Monica Boschman – Zeerslag

De neerslag van oud zeer

door Eric van Loo


Monica Boschman (1965) is tekstschrijver, schrijfdocent en dichter. Van 2012 tot 2014 was zij de eerste regiodichter van de Noordelijke Maasvallei. Zij kreeg diverse eervolle vermeldingen bij poëziewedstrijden in Nederland en België. In 2017 won zij de Plantage Poëzie Prijs. Op www.52gedichten.nl combineert ze haar gedichten met beeldend werk van Handan Arik. In Cuijk organiseert en presenteert ze het Poëtisch Ontbijt van Wereldtuin Verdeliet. Zeerslag is haar debuut, en is verschenen in het poëziefonds Open.

Dit fonds is in 2015 bij uitgeverij Kontrast gestart door redacteuren Jos van Hest en Will van Sebille. Nadat van 2015 tot 2017 tien titels in deze poëziereeks verschenen waren, stopte Kontrast met de uitgave van poëzie. In 2018 brachten de redacteuren Open onder bij de Haagse uitgeverij U2pi (spreek uit ‘utopie’). De Voorburgse dichter Mariet Lems trad daarbij toe tot de redactie. Na Entree naar de hemel van Niels Landstra is Zeerslag van Monica Boschman de tweede bundel in de reeks Open die bij deze uitgever verschijnt.

In de toelichting wordt vermeld, dat de bundel 41 gedichten bevat, het 13de priemgetal. Dat klinkt onregelmatiger dan het is. Ik tref een behoorlijk strak ingedeelde bundel aan: een los openingsgedicht, gevolgd door vijf afdelingen van acht gedichten elk.


Navelkou

De eerste afdeling heet ‘Navelkou’. In acht gedichten onderzoekt de dichter haar herkomst. Ze gaat daarbij buitengewoon systematisch te werk. Ze begint nog voor de geboorte: ‘Hoe was het voor ik de bedoeling was? / Toen mijn beoogde moeder zorg voor zonen had / en met mijn dochterloze vader streed.’ De dichter komt er later achter, dat ze de naam draagt van het op negenjarige leeftijd overleden zusje van haar moeder, ‘Iets met een auto en haar fiets.’ Ze wijdt zelfs een gedicht aan de ‘Doortocht’ door het geboortekanaal, en de ‘navelkou’ van net na de geboorte: ‘Ik kreeg een vestje aan. Dacht mama echt / dat een dubbele rij knopen bescherming bood?’ Het laatste gedicht uit de afdeling staat stil bij de afkomst, de rugzak die ieder met zich meedraagt.

Van deze of gene

Je ziet het aan de rugzak die danst
of met banden in schouders snijdt.
Hoe belast je bent, het staat geschreven.

Vallen, ik ken nog steeds de formule
van Newton uit mijn hoofd en las
van een appel en een boom.

Neerwaarts en opwaarts, herwaarts
en derwaarts klemt het soms
tussen voorgangers en naoogst.

Gezegend het zijvak en de regenhoes.
Uitgedokterd om gebutst vermogen
te beschermen, tegen de keer.

U merkt, dat ik hierboven geen onderscheid maak tussen de ik uit de gedichten en de auteur. Ik denk dat de dichter dat zelf ook niet doet. Waarbij we natuurlijk niet alles letterlijk moeten nemen: de gedichten over de geboorte en het moment na de geboorte lijken veeleer op inleving en navoelen gebaseerd, en ook in de andere gedichten kunnen feit en fictie vermengd zijn. Maar de conclusie van de zoektocht is duidelijk: de appel valt niet ver van de boom.


Schutblad

In ‘Schutblad’ lijkt een relatie centraal te staan: ‘We hadden het kunnen houden / bij een blik van herkenning.’ De titel ‘Afgewend’ spreekt voor zich: ‘Nu zoeken we raakvlakken voorbij / het broedseizoen.’ In ‘Strandpaal 22’ wordt de balans opgemaakt: ‘We zitten naast elkaar, scherm delen / klinkt onnodig intiem, we nemen op / de korrel. Het verzanden is begonnen.’ Maar de lezer moet zich niet door de gedichtentitels in slaap laten sussen. ‘Vertrekken’ is dubbelzinnig, en voor de titel ‘Uit elkaar’ geldt helemaal: lees maar, er staat niet wat er staat.

Uit elkaar

Mijn therapeut (m)
ging er goed voor zitten:
Het zal beter gaan als jij (v)
ruimte leert innemen.

Ik vroeg:
Heb je weleens opgemeten
hoeveel centimeter er tussen
jouw linker- en rechterknie zit?

Reizend in een sprinter
kijkend naar een toneelstuk
wachtend bij de dokter?

Op die plekken kwam hij nooit
zei hij. Ik wel, keurig de benen
naast of over elkaar.

Ik doe nu als mijn therapeut.
Spierpijn levert dat op
en vreemde blikken.

Met stip het leukste gedicht uit de bundel. Want Zeerslag is verder behoorlijk serieus, op het zwaarmoedige af. Zo eindigt de afdeling ‘Schutblad’ met ‘Uitgelezen’: ‘Die maandag zette je me / terug in de kast.’


Jachtsneeuw

De derde afdeling bevat acht gedichten over rouw en herinnering, die vermoedelijk betrekking hebben op het overlijden van de moeder van de dichter. Het eerste gedicht, ‘Breekhuid’, schetst in sobere taal een neergang: ‘We schuiven nadagen / voor ons uit.’ De titel van het volgende gedicht, ‘Pyjama met knopen’, wijst op steeds intiemere zorg, de ik begeleidt de je waarschijnlijk bij het naar bed gaan. ‘Hoe goed ken je elkaar? denk ik / nu je jouw zwijgen vergeet / en vertelt over herkomst.’

Onder jouw hoede

Schaduwen in het park, mijn voeten
konden op jouw hoofd staan

en als ik in bad lag wist ik het zeker:
de koppige druppels in mijn navelkuiltje
waren van jou. Ik leefde in je verlengde

zit nu naast je, houd mijn adem in
en tel, vals spel, ik kan je niet bijhouden.

Je bent beter stil dan ik, hebt geen deken
of dromen nodig, geen koffie.
Je licht is elders.

Mooi hoe met ‘Ik leefde in je verlengde’ vanuit het herinneringsbeeld van op het hoofd (van het schaduwbeeld) van de moeder gaan staan de continuïteit van het leven wordt getekend. De laatste twee strofen roepen het beeld van een sterfbed op. Ik vraag me zelfs af, of de je in de laatste strofe niet al overleden is: ‘Je licht is elders.’ Met dit gedicht won Monica Boschman in 2017 de Plantage Poëzie Prijs 2017. Het prijswinnende gedicht was twee regels langer, door de inkorting is het gedicht nog krachtiger geworden.

Evenals in de openingsafdeling gaat de dichter in ‘Jachtsneeuw’ behoorlijk ver in het beschrijven van de verschillende fasen. In ‘Verkleed’ zijn we getuige van het afleggen: ‘Onhandig sluit ik het halve knoopje / van je laatste jurk. Je blote benen / leg ik overdreven recht.’ ‘Wiegelied’ verwijst naar het uitstrooien van de as: ‘Hoe je in onze handen ligt. / Eerst stijg je op, dan dwarrel je / in tegenstrijdigheden neer.’ In de laatste drie gedichten van de afdeling probeert de ik haar leven te hernemen, waarbij herinneringen aan de overledene en een gevoel van aanwezigheid telkens terugkomen: ‘Je bent niet kwijt / je woont in alle lagen / en overal waar ik jou vind / zoek ik mezelf terug.’ Dit zijn troostende regels, die boven het particuliere uitstijgen.


Kartels

De vierde afdeling valt uit de toon. Hier richt de dichter haar blik naar buiten. Twee scherpe gedichten die zij schreef na het lezen van De oorlog tegen vrouwen en de moed om terug te vechten van Sue Lloyd-Roberts. Een aanklacht tegen onze wegwerpgewoonten: de ‘cadeautjes-voor-één-dag’ die we elkaar geven. Een klacht van een moeder over een geestelijk gehandicapt kind: ‘Ze dacht dat ze de wereld droeg / en baarde de straf van God.’ En dan gaat de aandacht in ‘Mijn psychiater wil het gesorteerd’ toch weer naar binnen, of in ieder geval naar iemands binnenwereld: ‘Waar laat ik wat ik niet benoemen // of nog niet bevatten kan. Herpakken, / in mijn medicijndoos heeft de week / zeven vakjes en een dagindeling.’ Opvallend is de sterk wisselende toon van de gedichten, alsof de dichter nog op zoek is naar een eigen stem.


Spanwijdte

In de laatste afdeling, ‘Spanwijdte’, lijkt de dichter toe te willen werken naar een catharsis, naar het uitslaan van de vleugels. In de bevroren vrouw wordt een meisje tot leven gewekt: ‘Ze opent haar ogen: kijkt, opent haar mond: zingt / opent haar armen: zweeft, laat zich openen // opent.’ De dichter poogt zich daarbij ook te verhouden tot God, die wel een vrouw moet zijn: ‘Want zeg nou zelf, alleen een vrouw / laat mannen over water lopen, toch?’ Het voorlaatste gedicht heet ‘Iets maken’. Dat is lastig, zeker wanneer je je aan de handleiding probeert te houden. ‘Aan het eind doe ik hoe schever hoe beter. / Ik ruim de puinhoop op en zing.’ Zo eindigt deze bundel hoopvol, met dubbelzinnige ‘Luchtveren’: ‘Ik trek mijn vleugels aan / en veeg de lucht.’


Besluit

Door omstandigheden is deze recensie aan de hand van een pdf-file geschreven. Gelukkig is dat eenmalig. Poëzie verdient papier, zowel wanneer ze geschreven wordt als wanneer ze bij de lezer komt. Een gedicht op papier straalt rust uit, het scherm weet altijd dat het tijdelijk is, en ieder moment kan worden ingeruild voor een volgend scherm, nieuwsberichten, een spelletje. Zelfs met een iPad op de bank is er een andere leeservaring. En dan te bedenken, dat de eerste selectie in de Turing gedichtenwedstrijd waarschijnlijk door eenlingen achter een scherm plaatsvindt.

Terug naar Monica Boschman. Haar poëtica is weinig uitgesproken. Vrije verzen, van wisselende opbouw. Weinig gebruik van rijm of assonantie, metrum of andere expliciete poëtische stijlmiddelen. In vier van de vijf afdelingen staat de inhoud voorop, het lijkt de dichter vooral te gaan om het doorwerken, misschien zelfs verwerken van belangrijke levensgebeurtenissen. Zij vindt daar taal voor, die dit wel op een hoger plan brengt. Twee stijlmiddelen vallen op. Allereerst het oprekken van de taal door het gebruik van neologismen: zeerslag, navelkou, eendagsvleugels, breekhuid. Daarnaast het gebruik van dubbelzinnige gedichtentitels als ‘Doortocht’, ‘Vertrekken’, ‘Uitgelezen’ en ‘Luchtveren’, die onder de voor de hand liggende betekenis een hele andere strekking in zich bergen.

In het grootste deel van de bundel lijkt de dichter nogal dicht bij haar eigen werkelijkheid te blijven. Zij probeert onder woorden te brengen wat haar overkomen is en wat ze ervaart. Hoewel ze hier vaak rustige, afgewogen taal voor vindt, tref ik weinig gedichten aan die boven het particuliere uitstijgen. Wel af en toe enkele regels die blijven hangen: ‘Je bent niet kwijt / je woont in alle lagen / en overal waar ik jou vind / zoek ik mezelf terug.’ Zeerslag imponeert als het verslag van een zelfonderzoek, waarbij een melancholieke toon overheerst: ‘In nachten ga jij onder in jouw onbeschreven / zee vol zeerslag, teer en zand.’

____

Monica Boschman (2018). Zeerslag. Uitgeverij U2pi, 61 blz. € 12,50. ISBN 9789087598150

 

 

 

Geplaatst in Recensies.