Piet Gerbrandy – Vloedlijnen

waar ontbreekt schrijnt gemis van wat vult

door Hans Puper

‘Alleen waar ontbreekt is behoefte aan stem. Ja aan een meervoud van stemmen want alleen komt men niet ver.’ Je zou dit de bestaansreden van Vloedlijnen kunnen noemen, een bundel vol gemis: aan gezondheid, liefde, seks, rechtvaardigheid, ecologisch evenwicht en bezieling. Het is een citaat uit het prozastukje dat het begin vormt van de eerste afdeling, ‘Zand’. Schijnbaar eenvoudig, maar dat is het niet. Er zijn drie personen: een vertellend ‘ik’, een luisterend ‘jij’ en een zwijgend ‘hij’, die aan het strand zit en uitkijkt over zee.  De ‘jij’ lijkt onderdeel van de vertelling te zijn, maar zeker is dat niet: ‘Ik denk dat jij hier naast hem zit.’ Vreemd.  Is die ‘jij’ niet zichtbaar? Is het een stem? Van de actieve lezer die de bundel mede vormgeeft? Zou kunnen. De laatste zin van dit stukje luidt: ‘Ik vraag me af of jij zo’n stem kunt geven.’
Stemmen die standpunten verwoorden, fluisteren, uit een andere wereld lijken te komen: je ziet dat meer bij Gerbrandy, in Vlinderslag en Steencirkels bijvoorbeeld. Het leven is gecompliceerd, voor een deel onbegrijpelijk, beangstigend soms. Er zijn meer stemmen in Vloedlijnen: een groep die wordt aangeduid met ‘jullie’, fluisteraars op de achtergrond en een commentariërende en soms heel opdringerige stem die in zes van de zeven afdelingen de verteller van ieder gedicht ruw onderbreekt, zelfs middenin een strofe. Het volgende gedicht uit de afdeling ‘Nacht’ citeer ik in zijn geheel, het is een prachtige elegie van de dichter/drinker over fysieke cirkelgangen. De muzikaliteit spreekt voor zich.

VAN dorst en nadorst betreur ik
.         de rustloze rondpomp
.                  van monding naar bron

met pauzes wel van lessen daartussen

in kringen van weerzin en wellust
.         uitspanningen losplaatsen
.         oevers vol melkbleek dansende nimfen
.                             boerinnen van roodkonig spek

Hoewel er goede redenen zijn om de klassieke epen uit het archaïsche Griekenland serieus te nemen als teksten die de menselijke existentie in ruimste zin exploreren moeten we de ogen niet sluiten voor de mogelijkheid dat helden als Achilleus en Odysseus doodsaaie jongens met sneue verlangens waren.

.          sluizen in stuwen
waar in en uit zich bruisend compenseren

.          (uw strothoofd Charybdis van geneugten
.          uw ingewand rotonde naar Inferno
.          uw lever zalig eiland in het Westen)

maar daar er geen rest
.                    rest moet alles over en over

Waar heb ik vier decaden bier gelaten?
Wie schenkt mij ooit het glas dat alles breekt?
‘Waar drank vloeit valt een ongeluk niet op.’
Hoe stel ik wie mij drenkten schadeloos?

Aardig is dat de voorlaatste regel tussen aanhalingstekens staat. Je kunt hem opvatten als een waarschuwing van een koor van stemmen; het is een citaat uit ‘As’, het libretto van een gezongen tragedie die in 2016 enkele malen werd opgevoerd in Arnhem en de zesde afdeling van de bundel (er zijn er zeven). De regel geeft het gedicht een duistere lading, want hij verwijst naar een plan van Dis, de machthebber met trekjes van een president als Erdogan. Hij wil ‘As’ uit de weg ruimen – net als Assange wil deze tragische held documenten openbaar maken die Dis in diskrediet zullen brengen. Een bacchanaal voor het volk op de dag van de democratie (waar Dis ‘bij acclamatie / benoemd [wordt] voor een nieuwe termijn!’) moet uitkomst bieden: ‘Waar drank vloeit valt een ongeluk niet op.’ Bijkomend voordeel voor een machthebber is dat zo’n feest het volk mak houdt: het is een ventiel voor ongenoegen. De dag daarna zullen ze weer als makke schapen achter hem aanlopen.

Wat betreft die commentariërende stem: mogelijk heeft Gerbrandy onder meer citaten uit zijn essays of ander werk gebruikt. Ik meende er enkele van te herkennen, zoals dat over Bilderdijk: ‘In Bilderdijks werk merkt men vaak een tweespalt op tussen onbeheerste emoties en classicistische vorm. Maar is het niet veeleer zo dat die vorm geheel zijn eigen gang gaat terwijl de gevoelens gekanaliseerd zijn door antieke concepten?’ Nagekeken heb ik het niet, maar het idee is mooi: de essayist en wetenschapper maakt dan ook deel uit van het stemmenkoor.

Er is nog een stem, ver op de achtergrond en nauwelijks hoorbaar. Opnieuw met uitzondering van de afdeling ‘As’ bevat ieder gedicht van een afdeling op een schijnbaar toevallige plaats een woord in kapitalen – je zou die woorden kunnen beschouwen als titel. Zet je ze achterelkaar, dan krijg je een zin. In de afdeling ‘Ban’, waarin een ouder ‘ik’ geobsedeerd is door een jongere collega of student luidt deze: ‘LAATSTE OBSESSIES DUMPEN ME SLINKS TUSSEN KOPPIG FRISSE BORSTEN.’ Die obsessies worden gekoppeld aan taalobservaties. Een gedicht dat uit een lange enumeratie bestaat  – ‘Ik ga je niet bellen / Ik leg niet mijn hand op je knie / Ik stuur je geen zogenaamd informatieve berichten /’ (…) – wordt onderbroken door de commentator:
Toen de mens met spreken begon leek dat in eerste instantie een verrijking voor zijn leefomgeving omdat deze kon worden uitgebreid met wat er niet was maar verlangd werd. Pas na de introductie van de negatie begon men in te zien dat met het woord een Paard van Troje was binnengehaald.
De ‘ik’ vervolgt met negaties als: ‘Ik let niet op je lippen als je praat / (…) / ik negeer wat je doet met je borsten’.  Het mooie is dat de ontkenning hier als een bezwering wordt gebruikt: ‘Ik wil niet en ik zal niet …’, maar je kunt deze zinnen alleen maar noteren als je wel op de lippen van de vrouw hebt gelet en hebt opgemerkt wat zij deed met haar borsten.

Iedere afdeling (behalve ‘As’) begint of eindigt met een stukje proza. Het lijkt erop dat de ik-verteller (ik beschouw hem als de dichter) zichzelf observeert. In het prozastukje dat de afdeling ‘Ban’ afsluit, leest de geobjectiveerde ‘hij’ voor uit een boek dat sterk lijkt op Gerbrandy’s vorige bundel, Steencirkels. Mooi is de zelfspot van de dichter: de ‘jij’ lijkt in slaap te zijn gevallen. In het laatste prozastukje ziet de ik ‘eindelijk wat er gaande is. Jullie [de stemmen] hebben geen tekst (…) en niemand herinnert zich de plot of de zin van de mis-en-scène.’ Het wordt tijd dat de ‘hij’ van het strand verdwijnt, net als die stemmen. Maar dan gaat wel het licht uit, het wordt nacht. Kan de dichter niet zonder stemmen? Of gaat het om een voorbereiding op de dood? De ‘ik-figuur’ die als Elckerlyc goed toegerust maar alleen het einde tegemoet gaat?

In de mooie laatste afdeling, Ziel, lijkt de ‘ik’ conclusies te trekken uit de voorgaande afdelingen. Het commentaar in het eerste gedicht luidt: Met het klimmen der jaren neemt het uitzicht toe maar daalt de noodzaak nieuw terrein te veroveren. Het komt erop aan de eigen horizon te aanvaarden en daarbinnen nog slechts dat ene te doen waartoe men in de wieg is gelegd gesteld dat men daar eindelijk achter is. In de volgende gedichten laat de ‘ik’ zien hoe zo’n leven eruit ziet of eruit zou moeten zien.  De afdeling eindigt met een overweging over waar en hoe het sterven plaats moet vinden.

Niet in een doos van weerloos karton in de sneeuw
niet onder een golfplaten hemel
niet op een bankje op een tochtig perron

ook niet in een jacuzzi op het dak van een loft
in een suite van Hilton
noch in de orangerie van een buiten aan Vecht of Leie.

Waar wel? Want wat is moet een ergens
.          om zijn moede uitgebreidheid neer te vlijen.
Niet iedere locatie lijkt gezien herbergzaamheid
.           meteen geschikt voor klei die BREEKBAAR is.

Ofschoon het sommigen goed en memorabel toeschijnt hun verscheiden als een theatraal evenement in te kleden lijkt het eerder van waardigheid te getuigen zonder ophef in eventueel gewijde stilte het veld te ruimen zoals de meeste dieren dat plegen te doen.

Het zadel van een afgeragde koga.
Een krappe stortbadcel in een oud pension.
De climax van een lange avondraga.
Piepspiralen van een opklapsonde.

Een aarden kuil met een dek van lei en mos.

Mooi is de rol die de zee speelt in de bundel. In dit laatste prozastukje – dus ook van ‘Ziel’ – lezen we: ‘De zee kijkt toe maar niet aandachtig. Zij heeft genoeg aan zichzelf’. Dat doet denken aan een overweging van Japi in De uitvreter van Nescio, maar ook aan ‘De zee’ van Kloos. De eerste strofe:

De Zee, de Zee klotst voort in eindeloze deining,
De Zee, waarin mijn Ziel zichzelf weerspiegeld ziet;
De Zee is als mijn Ziel in wezen en verschijning,
Zij is een levend schoon en kent zichzelve niet.

Maar die zee ligt vol met kabels, aan de horizon zie je boorplatforms en windmolens. Een ongerepte zee is een illusie. Je kunt er alleen nog maar naar verlangen.

Vloedlijnen is de beste bundel die ik in 2018 heb gelezen.
___

Piet Gerbrandy, Vloedlijnen. Atlas Contact, 102 blz. € 21,99. ISBN 9789025453145

Geplaatst in Recensies.