Liesbeth Lagemaat – Abri

De poëzie als schuilplaats

door Johan Reijmerink


De nieuwe bundel Abri (2018) van Liesbeth Lagemaat heeft een prachtige omslag die ontleend is aan een Chinees behang waarop een detail staat afgebeeld van een Drakenbootrace, dat zich in Museum Oud Amelisweerd bevindt. Er gaat van de omslag een bezwerende, bijna sacrale werking uit. De ik kiest zich een abri, een wacht- en/of schuilplaats om de onberekenbare werkelijkheid onder ogen te zien. Naast deze afbeelding heeft Lagemaat zich in deze bundel door nog meer beeldende kunstenaars als Pyke Koch en Marius Bauer laten inspireren.

Bij het lezen van deze poëzie intrigeerde me de vraag: hoe zorgt een dichter ervoor dat hij niet te veel de zeggingskracht uit handen geeft? Lagemaat zit niet om een woord of beeld verlegen. Ze heeft zich behoorlijk in haar taal verschanst. Bij eerste lezing waan je je in een onstuimige zee vol los drijvende woorden en beelden die niet altijd direct samenkomen in een visie, een denkbeeld, een opvatting, een richtinggevende voorstelling, een verleidelijk perspectief of een hartverwarmende emotie. Lagemaat verliest zich, o zo gemakkelijk, in woorden en beelden. Het is niet voor niets dat zij graag gebruik maakt van veel adjectieven en personificaties: ‘Er groeit een boom in mijn hoofd zei het kind en elk blad is / gemaakt van lawaai.’ Ze maakt zich moeilijk van de woorden en beelden los. Haar associatiedrift is uitbundig, en draagt niet altijd bij aan een voortgaande denkbeweging. Dat betreft ook het veelvuldig gebruik van zinsdelen tussen haken of aandachtstrepen. Ze zegt op een zeker moment zelfs: ‘Ik verzuip in mijn beeldenzee. U mag me drinken, als u wilt’.

Lagemaat zet met ferme penseelstreken de beeldrijke wereld van de ik neer, hoewel ze tegelijkertijd oog kan hebben voor fijnzinnige details, zoals de tor die met zijn vallen en opstaan door ‘wolkensluiers dun als vitrage heen’ dringt. Ze weet zo’n verschijnen en verdwijnen subtiel in beelden te vangen. Ze bedient zich van een intens kleurenpalet: ‘De merel zette in op een ondertiteling van fluweel, en voor de / recensenten onder u: diep, diep paars was het fluweel, van een tint die // normaalgesproken alleen getolereerd wordt in giftdranken.’ Hoewel ze de subtiele beeldsluiers knap verwoordt, dragen ze dikwijls niet bij tot een verhelderende verwoording. Het geeft deze poëzie een zekere mate van onleesbaarheid die afdoet aan de rijkdom van afzonderlijke passages en beelden, zoals in: ‘Er is een cascade / van lucht, een tempelmuur van pneumatische namen: kobalt en arduin // spreken tongen van licht.’ Lagemaat lijkt soms onderworpen te zijn aan een roesachtige verliefdheid op de taal zelf.

De bundel bestaat uit vier omvangrijke afdelingen. Ze zijn breed opgezet. Lagemaat kiest daarbinnen deels voor meerledige cycli die aaneengeschakeld zijn, deels voor losse omvangrijke gedichten. Consequent maakt ze gebruik van disticha die passen bij verhalende poëzie.

De eerste afdeling ‘En de wereld verdwijnt met de knip van een schaar’ verwijst in het gedicht ‘Het bedje van de schilder’ naar de stillevens van Pyke Koch. Aan de nonnetjes, de torretjes die over het flinterdunne glas glijden, die balanceren als balletdansers over het porseleinen oppervlak, vallen, verdwijnen en weer tevoorschijn komen, leest de ik een manier van leven af: ‘Een mens heeft / de neiging elke verandering in een bestaand patroon te volgen.’ Het stemt overeen met de manier waarop ook haar poëzie ontstaat. Dit past wel bij het onrustig associëren en zoeken naar een balans tussen verdwijnen en verschijnen. In ‘Man bijt wak uit behang’ probeert de ik de woorden van een verdronkene te achterhalen die in het gat van het behang verdwenen zijn. De ik vraagt zich af waar deze je zich bevindt: ‘Waar je lag. / In fragmenten aangespoeld. De steen wit en wit je gezicht en je ogen. // “Zo mooi”, zou iemand bijna zeggen.’ Naar dat wit gaat het verlangen van de ik uit. Zo kan de wereld met de knip van een schaar ineens verdwijnen.

In de tweede afdeling ‘Ik vouwde me op in mijn huid, geruisloze zegel van mijn kleine tijd’ neemt Lagemaat met de cyclus ‘Schuldig. Kaars, kroes. John’ een leisteengroeve in Engeland 1900 tot uitgangspunt voor het uitbeelden van een levenswijze. De mannen balanceren ‘op een rij naast elkaar in de mijn waar de lei: een spetter vergeten // van nu, vergeten van dit, in het donker tevoorschijn tovert.’ Het gaat hen om het zoeken van de lichtspetters die zich in de leisteen bevinden. De val, de ondergang, de fatale afloop, dat vormt nogal eens het slotakkoord in veel gedichten. In het ‘Lied van een kleinere strijd’ verdwijnt op een zekere moment de pijn die zich in het hoofd van het kind bevindt. Op een nacht lost zich daarin het donker op en is de boom in het hoofd tot poeder verdroogd ‘en ik open mijn mond / en mijn lippen zijn bloemen, mijn tong en mijn keel zijn aan het zingen, // zomaar, in tonen die niemand ooit hoorde: wit zijn ze, klein, en zo zacht / als de klank van het lied dat zich fluistert in mij.’ Opnieuw zijn het de witte tonen die fascineren en doen verlangen naar het absolute, het onmogelijke. In de ‘Monoloog van de pijlstormvogel’ laat Lagemaat haar maatschappelijk engagement doorklinken. Ze laat de pijlstormvogel als ‘de stem van het eiland’ commentaar geven bij de vervuiling van al die vakantiegangers die ‘iedere vierkante centimeter van het eiland op[vreten] met hun / inktzwarte praat-en-luister-, zie-en-ik-besta-trechtertjes.’ In dat soort gedichten laat de stem van Lagemaat zich beter verstaan.

De derde afdeling heet ‘Mijn hand strekt zich uit naar het laatste wit naar het eerste wit dat ik ben’ . De afdeling opent met het gedicht ‘Hadewych. Not revisited here’, waarin de ik geen Hadewych is, ‘al zou ik willen’, en er niet voor kan zorgen het leven naar haar hand te zetten: ‘Geen schepper te bekennen die met beide handen al het ijs aan / de takken hing’. De ik wacht en volgt de ijskristallen en probeert tot bloedens toe dat ene woord ‘U’ in de met ijs beslagen ruit te schrijven, tegen beter weten in. In de ‘Ballade van de vrouw en de zwarte rivier’ strekt de ik zijn hand uit ‘naar het laatste wit naar het eerste wit dat ik ben. Er is niets meer, // alleen nog het lied.’ Daarin rijst het verlangen in de ik op: het vinden en zingen van het lied als uiterste redmiddel in een wereld die van raadsels aan elkaar hangt, net zoals de ik die de zwaluwen in het labyrintische park tracht te lokaliseren. Eenmaal met die benadering vertrouwd is er geen weg terug meer.

In de vierde afdeling ‘Lijf me in, wat ze ook zeggen, lijf me in’ spreekt de ik in het gedicht ‘Zeg me’ uit dat het onmogelijk is de ander recht te doen. Het is volstrekt natuurlijk dat er ijsschotsen zijn die niet van elkaar afdrijven maar smelten. Er klinkt in dit gedicht de wanhopige kreet op dat er niets bij machte is om te worden opgeschreven. De woorden breken ons: ‘Ik zeg je de taal is een vleeshaak’. De conclusie luidt dan ook: ‘Ik had mijn kop moeten houden nooit ons moeten bedenken. Laten we / debiel en dement in dit bed gaan liggen.’ De relationele zoektocht loopt in deze afdeling parallel met de moedeloos makende dwaaltocht naar de juiste woorden en beelden. In de ‘Soldatenvrouw’ schieten de woorden, de kussen en het schreeuwen uit het ‘Verdwenen lied’ te kort om haar verdriet over de dood van haar geliefde te verwerken. Verder ervaart de ik in een onuitgesproken, verborgen, repeterend en verzwegen lied de onbereikbaarheid van de geliefde en zichzelf. De bundel eindigt met de omvangrijke cyclus ‘Er is’. Het vormt een lange litanie om gezien, erkend door en opgenomen te worden in de ander: ‘kijk naar me, lijf me in, wat ze ook zeggen, // lijf me in.’ Het verhaal van Orpheus en Eurydice trilt mee in de vervloeiende lijnen van opkomende gedachten en gevoelens. Hadewych en Anna Bijns verschijnen in hun absolute verlangen naar hereniging met het Andere, de Ander. Vloek en zegen volgen elkaar op. In de nadering van de ander en zichzelf lijkt ‘een tovenaar nodig om te zien wie je bent, een god die // grappen met ons uithaalt en roept als een pauw in de regen.’ Als een schilder schetst de ik haar beelden en knoopt haar woorden aaneen. Er is het diepe verlangen om in de ander, in het vers op te gaan: ‘Een bries glijdt over het water. / Laat ons voedsel zijn voor de rivier. Verzink. In mij.’

De poëzie is voor Lagemaat een schuilplaats in deze onherbergzame wereld. Ondanks haar bevlogenheid en exuberantie in woord en beeld blijft het een bewonderenswaardige prestatie hoe zij ons inzicht weet te geven in haar getormenteerde geest. Het lijkt erop dat hoe meer ze vlucht in woord en beeld, het verlangen in haar naar het wit sterker wordt.

____

Liesbeth Lagemaat (2018). Abri. Uitgeverij Wereldbibliotheek, 96 blz. € 19,99. ISBN 9789028427778

Geplaatst in Recensies.