mooie puntige zinnen, opvallende observaties. Een schrijfster die wat te zeggen heeft in mooie melodische taal. Soms wel wat somber, het leven is niet altijd een feest. Een waardig lid van de dichtfamilie.
____

Astrid Arns (2018). Mijn naam op de deur. Uitgeverij P, 48 blz. € 16,00. ISBN 9789492339607

Geplaatst in Recensies.