Obe Alkema – Obelisque

Geen universalisme meer, maar de autobiografie van een aantal.

door Hans Puper

Nog voor je een letter hebt gelezen, trekt het debuut Obelisque van Obe Alkema de aandacht. De bundel heeft het voorkomen, het glanspapier en het formaat van een modeblad. Alkema zelf staat op het voorplat afgebeeld als mannequin. De titel schept verwachtingen: zijn voornaam zit erin en een obelisk is een gedenknaald. Maakt Alkema zich veel groter en sterker dan hij is en richt hij hier gekscherend een monument op voor zichzelf? Zijn debuut valt niet alleen op door het uiterlijk, maar ook door de omvang; niet voor niets verwijst de titel ook naar de wat obese Obelix – een typering waarmee de sympathieke Galliër het overigens beslist niet eens zou zijn. ‘Less is bore’, schrijft Alkema een paar keer. Een enkele keer geeft hij daarvoor een reden, die je overigens niet altijd serieus hoeft te nemen: ‘De vele woorden die ik nodig heb, weerspiegelen de verspilzucht van het Westen, duh.’ (p. 38). Van de lezer lijkt hij zich weinig aan te trekken. In ‘Loslippig’ (p. 47) schrijft hij uitdagend: ‘Ik proost op de mainstreamgedichten. Ze zijn nuttig, omdat ze maker, lezer en opinie / slaperig houden dan wel slapend. Ik besta bij de gratie van de mainstreamgedichten // Gejat goud waarmee ik me behang als Katy Perry als Cleopatra’. Kan zijn, maar de dichter lijkt behoefte te hebben aan andere poëzie en ook daarin speelt het uiterlijk van de bundel een rol. De afbeelding op het voorplat is roze tegen een witte achtergrond en tamelijk vaag. De letters zijn groot en zwart. In ‘This is the pink, we think’(p. 120) lijkt dat roze, deze ‘Liberale kleur van de eenentwintigste eeuw’, onder andere een bevrijding te zijn van de traditionele literatuur: zo is Tsjechov, een bewonderd maar beperkend voorbeeld, tegen deze achtergrond niet zichtbaar meer. Het gedicht vindt u hier.
Maar is er sprake van nieuwe poëzie? Nee, de bundel heeft niet voor niets de vorm van een modeblad: ‘In vrijwel alle uitingen van het leven worden liefdesrelaties vooropgezet. / Ik hop liever van de ene trend naar de andere. Mood: Guccify yourself. / Critici beginnen te mopperen. Gem-shopping.’ (p.43). Voeg daarbij de aandacht voor de intertekstualiteit en het thematiseren van het besef dat de ‘ik uit één stuk’ niet bestaat: ook dat is weer modieus, zie bijvoorbeeld Ik is niet 1, de bundel essays, poëzie en beeldende kunst die werd uitgegeven ter gelegenheid van Poetry International 2017. Een voorbeeld van de ik als wij:

Mijn toekomst, mijn rouw.
Mijn verwachtingen van de arbeidsmarkt waren altijd naïef.
Mijn ons-kent-ons-netwerk hielp me verder. Werd ik toen een wij?
Te jong voor verantwoordelijkheden, nooit te oud om aangerand te worden door tijdelijke dienstverbanden.
Deze sluitertijd is verwaarloosbaar. Mijn wonderwall!

Ik varieer op mezelf. Niets anders dan dat, niets meer dan de variatie op wat je al kent.
Ik kan niets anders uitdrukken dan mezelf, mijn pijntjes en de indiscrete knipogen.
Geldigheid is hem onbekend, omdat hij nooit geldig was. Helpt Xanax hiertegen?
Geen universalisme meer, maar de autobiografie van een aantal.

(Uit: ‘Expressionisme’, p.21/22).

Boeiend is de overgang van ‘ik’ naar het objectiverende ‘hem’. Ook daarmee varieert de ‘ik’ op zichzelf. Maar een paar bladzijden eerder schreef hij de volgende strofe, de laatste van ‘De slijkoorlog’ (p.19).

Wat betreft de bronnen waaraan zij hun informatie ontlenen, bestaat er een contrast
tussen het personage Obe Alkema en zijn auteur Obe Alkema. Hoe tragisch ook,
het is heerlijk om te lezen hoe iemand worstelt, ploetert, en voorgoed knakt.
Als ik lees, ben ik meedogenloos en gaat me niets boven het ongeluk van een ander.

Het aardige is, dat de auteur hier een rol speelt in het gedicht. Hoort die auteur daarom niet ook bij ‘wij’, is ook hij ‘niets meer dan de variatie op wat je al kent’? Dit spel met fictie en werkelijkheid is een van de dingen die deze bundel aantrekkelijk maken.

Op grond van het bovenstaande zou je kunnen zeggen dat Alkema aansluit bij een traditie. Dat geldt ook voor het rangschikken van bestaande zinnen (‘Knippen en plakken, je bent dichter voor je het weet’, schrijft hij ironisch op p. 20). Dat zagen we bij dada al, ook in de jaren zestig was er aandacht voor deze werkwijze en in deze tijd past Astrid Lampe hem toe.
Maar al deze middelen zijn functioneel: Alkema beschrijft een vaak stuurloze, aan het leven lijdende millennial in een complexe wereld, een tobber met het levensgevoel van een Reve 2.0: ‘Cupido, schiet mijn big data af en raak een mooi, jong en stout mannenachterwerk.’ (p. 62). De genoemde poëtische middelen versterken die verwarring en complexiteit, zijn daar zelf een beeld van. Neem bijvoorbeeld dat ‘knippen en plakken’: de lezer moet zelf de verbanden tot stand brengen en niemand doet dat op dezelfde manier, dat hangt af van je ervaring, leeftijd, persoonlijkheid, et cetera. Ook de lengte van de gedichten, de hoeveelheid onderwerpen en intertekstualiteit dragen het hunne bij. En dan heb ik het over de lijsten op alfabetische volgorde nog niet gehad. Was zijn klaarblijkelijke voorbeeld Maarten van der Graaff daar in Dood werk nog bescheiden in, de lijsten van Alkema beslaan 48 pagina’s op A4-formaat in een lettertype van bescheiden grootte. Voor de karakterisering van de samenstelling zou je een regel uit het gedicht ‘Parelcollier’ (p. 55) kunnen gebruiken: ‘Alles wat ik bedenk of steel, zodra mijn oog ergens op valt, past in een groter geheel.’ Een aantal voorbeelden:

‘Als we zelf geen maatregelen nemen, neemt de overheid die misschien. Wetgeving blijven we liever voor’ (p. 67)
‘Beginselverklaring over de functie van literatuur die ingaat tegen de mannelijke smaak.’ (p. 69)
‘Biertje voor onderweg?’ (p. 69 – Herinnert u zich die mooie documentaire over André Hazes nog? Heette zo’n biertje geen Bivo?)
‘Een analogie: Gerard Reve in Friesland, Obe Alkema in de Vinex.’ (p. 77) De Vinex komt zo’n twintig keer voor, die vormt een lijn op zich.
Een grappige beeldspraak van een doorgewinterd minnaar: ‘Laat ik het zo zeggen: ik melk ze graag, ik heb ze liever niet op stal.’ (p.92)
‘Oké, zonder anderen zou ik nooit een fatsoenlijke zin kunnen schrijven.’ (p. 96)
Eentje die na een aantal recensies geldig zou kunnen zijn: ‘Stand van zaken: alinea’s lang gekanker, dankzij mijn gedichten.’ (p. 99). Ook leuk: ‘Zelden heb ik een stuk gelezen waarin mijn naam wordt genoemd dat zoveel onzin bevat.’(p. 113).

Obelisque is geen alle menselijke hoop uitdovende glossy in de overvolle wachtkamer van een geneesheer. Alkema zet alle middelen in om de verwarring, aantrekkingskracht en complexiteit van het leven als millennial te beschrijven. Je kunt vinden dat hij de omvang had moeten beperken, er is detailkritiek mogelijk, maar ‘In great attempts it is / glorious even to fail’, schreef Cassius Longinus – het citaat leende ik van Kees Engelhart. Maar falen deed Obe Alkema niet.
____

Obe Alkema (2018). Obelisque. Het balanseer, 125 blz. € 22,00. ISBN 9789079202546

Geplaatst in Recensies.