Bernard Dewulf – Naar het gras

Bernard Dewulf groet de Meesters en de Dingen

door Romain John van de Maele


In 1987 bundelden Erik Spinoy, Charles Ducal, Bernard Dewulf en Dirk van Bastelaere een aantal gedichten onder de titel Twist met ons. Die bundel verwierf een historische status en werd in verband gebracht met de kiemen van een ‘Vlaamse’ postmoderne poëtica. Sindsdien hebben de dichters elk een eigen parcours afgelegd. Spinoy is hoogleraar letterkunde, Van Bastelaere was een van de samenstellers van de bloemlezing Hotel New Flandres (2008), die door Spinoy een verscheurde bloemlezing werd genoemd, Charles Ducal was de eerste ‘Dichter des Vaderlands’, en Dewulf bereikte vooral een ruimer publiek met zijn artikelen en boeken over visuele kunst. Hij was ook journalist bij het dagblad De Morgen en schreef om de andere dag een kort stukje waarin hij zijn taalvindingrijkheid kon laten spreken – zijn compagnon de route en wisselauteur was toen de columnist Hugo Camps. Nu klopt Dewulf opnieuw aan met de bundel Naar het gras. Getuigt hij in die nieuwe bundel opnieuw van de eenzaamheid die Twist met ons kenmerkte? Alvorens ik die vraag probeer te beantwoorden, wil ik er graag op wijzen dat Dewulf zijn klassiekers kent, meer bepaald het werk van Paul van Ostaijen. Hij doet geen enkele poging om te verhullen dat hij in ‘Muziek’  in Van Ostaijens spoor loopt.

‘Muziek’ doet me onmiddellijk denken aan ‘Marc groet ’s morgens de dingen’ uit de ‘Nagelaten gedichten’ van Van Ostaijen (Verzameld werk, Poëzie II, 1979). De tweede en de laatste strofe van ‘Muziek’ luiden als volgt: ‘Dag lichaam / Dag liefste lichaam / Dag lichaam’ en ‘Dag lichaam / Dag beminde / Dag.’ (19) In het gedicht van Van Ostaijen groet Marc o.a. de tafel en alles dat zich in de omgeving bevindt: ‘dag stoel naast de tafel / dag brood op de tafel / dag visserke-vis met de pijp (…) Daa-ag vis / dag lieve vis / dag klein visselijn mijn.’ (199) De versregels in het gedicht van Van Ostaijen zijn een actueel hypogram of interpretant van Dewulfs groet aan een lichaam. De gedichtenreeks over Anita die ‘van kunststof en van lucht is’ (35), doet me denken aan ‘Loreley’ van Van Ostaijen. In dat gedicht nodigt de ‘vrouw’ een eenzame uit om zich aan haar borst te drukken: ‘kom aan mijn borst / bed in mijn eenzaam’ armen / uw eenzaam lijf.’ (220) We leven in een andere eeuw, en Anita die ‘herstelbaar en afwasbaar’ is, ‘zal piepen, pijpen, / zij is het sleutelgat van alle piemels.’ (35)

Dewulf trekt vele registers open. In ‘Halte’ is de eerste versregel, ‘Ik werd wakker en de stad sprak’ (13), een letterlijke vertaling uit het gedicht ‘When I woke’ van Dylan Thomas. Dewulf  heeft de intertekstualiteit expliciet vermeld in een noot (63). In het gedicht ‘Meesters’ (25) wijst de dichter erop dat de meesters ‘als een oud gerucht’ terugkomen: ‘Nog zingen zij / in het licht van de hoge ramen / het verhaal in mijn vingers / en kussen krassend mijn taal.’

Het gedicht ‘Douche’ (18) is een speelse variant op het thema van de ‘kuise Susanna’ in het apocriefe gedeelte van het boek Daniël. In die deuteroncanoniek nam Susanna een bad in de beslotenheid van haar tuin, zonder dat ze besefte dat twee oude mannen haar bespiedden. Het thema werd verwerkt door Marnix Gijsen in zijn roman Het boek van Joachim van Babylon (1947), maar het duikt ook op in schilderijen en in het oratorium Susanna (1749) van Händel. In de douchecel geniet Susanna van de erotische kracht van een onzijdig (en geslachtloos) verschijnsel: het zachte water, en ‘zij wrijft zichzelf klaar.’ De dichter beseft dat hij nooit deel zal hebben aan die intieme omhelzing. Over dit gedicht hangt duidelijk de schaduw van de eenzaamheid, en dat is ook het geval in het indrukwekkende gedicht ‘Toen’ (16), dat in de laatste strofe op een bezwerende manier de eerste strofe herhaalt. Het gedicht roept bij mij herinneringen op aan stille zomerdagen in de jaren vijftig van de vorige eeuw, toen op het platteland de stilte plots door het geluid van een straaljager werd gespleten in de uren voor en de uren na het gebrul van de vliegende dood. In het gedicht over een stille middag ‘ging door alles kort en wit / een schreeuw’, waarna de kinderen opnieuw ver speelden en er in ‘de huizen klein verkeer’ was.

Ook op ‘Refrein’, waarin ‘Late schommels / lege treinen / bewegen in het donker om het huis’ (15), drukt de eenzaamheid. Op een stil en eenzaam moment denkt de dichter aan de moeder die hij ‘vergat te zien’, zij die hem ‘het licht te schrijven gaf.’ (28) De eenzaamheid gaat hier met rouw en spijt gepaard, zo geheel verschillend van de breekbare afstandelijkheid in de moedergedichten van Willem Elsschot.

Ook het erotische spel – een spel om te overleven – kan de eenzaamheid niet ongedaan maken: ‘Wij hadden weer slaapwel gezegd / en waren elk veranderd in ons lichaam. / Daar vergaten wij elkaar.’ (32) In ‘De eenzamen’ wordt het thema van de eenzaamheid zeer expliciet verwoord. Het is een overtuigend gedicht, maar wat mij stoort, is dat de dichter ‘ze’ schrijft waar ‘hen’ moet staan. Van een dichter met een ongewoon creatief taalvermogen verwacht ik dat hij de voornaamwoorden correct gebruikt. De voortschrijdende verloedering van het gesproken Nederlands mag geen gemeengoed worden in geschreven taal, zeker niet in poëtische berichten.

En het gras dan? ‘Middelheim’ is een van de gedichten waarin het gras uit de titel een rol speelt. Gras lijkt een metafoor te zijn voor de veerkracht van de mens en zijn taal. De eerste strofe, waarin naar het bronzen beeld ‘Het zotte geweld’ van Rik Wouters wordt verwezen, vertolkt zeer goed die veerkracht. Ik citeer het gedicht (46) integraal:

Middelheim

Hier danst een jonge vrouw
van honderd jaar al jaren op één been,
ze houdt het licht.

Hier stapt een stenen ijsbeer dagelijks
door het park
en groet vanouds de dingen.

Hier groeit uit gras een groter licht
waaruit de dingen groeien
en daaruit de stille wandelaars.

Hier groeit uit wandelaars het gras
en uit het gras de dingen,
een vrouw, een ijsbeer en het zingen

van licht dat naar ons tast.

Ook in dit gedicht wordt naar Van Ostaijen geknipoogd, maar het gedicht doet me ook denken aan ‘abstract naakt’ van Staf Rummens, een gedicht geschreven ter gelegenheid van de IIe Biënnale in het Middelheimpark (1953). Van Ostaijen, Rummens en Dewulf hebben (hadden) oog voor visuele kunst. ‘Middelheim’ is het meest optimistische gedicht in Naar het gras, en precies in dat gedicht groet Dewulf de Meesters en de Dingen.

Ontroerend mooi is het gedicht ‘Overkant’, waarin een Poolse vrouw in Canada ‘een moeder in een vreemde taal, / verzameld in twee levens, / altijd woonachtig aan de overkant’ (48) wordt. Ook hier bepaalt de eenzaamheid het taalregister en de beelden. In Canada heeft Kattyna Szysz, de vrouw die de dichter inspireerde, de verdeeldheid van het hart ervaren, een ervaring die elke emigrant voortdurend heen en weer slingert tussen wat ooit was, wat is en wat nooit meer zal zijn.

Dewulf gebruikt geen gezochte taal. Zijn versregels zijn helder en zeer toegankelijk. Nu en dan maakt hij gebruik van alliteratie, van binnenrijm en/of assonantie. De gedichten zijn zeer ongelijk van lengte en qua structuur. Het thema en de gemoedsgesteldheid bij het schrijven van ieder gedicht hebben de formele uitkomst bepaald. Tot slot nog dit: wie een postmoderne poëtica vreest, mag die vrees laten varen. De gedichten van Dewulf nodigen de lezer uit tot een stil gesprek. Indien Dewulf ooit een postmoderne poëtica omarmde, dan was het alleszins niet de poëtica van het absurde theater of van auteurs die op een paradoxale manier de onmogelijkheid van communicatie probeerden te illustreren.

____

Bernard Dewulf. (2018) Naar het gras, Uitgeverij Atlas Contact, 64 blz. € 19,99. ISBN 9789025453367

Geplaatst in Recensies.