Paul Demets – De klaverknoop

Op zoek naar wie ik ben

door Johan Reijmerink


Paul Demets is schrijver, essayist, recensent en literatuuronderzoeker, maar bovenal dichter. In zijn nieuwe bundel De klaverknoop (2018) geeft hij ons inzicht in de wijze waarop mensen met elkaar omgaan. Hij doet dat in beelden die veelal aan de natuur zijn ontleend. Ze zijn weldoordacht verknoopt: ‘Het rechtse oog leg je achter het linkse, de knoop / in klavervorm.’ De bundel is overzichtelijk verkaveld in twee nomades die ons door de binnen- en buitenwereld van de ik heenleiden. Verder bestaat de bundel uit zeven afdelingen met elk zeven gedichten die vorm geven aan een persoonlijke ontwikkelingsgang met maatschappijkritische accenten die de ik van jongs af aan tot de ‘eigenheimer’ hebben gemaakt die hij is geworden. Merendeels bestaan de gedichten uit drie terzinen, soms met een toegevoegde tiende versregel. Alleen in de vierde en vijfde afdeling gebruikt Demets titels. Mede door de inzet van een filosofisch kader heeft hij een dichterlijke distantie geschapen die aan het autobiografische voorbijgaat. In de vierregelige zelfreflecties die op de afdelingen volgen, kijkt hij terug op de nomadische dwaalwegen die de ik denkbeeldig onderneemt naar menselijke beweegredenen in menselijke verhoudingen.

De bundel opent met een allesomvattende uitspraak van Jacques Lacan: ‘Il est difficile de penser au noeud. On ne s’y retrouve pas.’ Daarin ligt de thematiek van de bundel besloten. Het familieverband is grotendeels het decor waartegen de ik zich ontwikkelt en waaruit hij  zich gaandeweg losmaakt. Het blijkt moeilijk te zijn om zichzelf terug te vinden, om zichzelf terug te denken in de verknopingen waaruit men is voortgekomen en waarbinnen men is groot geworden. De ik loopt in deze bundel zijn levensdraad terug uit langs, omdat hij op zoek blijft naar richtingwijzers op zijn weg door het leven. Daarmee raakt hij aan een problematiek van deze tijd: het zich bewust worden van een identiteit.

Demets volvoert in de nomaden een zoektocht naar waar hij vandaan komt, uit wie hij is geworden, hoe hij zich tot zijn familie verhoudt, wie hij nu zelf is geworden en waar zijn levensreis naartoe zou kunnen leiden. De ik voelt zich een nomade, omdat hij de reis vanaf zijn duistere geboorte in terugblik probeert te overzien en hij naarstig op zoek gaat wie hem een richting kan wijzen. Het nomadisme van Gilles Deleuze is hierin voor Demets een leidraad geweest. In diens visie dient het subject zelf nomadisch te zijn – onvast en steeds in beweging – in die mate dat het elk zelf, elke vaste grond verwerpt, of het nu de ratio of de twijfel betreft. Het subject kan alleen maar huizen in zichzelf.

De eerste afdeling ‘Moedervlek’ geeft een terugblik op geboorte, moeder en kind, hun onderlinge verbondenheid, maar ook gaandeweg de verwijdering die van meet af aan inzet: ‘Ze rijgt me vast / aan haar kleren. Ik ben het die niet past. / Ze rafelt mij uiteen, wijst me op alle // gevallen steken.’ De verhouding is gespannen en stekelig: ‘Let op je woorden / tegen mij, zegt zij. Ik bespeur een moedervlek.’ Een vlek die niet alleen een herkenningsteken is, maar ook een teken dat afkeer bij de ik teweeg brengt. Het beeld van de ‘zij’ is bepaald niet rooskleurig te noemen: de kinderen ‘willen zich / van haar losmaken.’ Deze moeder biedt geen kompas.

Demets wendt in de tweede afdeling ‘Vaderhand’ de natuurbeelden meesterlijk aan, zoals in ’de opwolkende spreeuwen in de boomgaard’. Hij zet het beeld van een heersende vader neer die zijn bril walsend door zijn vingers laat draaien. Uit allerlei beelden spreekt de onaantastbaarheid van deze vader. De uil die zijn braakbal herkauwt, illustreert de gespannen atmosfeer tussen de vader en de ik: ‘In die knoop // zitten wij gevangen.’ Deze vader hield ‘nooit (…) / zijn handen’ thuis. We zien de vader in zijn aftakeling: ‘Hij maalt / zijn woorden niet [meer] tot meel.’

Met de tractor rijden we in de derde afdeling ‘Ouderhuis’ over het land om de aarde open te breken. Het bezoek van zoon en kleinkinderen in de derde afdeling ‘Ouderhuis’ is eveneens te beschouwen als een poging tot het openbreken van verstarde relaties, als een zoektocht naar een nieuw houvast, maar de dominante grootmoeder boezemt als altijd vrees in: kleinkinderen ‘staan // te popelen om te vertrekken uit haar jachtgebied.’ Dat de atmosfeer gespannen is blijkt aan het slot van het eerste gedicht: ‘Zij beveelt de glazen // op hun plaats. Hun kelen groeien als ze slikken.’ De grootmoeder treedt prominent op de voorgrond: ‘Zij duwt mij van zich af / om mij aan te halen.’ Deze observaties van het ‘ouderhuis’ bezitten een bitterzoete ondertoon. De dwaaltocht langs wat was en wat is, doet de hoop vervliegen op een gelijkwaardige verstandhouding. ‘Nog steeds verpop ik’, zegt de ik: ‘Ik vlieg uit en in’: de behoefte bij de ik om te metamorfoseren, is wat hem drijft: ‘Ik verteerde mij en had een vlinderdroom om mij te bevrijden.’ In deze observaties van de ouders toont Demets zijn doorwrochte taalmeesterschap: soepel, origineel, beeldrijk en voorstelbaar.

In de vierde afdeling ‘Vrouwenmantel’ komen we opnieuw volop aardse vruchten en dieren tegen. Demets moet gewend geweest zijn om met de handen in de aarde te wroeten. Hij weet de natuur als nieuw te bezingen met versregels als ‘De zomer breekt uit twee wolkenschelpen. De tuin / heeft slaapschuld. (…) Het groen woekert.’ In deze afdeling staat het gedicht ‘Kijker’ dat alles in zich bergt waar Demets als dichter voor staat: natuurbeleving, onderhuidse psychologie, nomadische drift, waarnemingsbehoefte en vormkracht in woord en beeld.

Kijker

Het gras snijdt. De vrouwenmantel dekt niet alles toe.
Ons liggen verwaait. Geen halm zal laten zien dat we
hier waren. Wat als we in de poel zouden springen,
het water in tweeën verdelen, kreten laten

ontsnappen uit onze kelen, geschroefd door de kou?
Dan missen we de stilte waarin drielettergrepig
een vogel zijn dialogen voert. Je kijkt door de lens.
Je vertelt me hoe een putter de bloemhoofden plukt

van een kaardenbol. Hoe hij met een vingerhoed water
kon scheppen, overvol, zo zeg je, schilderde hem Fabritius.
Zoiets verzint dus alleen een mens als die schilder of jij.
Altijd weer die putter met de bloedvlek op zijn kop.

Door iemand te helpen, zeg je. Hij kon geen kant meer op.

Dit gedicht is een scherpe waarneming van twee vogelaars die op de wijze van de zeventiende-eeuwse schilder Carel Fabritius (1622-1654) heel minutieus door een verrekijker de natuur onder ogen krijgen en op zichzelf betrekken. Hun intieme focus op de dialogen van de vogels geeft ons ondertussen zicht op de verhouding tussen vader en zoon. Demets weet dit gedicht waarin dit minutieuze portret van Het puttertje (1654) opduikt, een nomadische lading mee te geven. De vader meent dat de schilder de vogel met de vingerhoed tegemoet is gekomen. Een vergelijkbaar gebaar had hij ook naar zijn zoon willen maken: ‘Door iemand te helpen, zeg je.’ De distelvink zit met een kettinkje vast aan het nestkastje: ‘Hij kon geen kant meer op.’  Zoals de vader gebonden is aan wie hij is, zo is de vogel geketend aan zijn nestkastje, en die kan dus eenvoudigweg geen water scheppen met een vingerhoed. Vader en zoon kunnen elkaar in hun verstandhouding geen perspectief en richting bieden. Ze zouden willen wegvluchten uit zichzelf. Net als in het gedicht ‘Huid’: ‘Soms zie ik iemand die denkt door iemand te bekijken / iemand anders te worden.’

Demets geeft in zijn vijfde afdeling ‘Vaderrol’ zijn gedichten titels als jager, imker en opzichter mee. Ze illustreren de rollen waarin het Pokémon-figuurtje Pikachu de ik duwt. ‘Het’ duikt te pas en te onpas op om daarna weer  te verdwijnen: ‘Het leidt je om de tuin. // Ook ’s nachts duikt het hier op.’ Het figuurtje is onaanraakbaar. De ik blijft niet anders over dan te wachten.’ De wachter wordt beloond. We zien de ik en ‘het’ tot elkaar komen: ‘In de schemer tast het naar ons beeld en gelijkenis.’ Even later: ‘Rond mijn vorm gonst het, // steeds dichterbij’. De imitatiedrift zet door. ‘Het’ is bijdehand en herkent van alles. De mensgelijkvormigheid lijkt zich aan het figuurtje te voltrekken, maar de ik balanceert in dit proces ‘als de zwaluw die foerageert, dan vlucht, // op het nest letten heeft verleerd.’ Ten slotte overschouwt ‘het’ alles als een schilder. ‘De ik grijpt naar zijn eigen hand.’ De ik verliest door ‘het’ greep op zichzelf. Hij wordt een waarnemer die ronddoolt in en verknoopt raakt met zijn eigen leven.

Met de zesde afdeling ‘Reisgezel’ begint de tweede nomade. De ik maakt daarin samen met een ‘jij’ een tocht door een alpenlandschap, waarin ‘de knoop / in klavervorm’ nog voor enig houvast en zekerheid bij het klimmen moet zorgen. De ijle berglucht brengt echter droombeelden op gang, besef van oneindigheid en zelfverlies. Het verblijf bij een boerenfamilie in het dal is weldadig en is omgeven door duisternis. De gruwelijke Oostenrijkse Jozef Fritzl die zijn kinderen misbruikte, komt op in de herinnering van de wij. De wervelwinden in de bergen scheppen innerlijk verwarring: ‘De wind zit hier te draaien // in het dal en woelt soms scherven bloot.’ Wat bovenal opvalt, is: ‘We praten naast de kwestie. Wat er is, komt bovendrijven / als een vis. Steentjes scheren over het water. // Er zijn, zei hij, ergens grenzen aan.’ Blijkbaar zijn ze niet in staat te raken aan wat ze beleven en aan wie ze zelf zijn. Ze beseffen echter wel: ‘We staan op de lijst. (…) Door iemand wordt hier afgeteld.’ De eindigheid wenkt hen.

In de zevende en laatste afdeling ‘Eigenheimer’ staat de vreemdeling centraal die in ons woont. Werkmigranten komen in busjes aan: ‘Zij reizen niet, ze blijven.’ Een bouwplaats. Alles is in beweging en aan verandering onderhevig. Zij zijn de moderne nomaden. We zouden niet weten wat we zonder hen zouden moeten. Toch voelen ze onze weerstand: ‘Ze voelen ons aan, ze ruiken onraad / en horen ons uit in ons stilzwijgen.’ We bieden ze geen zekerheid en richting. Ondertussen gaan ze wel bij ons over de tong. Of we het willen of niet: ‘Ze bouwen een nest voor ons met hun bloedeigen dons.’ En: ‘We doen, vinden we, onze plicht. Een nee / wordt breed uitgemeten. Maar wat het raam / ons aan uitzicht ontnam, brengen zij terug.’ Demets verwoordt in deze verzen de dubbelhartige en ongemakkelijke verhouding die wij tot arbeidsmigranten hebben. Ook hier weer de onmogelijkheid om zich zuiver te kunnen verhouden tot wie zij zijn en wie wijzelf zijn. Dat roept de vraag op: ‘Is hier iemand aan wie we de weg kunnen vragen?’ Heldere standpunten ontbreken, eerlijkheid is zoek, dubbelhartigheid is troef. Onze gedachten zwerven in dit maatschappelijk vraagstuk alle kanten op.

Demets laat ons in deze bundel zien dat we met betrekking tot onszelf voortdurend bepaald worden door wat er om ons heen gebeurt. We zijn nomadische kortzichtige doeners, denkers en waarnemers die onszelf en de ander op onze levensreis geen kompas kunnen bieden.

____

Paul Demets (2018). De klaverknoop. Uitgeverij De Bezige Bij, 64 blz. € 18,99. ISBN  9 789403 123301

Geplaatst in Recensies.