‘Schrijven om de verwoesting goed te maken’

Delphine Lecompte (1978) debuteerde met poëzie in literair tijdschrift De Brakke Hond. In 2010 won ze de C. Buddingh’-prijs voor haar debuutbundel De dieren in mij en in 2011 de Prijs voor Letterkunde van de Provincie West-Vlaanderen. In 2015 werd ze genomineerd voor de VSB Poëzieprijs met haar bundel Dichter, bokser, koningsdochterIn 2017 verscheen Western. November van dit jaar verscheen verzameld werk onder de titel The Best Of Delphine Lecompte.

Schrijven moet ze -zegt ze- elke dag, met zelfdiscipline en toewijding. Ook als het stroef verloopt. Vooral dan!
Marten Janse zocht haar op in Brugge.

foto Koen Broos

 

Hoe was de presentatie van je verzamelbundel?
Vreselijk! Ik heb me ernstig misdragen. ’t Is dan ook een emotioneel gebeuren, zo’n voorstelling. En er zijn vrienden en familie die misschien komen uit genegenheid en niet omdat ze geïnteresseerd zijn in poëzie. Maar ’t was toch mooi. Er waren ook vrienden van vroeger bij. Het was druk bezocht.
Aan het programma deden bevriende dichters mee: Nyk de Vries, Joubert Pignon, Paul Bogaert en Jeroen van Kan. En Mauro Pavlovski trad op. Het was een baldadige bende. Ik had mijn speech niet goed voorbereid. En mijn moeder was er ook. Dat is ook altijd moeilijk. Ze heeft een nogal overheersende persoonlijkheid. Ze onderbrak mij ook in mijn speech! En mijn vader, die al heel lang niet meer samen is met mijn moeder, die kwam ook al heel dronken binnen. En dan moet ik ze ook nog uit elkaar houden. Want als hij dronken is wordt hij sentimenteel of rancuneus, meestal rancuneus.

Dat smaakt naar meer?
Nee, nee, vanaf nu ga ik mij opnieuw gedragen. De keurigheid keert terug.

Hoe ben je met schrijven begonnen?
Als kind was ik altijd aan het schrijven: verhaaltjes, Haiku’s, stripverhalen. Dan als puber, zoals elke puber zwelgend in zelfmedelijden, van die pathetische schrijfsels. Maar ik ben pas heel laat gaan bedenken dat ik ze ook op zou kunnen sturen naar literaire tijdschriften, pas toen ik achtentwintig was. Ik had aan het schrijven zelf al genoeg.

Zit het schrijven bij jou in de familie?
Mijn grootvader, de vader van mijn moeder, was een gefrustreerde romanschrijver. Want hij was generatiegenoot van Hugo Claus –die hij haatte- en had net zo groot willen worden. Hij schreef pastoraal kneuterige romans die ook wel gepubliceerd werden. Maar ’t was oubollig terwijl hij zichzelf de Hemmingway van de Vlaamse Westhoek waande. Vroeger zaten we dan samen aan tafel, hij aan het hoofd, te lezen of te schrijven, en ik zag wel dat hij zo monkelend, goedkeurend toekeek. Ik weet niet of er veel werd gepraat en ik weet ook niet of hij het las, maar hij moedigde het wel aan.
Mijn grootmoeder zat ook te schrijven, maar die zat in haar kamer met de deur op slot en een fles Calvados. Zij schreef religieuze zaken en ook gedichten, maar die wil ze aan niemand laten lezen, en ze hield ook een dagboek bij.
Mijn moeder heeft nu ook een roman geschreven en mijn vader schrijft songteksten voor Will Tura en Kris de Bruyne.

Hoe ging het bij jou verder?
Eerst is er een Engelstalige roman uitgekomen van mij voordat ik gedichten publiceerde. Daar zat alles al zo beetje in: de oude kruisboogschutter, de analfabetische jongenshoer, de verdorven-sponzenverkoper, de perverse touwslager enzovoort. Mijn eerste gedichten waren vrij sober, omdat ik dacht dat dat zo hoorde. Ik stuurde ze in naar literair tijdschrift De Brakke Hond. Ik stuurde er zoveel dat Chrétien Breukers mij vroeg of ik bij hem een bundel wilde uitgeven. Zo is het gekomen.
We hebben nog steeds contact ik weet nog goed dat hij mij in het begin belde om mij wat beter te leren kennen. Hij vroeg me welke dichters ik las. En de eerste naam die in mij opkwam was: Slauerhoff. Maar die had ik nog nooit gelezen, dus ben ik dat daarna snel gaan doen. Hij heeft me wel echt geholpen en gestimuleerd om ook wat overdadiger en absurder te schrijven, zoals in De verzonnen prooi.
En bij de eerste venijnige recensie belde hij ook op en hing ik huilend aan de telefoon natuurlijk. Want dat doet pijn, maar dan stelde hij me gerust. Hij was wel vaderlijk.

Kun je wat meer vertellen over die personages die je al noemde?
Ja, ze zijn gebaseerd op mensen, meestal toch, en komen terug in verschillende gedichten. Ik ben ook echt gehecht aan sommigen. Ze bevolken de wereld van mijn poëzie en daarin weet ik ze ook op de juiste afstand te houden, soms dichterbij, soms verder weg, maar ik heb daarin de regie. Ook al zijn de namen soms grotesk, ik heb niet bedoeld er een ‘gimmick’ van te maken.
Ik werk aan een nieuwe bundel die –hoop ik- nog beter zal worden dan de vorige, want ik word toch sterker door mijn poëzie. De maskerade zal daarin minder worden en ikzelf minder verstopt. De gedichten zijn eerlijker, rauwer. Ik las een citaat van Malcolm Lowry dat hij ‘schreef om de verwoesting goed te maken’. Dat heb ik ook wel, alle ontreddering en wanhoop en morsigheid… Als ik het dan in een gedicht kan gieten, dan is het goed geweest, dan is het nodig geweest.

Geen personages meer dus?
Steeds minder. Alleen de moeder blijft problematisch. In tegenstelling tot mijn vader leest zij mijn poëzie ook. En er zit natuurlijk veel in wat zij herkent en waarover zij zich schuldig voelt. En ook dat ik haar een kleurrijk en wild seksleven geef, vindt ze niet zo fijn. Ja ik schep er een duivels genoegen in om haar in situaties te plaatsen die grotesk en soms ook gewelddadig zijn. Niet dat ik rancuneus ben, maar toch! Ik heb haar pas leren kennen toen ik tien jaar was en het valt niet altijd mee om tien jaar geen moeder te hebben. En daarna was er ook grote onwennigheid. En, ja, helaas, daar worstel ik nog altijd mee. Als ik dat dan voel, ga ik dat niet verbloemen of weglaten omdat zij zich dan schuldig voelt.
Mijn ouders waren heel jong toen ze mij kregen, nog maar achttien. En ik was goed met mijn grootouders… ’t Is niet dat ze mij in een vondelingschuif heeft gestoken.

Je hebt dus een manier gevonden om via je poëzie met je moeder te communiceren. Praten jullie ook wel eens bij een kopje koffie, bijvoorbeeld?
Ja, ik heb twee hondjes en dan wandelen we wel eens samen. En dan praten we veel over film, niet over vroeger. Zij probeert dat wel, maar ik hou de boot een beetje af. Zij is zo theatraal en kan zich dan verliezen in tranen en emoties. Ik heb meer dat stugge en geslotene van mijn vader en dan erger ik mij aan haar gedrag. Zij maakt het zo groot dat ik word weggeblazen.
Zij is ook nog steeds verbijsterd dat ik op een podium durf te staan, terwijl zij toch het kindsterretje van De Panne was en droomde om actrice te worden. Maar ik haal mijn houvast uit de teksten die ik schrijf.

Gezien worden en dat houvast van de taal, is dat voor jou anders dan voor andere mensen?
Welnu, ik zit in een periode van ontreddering –met een psychiatrische term zou je dat een beetje psychotisch kunnen noemen- weinig slapen, weinig eten, alleen maar schrijven. Dat zou problematisch zijn als ik orkaverzorger, thuisverpleegkundige of boomchirurg zou zijn. Maar het zou voor mij als dichter wel dom zijn om medicatie te gaan halen en te vervlakken of mijn demonen te dempen. Anderszins komt er wel wanhoop en verwarring bij kijken, maar zolang dat draaglijk is, is het goed voor mijn gedichten.
Ook al blijft het precair. Ik zal niet snel een puur liefdesgedicht durven schrijven zonder absurde of vreemde wending. Ook komen er geen namen voor in mijn gedichten en krijgen de personages een beroepsaanduiding. Daarmee houd ik ze dus op gepaste afstand.

Als je geen dichter was geworden, want had je dan gedaan?
Orkaverzorger of boerin. Toch een beetje de droom om mensen te ontvluchten, tussen dieren te leven en een beetje te verwilderen. Weg van de vele prikkels en verwachtingen van mensen. Ik ga niet zeggen dat ze me bang maken, maar er blijft toch altijd een achterdocht. Anderzijds, als ik bevriend ben met iemand, gaan mijn verknochtheid en liefde wel heel ver en kan het haast wat obsessief worden.
Ik isoleer me niet, integendeel. Ik schiet snel door na een periode van afzondering. Maar dan ben ik weer te gretig en gebeurt er zoveel dat ik weer weg wil. Ik krijg veel prikkels en dat is vermoeiend. Of ik meer prikkels krijg dan anderen, weet ik niet. Misschien leg ik wel meer verbanden.
Ontmoetingen ken ik over het algemeen toch te veel betekenis toe, denk ik. Ik maak het snel iets te belangrijk en dan leidt dat weer tot een ontgoocheling.

En als je moet kiezen tussen dichter of dochter van?
Dichter. ’t Is dankzij mijn dichterschap dat ik ontkomen ben aan het gekwelde, afgewezen kind. Ik zit niet meer constant te hunkeren. Mijn vader heb ik volledig los kunnen laten dankzij de poëzie. En mijn moeder, daar hebben we het al over gehad.
Zelf heb ik ook een kinderwens gehad, maar het is anders gelopen. Ik wantrouw ook altijd een beetje mensen die geen kinderen hebben. Want ik geloof dat mensen met een kind, noodgedwongen, ook meer mildheid hebben. In mijn poëzie heb ik wel een zoon: Jozef. Soms is hij een ontvoerde zoon.

 

Drie ongepubliceerde gedichten:

Betelgeuze zien en tarantula roepen

Hand van de reus of oksel van de reus, een oksel
Is toch altijd broeieriger en perverser
Anderzijds: een hand kan een mens doden, een oksel doodt slechts een kwartel
Daar hangt de betelgeuze, zijn dagen zijn geteld
Weliswaar op een astronomische schaal, het zou me nederig moeten maken.

Dit is mijn heupfles, ik neem een slok rum
Het is de schuld van de alcohol dat ik trots en kleinzielig ben
Ik drink tot de sterren aan elkaar geklonken zijn
Een zwarte hond likt mijn palm, zijn baasje is een pessimistische palingvisser
Hij zegt: ‘Ik heb gisteren een porseleinen herderinnenbeeldje gestolen van mijn schoonzus.
Ik weet niet waarom.’

‘Is ze mooi?’
‘Mijn schoonzus of het herderinnetje??’
‘Beiden.’
‘Ja, ze zijn mooi.’
De zwarte hond blaft naar een vogelverschrikker die op mijn arbeidsbemiddelaarster lijkt.

De palingvisser toont me het herderinnenbeeldje
Ik laat het uit mijn handen vallen, het breekt
We bedrijven de liefde naast een maïsveld
Maïs en bijgeloof gaan vaak hand in hand, de penis van de palingvisser
Lijkt op een koekoeksjong, of op een tarantula
Toen ik acht was had ik al meer dan acht erecties gezien.

De zon komt op, het verrast me
De palingvisser verdwijnt en ik eet een boterham met camembert
De zwarte hond is gebleven, hij speelt met een rode vrouwenschoen
‘Wat ben je stom,’ zeg ik overtuigend tegen mezelf
Ik drink het restje van de rum en roep heel luid: ‘TARANTULA!!’

Ik leg de klemtoon op de laatste lettergreep
Dat hoorde ik een zigeuner eens doen
Hij was pas getrouwd
Hij noemde zijn bruid een koopzieke troela
Maar toen hij tarantula riep was hij oprecht blij.

 

Een zee van betekenisloosheid
-voor Jeroen van Kan-

De bedeesde zeepzieder heeft een zee van tijd
Hij staart naar de witte buik van een dode vis in Bangkok
Die buik is niet obsceen, maar ook niet profetisch
Hij zegt luidop: ‘Een dode vis in Bangkok.’
Een oude Thaise vrouw kijkt moederlijk bezorgd naar zijn wringende handen.

Terwijl dit tafereel zich ontvouwt zit ik op de rand van een dokterstafel
Met een knie die niet reageert op het hamertje
Wellicht betekent dit dat ik een hersentumor heb, ik wil het niet weten
De dokter vraagt: ‘Ben je de laatste tijd in aanraking gekomen met papegaaien?’
‘Vorige week was er een huwelijksfeest, een Armeense landmeter bracht een papegaai mee.

’Het is niet waar; er was geen huwelijksfeest
En dus was er ook geen Armeense landmeter
En als er geen Armeense landmeter was, hoe zou er dan in hemelsnaam
Een papegaai zijn binnengeraakt op het huwelijksfeest?
Ik krijg een inenting en ik voel me duizend man sterk.

Ik denk aan de mooie hemden van de bedeesde zeepzieder
Mooi als hij ze draagt, al zet hij vaak te veel knopjes open
Het kan toch niet de bedoeling zijn dat iedereen de vorm van zijn sleutelbeenderen ziet
Ik sta voor een winkel waar ze schoensmeer verkopen
Ik herinner me mijn vader die zichzelf zwart maakte om de kinderen bang te maken in de turnzaal.

Hij was dronken en het was duidelijk
Ik schaamde me, ook dat was duidelijk
Sinterklaas gaf mijn vader een schop, alles was verknoeid
De bedeesde zeepzieder streelt een zeekomkommer
Een naargeestige bontmagnaat zegt: ‘Je kan die opeten.’

De bedeesde zeepzieder doet alsof hij de man niet verstaat
Hij gaat door met het strelen van de zeekomkommer
Het is teder en betekenisloos.

Verdoemd in een snookercafé

Ik sta op en weet even niet dat ik verdoemd ben
Ik kijk in de spiegel en zeg: ‘Een glas witte wijn
En geen spotternij alstublieft. Het komt eraan!’
Tussen vissersfrequenties vind ik de enige piratenzender
Die nog bereid is om mijn vaders smartlappen aan bod te laten komen.

In de woonkamer liggen tarotkaarten en slingers
Van een feest waarvan ik me enkel het NAVO alfabet herinner
Als ik vandaag een geest zou mogen oproepen
Dan zou het de geest van de dekselse Vanessa zijn
Veel te vroeg gestorven, ik wilde nog met haar naar Napels gaan.

De zoon van mijn blinde buurvrouw roept: ‘Mijn collega’s weten niet
Dat ik een genie ben, maar wie laatst lacht best lacht!!
Wat zullen ze schrikken als ik plotsklaps word vergeleken met Gauguin en Caravaggio!’
Gauguin en Caravaggio! Dat wil ik ook; vergeleken worden met hen
De zoon van mijn blinde buurvrouw ziet eruit als een iconische school shooter.

Ik verlaat mijn huis en drink bier in een leeg snookercafé
Precies een filmset, de waard heeft een lange vlecht
En racistische tatoeages op zijn oorlellen
We haten elkaar, tien jaar geleden verkrachtte hij de norse lamaverzorger
Die vóór de verkrachting door het leven ging als ‘de blijmoedige lamaverzorger’.

Ik wil zeggen: ‘Jij krapuul! Je hebt een blijmoedige lamaverzorger op je geweten, foei!’
Maar het zou te zwak klinken
De analfabetische jongenshoer betreedt het snookercafé
Hij huilt ongegeneerd
Hij draagt minstens even ongegeneerd een lange bruine bontjas, marters ongetwijfeld.

Nu drinken we allen bier
Ik weet weer dat ik verdoemd ben
Een kleine spreeuw vliegt tegen de ruit
Mijn hand kneedt mijn kruis zonder dat ik er erg in heb.

Geplaatst in Interviews.