Els de Groen – Wakker vallen

Pragmatisme en waarheidsvinding

door Romain John van de Maele

Els de Groen (1949) heeft vooral naam gemaakt als schrijfster van kinder- en jeugdboeken. Ze was enkele jaren lerares, en was ook vijf jaar (2004-2009) lid van het Europees parlement. Nu is ze vooral actief als schrijfster en beeldend kunstenaar. Samen met de Russische auteur Eduard Uspenski schreef ze Het jaar van het goede kind (1989), een boek dat werd verfilmd. Haar achtergrond als schrijfster van kinder- en jeugdboeken heeft haar duidelijk parten gespeeld bij het samenstellen van Wakker vallen (2018). Een gedicht baadt bij voorkeur in heel veel witruimte. Veel meer dan proza vergt poëzie een rustige bladspiegel, en elke vorm van ‘afleiding’ kan de focus op het woord verstoren.

Er zijn in het verleden en ook de voorbije jaren dichtbundels uitgegeven die discreet geïllustreerd waren. Dat is helaas niet het geval met Wakker vallen. Els de Groen heeft zich als beeldend kunstenaar laten gaan, en haar bundel doet me wat denken aan de horror vacui (angst voor de leegte), die kenmerkend is voor heel wat outsider art – ik denk aan werk van Siebe Wiemer Glastra, Madge Gill, Maria Gugging, Truus Cardol, August Walla, Adolf Wölfli, Peter Meyer, Kurt Haas, Aloïse, e.a. De vaak geslaagde illustraties die zich in de bundel van De Groen op een pagina naast een gedicht bevinden, zijn niet de grote boosdoener, maar tekeningen of schilderijen die de witruimte rond een gedicht aantasten, zijn naar mijn gevoel misplaatst. Dubbeltalenten – ik denk aan Hugo Claus, Lucebert, Paul Snoek, Willy Roggeman, Jan G. Elburg e.a. – geven er meestal de voorkeur aan beeld en taal van elkaar te scheiden. De bundel bevat verdienstelijk beeldend werk, maar ook illustraties die me aan de ‘naïeve’ schilderijen van Henri Rousseau (1844-1910) doen denken, zonder echter de geraffineerde techniek van ‘Le Douanier’ – hij was douanier en begon te schilderen toen hij veertig was – te benaderen.

Wakker vallen is een anthologische bundel zonder centraal thema. Het werk bestaat uit de volgende cycli: ‘Wakker vallen’, ‘Mensen’, ‘Macht & Onmacht’, ‘(Wan)orde’, ‘Als ik de tijd kon wecken’ en ‘Dromen’. Er zijn pretentieloze gedichten die me echt aanspreken, zoals ‘Waarheid’ (14): ‘Waarheid is een hoer die / zich van alle kanten laat / naderen en nemen en / iedereen bevredigt. // Naakter dan de waarheid / en daarom vermeteler in / menselijk verkeer is / de eerlijkheid.’ De oud-politica heeft het in dat korte gedicht wellicht over politieke waarheden, niet over waarheid als filosofisch probleem. Televisiedebatten met politici die tientallen jaren geleden door de toenmalige BRT werden uitgezonden, bereikten de huiskamers onder de titel ‘Ieder zijn waarheid’. De winnaars van die debatten wrongen zich in grote bochten om vooral het buikgevoel van de massa te benaderen. Dat buikgevoel komt aan bod in het gedicht ‘Populist’ (35), dat de dialectiek van het populisme uit de doeken doet. Zoals in strafzaken stond (en staat) de waarheidsvinding tijdens politieke debatten en in populistische boodschappen niet centraal. Maar er bestaan andere waarheden, en er zijn maar weinig filosofen die zich niet met dat begrip hebben ingelaten. Voor populisten en debatterende politici is dat soort waarheden verloren moeite, ze hebben er niet over nagedacht, want ze weten dat ze met de uitkomst geen kiezers kunnen overtuigen.

Els de Groen is vaak een pragmatische dichteres, zoals blijkt uit ‘Hiernamaals’ (17): ‘Wat doe je hiervoor je best / als het hierna gemeengoed wordt. / Wat mijd je hiervoor het boze / als het hierna wordt vergeven. / Wat leeft je hiervoor het leven / als het hierna pas begint.’ Het gedicht is aangebracht op een grote ballon die met enkele bejaarden op weg is naar het hiernamaals van het christendom. De boodschap lijkt te zijn: laat maar waaien. Na het tranendal en de vervelende categorische imperatief wacht de vrijheid met een engelenkoor op de achtergrond. In een gedicht als ‘Randstad’ (18) treedt ze echter als een geëngageerde, principevaste observeerster naar voren:

Autowegen ritsen het polderlandschap open
delen het in stroken groen met krijtstrepen
van water tot aan de horizon, waar kerkjes
in de bontkraag van de hemel happen.

Kantoorgebouwen echter knopen het weer dicht
zetten zich in rijen aan de zomen van de weg
en doen de einder krimpen.

Het is of we het land te heet gewassen hebben
afstanden beslecht maar
verten prijsgegeven.

Om verten te ontdekken, moet men naar Friesland trekken – ik denk aan de stille en zalvende grasvlakte rond Piaam. ‘Randstad’ beschrijft goed wat men na de waterramp van 1953 met de kuststroken van Zeeland tot Noord-Holland heeft gedaan, al tracht men in Keukenhof, in de nabijheid van Lisse, een ander beeld op te roepen. Niet alleen de ‘Randstad’ werd gekalanderd, ook het leven van de nijvere inwoners van de kuststrook werd door de mangel gehaald. Els de Groen illustreert dit in het gedicht ‘Kijkers’ (27), een gedicht waaraan ze wellicht ook de titel ‘Consumenten’ had kunnen geven: ‘’s Avonds tussen 5 en 6 / ruikt Nederland naar jus / wasemen alle straten / het vaderlands menu / dat tien minuten later / met een toetje wordt bekroond. / Dan mag de televisie aan / die haast met haast beloont.’ Een tafereel dat behoorlijk kritisch is, maar ook een pragmatische houding verraadt: de dichteres betreurt wellicht de knieval voor programmamakers, maar ze verbergt haar vermanende vinger. De onechtheid van heel wat televisiewerk wordt terecht onderstreept in ‘Talkshow’ (29): ‘Ze praten met en door elkaar / lachen gemaakt en gretig / Houden zich groot voor derden / Voelen zich ster maar sterfelijk / Wetend dat hun stamtafel / in een showroom staat.’ Het pragmatisme van Els de Groen is niet haar algemeen richtsnoer, het is een dichterlijke houding om soms ongemakkelijke inhouden door te geven, en precies daarom is het zo jammer dat de illustraties de lezers soms afleiden van het woord.

Soms bant de schrijfster de pragmatische zegging. In ‘Gradaties’ (57) neemt ze prikkeldraad en het gebruik ervan onder de loep: ‘Hoe pervers moet je zijn / om prikkeldraad uit te vinden / hoe wreed / om mensen erin te jagen / hoe slecht / om na te laten / hen eruit te bevrijden?’ In ‘Tussenpersoon’ (61) ontdoet ze het woord van zijn gebruikelijke betekenis, waardoor het een wrang maar levensecht begrip wordt: ‘Gevraagd wie hij was zei de vluchteling: / luister, ik ben een beideling / thuis niet meer welkom en / hier nog niet thuis // bemiddelaar tussen de man die ik was / en degene die ik moet worden / geen vreemdeling meer / maar een mengeling. // Ik groette zijn dubbele ikken / maar kwam niet tussenbeide / opdat ze het eens / konden worden.’ We weten dat die twee ‘ikken’ het niet eens zullen worden, dat de mengeling een mengeling zal blijven, en dat de ‘beideling’ zich hooguit als een ‘divided heart’ in leven zal kunnen houden.

Ik rond deze voorstelling af met het gedicht ‘Meisjes’ (112) dat een verworven wijsheid illustreert: ‘Als ik oude vrouwen zag was / het of ze altijd al / geschubde vingers hadden / een dozijn gordijntjes in hun / wangen konden lachen / en grijs geboren waren. / Als ik oude vrouwen zag was / het of ze nooit / gehinkeld en geschommeld hadden / nooit geschimpt, geroddeld, / geruzied of gesard / en gezondigd hadden/ / Tot ik oude vrouwen zag in / elke ruit en spiegel / en alle etalages.’ ‘Meisjes’ illustreert niet alleen een verworven inzicht, maar ook dat er verschillende waarheden bestaan, niet in de zin zoals politici en populisten het woord misbruiken, maar in de fenomenologische context die elke vorm van verstehen meebepaalt. De titel Wakker vallen had ook Wakker schudden kunnen zijn. De bundel heeft me meermaals overtuigd van Els de Groens dichterschap, maar een wat minder kleurrijke en overvolle bundel was het woord ten goede gekomen.
___

Els de Groen (2018). Wakker vallen. In de Knipscheer, 132 blz. € 22,00. ISBN 9799062659975

Geplaatst in Recensies.